Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6498

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1583
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Causaal verband tussen ontstaan/verergering van gehoorschade en part time werk in zwembaden niet aannemelijk gemaakt.

Rechtbank komt niet toe aan vraag of werkgever zorgplicht heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1583

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.C. Uittenbogaart),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.L. Chan).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om aansprakelijkheid voor de gehoorschade van eiser te erkennen en schadevergoeding te betalen afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] .

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is vanaf 2001 op uitzendbasis werkzaam bij de gemeente Den Haag en is per 1 juli 2003 (part-time) - voor 17 uur en 45 minuten per werkweek - aangesteld als ambtenaar bij de gemeente Den Haag in de functie medewerker algemene binnendienst. Eiser is op 29 augustus 2012 uitgevallen wegens ziekte. Met ingang van 1 september 2015 is eiser eervol ontslag verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Bij eiser is de diagnose tinnitus graad 4 (oorsuizen) vastgesteld. Partijen zijn het niet eens over de vraag of verweerder daarvoor aansprakelijk is.

Wat zijn de regels?

2.
Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep leidt de rechtbank het volgende af. Het bestuursorgaan heeft tegenover de ambtenaar een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zo moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook als rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien.1 In de bewoordingen ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden’ is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade oorzakelijk verband moet bestaan. Zo’n verband is pas aanwezig als aannemelijk is dat het werk en/of de werkomstandigheden de schade daadwerkelijk hebben veroorzaakt.2 Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat schade is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit het oorzakelijk verband blijkt. Pas als de ambtenaar hierin is geslaagd, komen de zorgplicht van het bestuursorgaan en de vraag of hij deze heeft geschonden aan de orde.3

Het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat bij eiser geen sprake is van een beroepsziekte als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG). Uit de door eiser overgelegde medische informatie volgt niet volgt dat zijn tinnitusklachten zijn ontstaan door (of in overwegende mate hun oorzaak vinden) in de werkzaamheden die eiser heeft verricht. Vervolgens is het verzoek om schadevergoeding van eiser beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak en komt verweerder tot de conclusie dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade van eiser en de werkzaamheden ontbreekt. Daarom is niet gebleken dat sprake is van een beroepsziekte op grond waarvan verweerder aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade van eiser.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat er sprake is van een beroepsziekte volgens de registratierichtlijn B001 van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten omdat hij ongeveer elf jaar heeft gewerkt in een omgeving waar de gemiddelde dagdosis aan geluid 87 dB(A) bedroeg en hij lijdt aan tinnitus graad 4. Zijn standpunt is dat verweerder in beginsel aansprakelijk is voor de gehoorschade die op het werk is ontstaan, omdat verweerder onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om de beroepsziekte te voorkomen.

Verder voert eiser aan dat hij in 1997 een gehoortest heeft ondergaan waarbij geen gehoorschade is geconstateerd. Dit betrof, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, een zogeheten “uitkeuring” toen hij zijn werkzaamheden in de scheepvaart beëindigde. Eiser leidt daaruit af dat zijn gehoorschade moet zijn ontstaan gedurende zijn werkzaamheden in de zwembaden van verweerder.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de uitoefening van zijn werkzaamheden en de gestelde schade. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5.2.

Eiser heeft aangevoerd dat de gehoortest uit 1997 laat zien dat hij op dat moment geen gehoorschade had en dat daaruit kan worden afgeleid dat de gehoorschade moet zijn ontstaan in de periode dat hij werkzaam was in de zwembaden. Vast staat dat eiser in 2001 is begonnen met zijn werk als toezichthouder/schoonmaker in zwembad Overbosch en vanaf 1 september 2009 in zwembad De Blinkerd. Dat betekent dat er meerdere jaren zijn verstreken tussen de uitslag van de gehoortest en het begin van de werkzaamheden bij de zwembaden. Het staat dan ook niet vast dat de gehoorschade van eiser pas vanaf 2001 is ontstaan of veroorzaakt.

5.3.

Eiser heeft een advies van 30 oktober 2017 van zijn medisch adviseur J.M. van der Toorn overgelegd. In dat advies komt de medisch adviseur op grond van de beschikbare stukken tot de conclusie dat het mogelijk is dat eiser tijdens zijn werk werd blootgesteld aan schadelijk geluid, als tenminste de conclusies van het geluidsonderzoek in het Zuiderpark zwembad in 2016 ook gelden voor de werksituatie van eiser in de periode 2001-2012. Dit zou de geleidelijk toegenomen tinnitus vanaf 2003-2004 en het gehoorverlies in 2005 tot gevolg gehad kunnen hebben. Voor een oordeel over deze beroepsgebondenheid is meer specifieke informatie nodig over de blootstelling van eiser aan schadelijk geluid dan wel ototoxische stoffen in zijn werksituatie in de periode 2001-2012 en buiten het werk. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat de conclusies van het geluidsonderzoek in het Zuiderpark zwembad ook gelden voor de werksituatie van eiser in zwembaden waar (en de periode waarin) eiser heeft gewerkt.

5.4.

Eiser heeft ook een advies overgelegd van 22 november 2018 van dr. B. Sorgdrager, bedrijfsarts en beroepsziekte specialist en als klinisch arbeidsgeneeskundige verbonden aan de Polikliniek Mens en Arbeid van de Amsterdam Universitair Medische Centra. Deze deskundige geeft (uitgaand van een arbeidsduur van circa 22 uur per week) onder meer de volgende bevindingen.
“De tinnitus bestaat sinds 2004. Klachten van migraine, hoge bloeddruk, oorsuizen hebben geleid tot ziekmelding in 2007.” De conclusie van bedrijfsarts Sorgdrager luidt:

“Het gehoorverlies beschouw ik niet als een beroepsziekte. Het is niet uit te sluiten dat de tinnitus wel door werkfactoren is opgetreden (lawaaiblootstelling in combinatie met spanning). Een direct verband tussen blootstelling aan ototoxische stoffen in het zwembad en het optreden van tinnitus acht ik niet waarschijnlijk. (…) Indien de heer Albrecht niet werkzaam was geweest in het zwembad was de kans dat de tinnitus zich had ontwikkeld op het huidige niveau onwaarschijnlijk.”

De rechtbank stelt vast dat in 2003-2004 bij eiser de diagnose tinnitus is gesteld. Dat is betrekkelijk kort na de aanvang van zijn werkzaamheden in 2001. Hoewel volgens het advies de tinnitus door werkfactoren kan zijn opgetreden en deze zich door aanwezigheid van eiser in de zwembaden verder kan hebben ontwikkeld tot het huidige niveau, is daarmee nog geen sprake van een oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden van eiser en de tinnitus. Het feit dat niet uit te sluiten valt dat de tinnitus door, naar eiser stelt, voor hem stresserende werkfactoren is opgetreden en dat deze zich waarschijnlijk verder heeft ontwikkeld door zijn aanwezigheid in de zwembaden, is onvoldoende om aan te nemen dat waarschijnlijk is dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden in de zwembaden de tinnitus bij eiser daadwerkelijk hebben veroorzaakt.
Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij psychische klachten heeft gekregen doordat verweerder bij de inroostering geen rekening heeft willen houden met zijn zorgtaken en verweerder hem na zijn uitval wegens ziekte geen blijvende andere passende werkzaamheden heeft aangeboden, terwijl dat volgens eiser wel mogelijk was.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat deze (psychische) klachten relevant zijn voor de vraag voor de vraag of de tinnitus bij eiser is ontstaan door de werkzaamheden en/of werkomstandigheden in de zwembaden van verweerder.

5.5.

Daar komt bij dat, zoals verweerder heeft opgemerkt, uit het rapport van Sorgdrager niet blijkt of rekening is gehouden met feiten die verder afbreuk doen aan de aannemelijkheid dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tinnitus en eisers werkzaamheden. Zo vermeldt het rapport niet of het feit dat eiser in twee zwembaden heeft gewerkt, waaraan tevens een sportcomplex was verbonden, is meegewogen en dat eiser niet enkel werd ingezet voor toezichthoudende taken en schoonmaak bij de zwembaden maar ook werkte bij de sporthal, judozaal en vergaderzaal, zoals dit blijkt bijvoorbeeld uit de beoordeling over de periode van november 2004 tot en met juli 2005.

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn aanvullende beroepsgronden van 28 april 2021 heeft gesteld dat hij 10% sporthaldiensten verrichtte en 5% kassadiensten. Met deze stelling heeft hij niet weerlegd dat Sorgdrager is uitgegaan van meer uren aanwezigheid van eiser in de zwembaden dan daadwerkelijk het geval was. Sorgdrager heeft immers in zijn rapportage met deze 10% sporthaldiensten van 5% kassadiensten geen rekening gehouden.

5.6.

Eiser stelt in zijn aanvullende beroepsgronden dat hij geluidsbelasting heeft ondervonden door het werken met schoonmaakmachines die veel lawaai produceren. Eiser heeft deze aanvullende beroepsgrond niet met stukken onderbouwd. Daarbij komt dat eiser deze beroepsgrond niet eerder heeft aangevoerd en verweerder ter zitting heeft gesteld dat het om boenmachines met een nylon schijf ging, die niet veel lawaai maakten.

5.7.

Ten slotte heeft eiser verwezen naar algemene publicaties van onderzoeken naar geluidsbelasting in zwembaden in Nederland, die niet specifiek betrekking hebben op de zwembaden Overbosch en De Blinkerd. De rechtbank is van oordeel dat uit deze algemene publicaties niet de conclusie kan worden getrokken dat bij de zwembaden waar eiser heeft gewerkt een gemiddelde geluidsbelasting bestond van meer dan 87 dB(A). Verweerder heeft verwezen naar het ter inzage liggende TNO onderzoek naar de Haagse zwembaden in 2003 en 2004, waarin de blootstelling aan geluid is onderzocht voor de zwembaden waar eiser heeft gewerkt.

Ten aanzien van zwembad Overbosch is vermeld dat het geluidsniveau de waarde van 80 dB(A) alleen bij het douchen en vrij zwemmen behorende bij het schoolzwemmen overschrijdt. Dit betreft overschrijdingen van relatie korte duur. Eenmaal werd de waarde van 80 dB(A) overschreden gedurende een les toen een instructeur drukke leerlingen overschreeuwde. Verder wordt bij aquarobic de waarde van 80 dB(A) overschreden door de muziek.

Ten aanzien van zwembad De Blinkerd is vermeld dat het geluidsniveau de waarde van 80 dB(A) alleen bij het douchen en lessen aan ZMOK-kinderen overschrijdt en een enkele maal bij vrij zwemmen behorende bij het schoolzwemmen. Dit betreft overschrijdingen van relatief korte duur. Verder wordt bij aquajogging de waarde van 80 dB(A) overschreden in de omgeving van de zwemleraar, waar zich ook de geluidsboxen bevinden.

Ook uit het in 2016 door het geluidBuro verrichte onderzoek blijkt dat voor toezichthouders wordt voldaan aan de grenswaarde van 80 dB(A) voor het geluidsexpositieniveau en de grenswaarde van 135 dB(C) voor piekgeluiddrukniveau.

Hiermee heeft verweerder weerlegd dat de geluidsniveaus van 87 dB(A) die gemiddeld zijn gemeten bij zwembaden in Nederland, van toepassing zijn op de zwembaden waar eiser heeft gewerkt. Voorts vermeldt de Registratierichtlijn B001 waarop eiser een beroep doet dat bij een gemiddelde dagdosis van 86 dB(A) de gemiddelde tijdsduur die nodig is om schade te veroorzaken 10 jaar, 5 dagen per week, 8 uur per dag is. Eiser had een aanstelling van eiser 17 uur en 45 minuten van 2001 tot 2012 en bleef aldus ver onder de gemiddelde tijdsduur voor schade.

5.8.

Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade is ontstaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden als toezichthouder/schoonmaker bij de zwembaden en dus geen causaal verband bestaat tussen eisers klachten en zijn werkzaamheden, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of verweerder zijn zorgplicht heeft geschonden.

5.9.

Verweerder heeft de aansprakelijkheid voor de gehoorschade van eiser op goede gronden afgewezen. Het beroep is ongegrond.

5.10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. M.R. Aaron en mr. H.G. Molenaar-Geurtsen, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98.

2 Zie de uitspraak van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3714.

3 Zie de uitspraken van 1 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:661 en 1 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2407.