Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6502

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vreemdelingenrecht regulier, mensenhandel, geen vrees voor represailles, geen risico voor vervolging in land van herkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.S. Sewdajal),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten).

Procesverloop

Op 11 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te wijzigen. Zijn verblijfsvergunning is verleend onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’ en hij wil de beperking laten wijzigen in ‘humanitair niet-tijdelijk’.

In het besluit van 18 februari 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 1 april 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 23 april 2020 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-videoverbinding plaatsgevonden op
10 mei 2021. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
Op 21 november 2018 heeft hij aangifte gedaan van mensenhandel. Aan hem is toen een verblijfsvergunning verleend in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel voor de periode van 21 november 2018 tot 21 november 2019. Bij besluit van 19 februari 2019 is zijn verblijfsvergunning ingetrokken per 8 januari 2019. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is door verweerder kennelijk ongegrond verklaard.

Op 11 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de beperking van de verblijfsvergunning naar ‘humanitair niet-tijdelijk’.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan een van de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.51, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) jo. artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Er zijn ook geen bijzondere individuele omstandigheden aan de orde op grond waarvan verweerder een verblijfsvergunning dient te verlenen. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria of Italië. In Nigeria wordt hij als homoseksueel gezien. Naar aanleiding hiervan is hij destijds gevlucht uit zijn lokale gemeenschap en wordt hij gezocht door de politie. Eiser is naar Italië gereisd waar hij vervolgens in handen is gekomen van [A] . Hij heeft eiser opgesloten in een woning en hem gedwongen tot seks met verschillende mannen per dag. Tot op heden wordt eiser gebeld en ge-sms’t met dreigementen door [A] . In beroep heeft eiser hiervan screenshots overgelegd. Verweerder moet er rekening mee houden dat [A] over bewijs beschikt en hier eiser mee kan chanteren. Eiser doet een beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en stelt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden zodat moet worden afgeweken van de beleidsregels.

Beoordeling van de rechtbank

4. Op grond van artikel 3.51, derde lid, van het Vb, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan bij ministeriele regeling aangewezen categorieën vreemdelingen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid. In de ministeriële regeling kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

5. De ministeriële regels zijn neergelegd in paragraaf B9/12 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Hierin is, voor zover van belang, bepaald dat als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op een van de gronden die onder 1 en 2 zijn beschreven1, de IND een verblijfsvergunning verleent als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. Bij de vraag of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat, betrekt de IND in elk geval de volgende factoren:

- risico van represailles jegens betrokkene en haar of zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

- risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie;

- de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.

Heeft eiser te vrezen voor represailles in Nigeria?

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor represailles van mensenhandelaren. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat de aangifte van eiser op 8 januari 2019 is geseponeerd. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om het strafonderzoek over te dragen aan Italië. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eiser weinig specifieke informatie over [A] heeft kunnen geven terwijl hij stelt ongeveer een jaar bij [A] in huis te zijn gebleven. De stelling dat [A] eiser bedreigt is onvoldoende onderbouwd. Uit het primair besluit blijkt dat er onderzoek is gedaan naar het Italiaanse telefoonnummer dat van [A] zou zijn. Uit dit onderzoek komt naar voren dat het niet duidelijk is tot wie dit telefoonnummer behoort. Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de inhoud van de berichten te vaag en summier is om te concluderen dat eiser daadwerkelijk wordt bedreigd. Nu de vrees voor represailles door eiser niet aannemelijk is gemaakt, is evenmin aannemelijk dat de Nigeriaanse autoriteiten in voorkomende gevallen hiertegen geen bescherming kunnen of willen bieden2.

Heeft eiser te vrezen voor vervolging op grond van homoseksualiteit?

7. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiser dat hij niet terug kan keren naar Nigeria, omdat hij ervan beticht wordt homoseksueel te zijn overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit onderdeel niet samenhangt met het mensenhandelrelaas, omdat hiervan ook sprake zou zijn geweest als hij niet in handen zou zijn gevallen van de gestelde mensenhandelaar [A] . De door eiser aangevoerde omstandigheden zullen niet bij deze procedure worden betrokken, maar bij de lopende asielprocedure van eiser.

8. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eiser op artikel 4:84 van de Awb niet kan slagen. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat in het geval eiser van sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat niet tot afwijzing van zijn verblijfsvergunning dient te worden overgegaan, omdat vasthouden aan het beleid voor eiser tot onevenredige gevolgen zou leiden in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder na afweging van alle omstandigheden zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die rechtstreeks verband houden met mensenhandel waardoor van eiser zou mogen worden gevergd dat hij Nederland verlaat.

Conclusie

10. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de aanvraag van eiser van voor het wijzigen van het verblijfsdoel van zijn verblijfsvergunning naar het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ heeft kunnen afwijzen.

11. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Te weten (1) als de officier van justitie wel besluit om tot vervolging van mensenhandel over te gaan of (2) als er een strafzaak loopt en het slachtoffer heeft al drie jaar een verblijfsvergunning op grond van de regeling voor mensenhandel.

2 Zie overweging 3.2 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1082).