Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6514

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
C/09/607152 / HA ZA 21-148
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident tot zekerheidsstelling voor proceskosten in een verklaringsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/607152 / HA ZA 21-148

Vonnis in incident van 9 juni 2021

in de zaak van

1 [eiser 1], te [woonplaats 1],

2. [eiser 2], te [woonplaats 2],

3. [eiser 3], te [woonplaats 3],

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. E.C. van der Spek te Heemstede,

tegen

[gedaagde] , te [woonplaats 4],

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A.P.A. van den Heuvel te Eindhoven.

Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 januari 2021, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot stellen van zekerheid ex artikel 477a lid 2 Rv, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot het stellen van zekerheid ex artikel 477a lid 2 Rv.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

De hoofdzaak heeft betrekking op een verklaringsprocedure als bedoeld in artikel 477a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In deze procedure betwisten [eisers] de juistheid van de door [gedaagde] als derde-beslagene afgelegde verklaring.

2.2.

In het incident vordert [gedaagde], samengevat, dat de rechtbank [eisers] veroordeelt tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten waarin [eisers] zouden kunnen worden veroordeeld tot een bedrag van € 12.286. [gedaagde] legt hieraan, samengevat, ten grondslag, dat zij momenteel weinig financiële middelen heeft en redenen heeft om aan te nemen dat [eisers] niet tot (vrijwillige) betaling van de proceskosten zullen overgaan.

2.3.

[eisers] voeren verweer in het incident.

2.4.

Artikel 477a Rv lid 2 laatste volzin bepaalt dat de rechter, op verlangen van de derde-beslagene, kan bepalen dat de executant zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld. Deze bepaling beoogt - blijkens de parlementaire geschiedenis - te voorkomen dat de derde-beslagene na een verklaringsprocedure met onverhaalbare proceskosten blijft zitten. De derde-beslagene die zekerheid verlangt, zal zijn daartoe strekkende vordering met voldoende redenen moeten omkleden, waaruit kan volgen dat er sprake is van reëel verhaalsrisico.

2.5.

[gedaagde] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat zij een rëeel verhaalsrisico loopt in de hoofdzaak. Daarbij komt dat [eisers] ook hebben betwist dat zij niet in staat zullen zijn om aan een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen. De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

2.6.

De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 juli 2021 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 9 juni 2021.1

1 type: 1554 coll: