Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6432

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
C/09/607545 / JE RK 21-271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/607545 / JE RK 21-271

Datum uitspraak: 28 mei 2021

Beschikking van de Meervoudige Kamer

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 15 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. C.C. Sneper, te Baarn,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Erkens, te Den Haag.

Het verdere procesverloop

Bij beschikking van. 9 maart 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 14 maart 2021 tot 14 maart 2022 en is de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 14 maart 2021 tot 14 juni 2021. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- het (ten behoeve van de behandeling door de rechtbank opgestelde) gezinsplan van 13 mei 2021;

- de brief van de zijde van de moeder, ingekomen op 27 mei 2021.

Op 28 mei 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de heer [vertegenwoordiger van het let-team] namens het landelijk expertiseteam (LET);

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van de moeder.

Opgeroepen en niet verschenen is de moeder. Zij heeft bij haar hiervoor vermelde brief haar mening aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

Op dezelfde zitting is eveneens een verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing met zaaknummer C/09/611815 / JE RK 21-1127 behandeld.

De verdere beoordeling

De rechtbank dient nu nog te oordelen over de het aangehouden verzoek tot machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 maart 2022. Op verzoek van de kinderrechter heeft de gecertificeerde instelling dit verzoek nader onderbouwd. De gecertificeerde instelling heeft verwezen naar het gezinsplan van 13 mei 202, vooral naar pagina 20 en 53 en de bijlagen 16 en 17. Ter zitting is dit verder als volgt verduidelijkt. Naar aanleiding van de zitting van9 maart 2021 is het traject Voorkomen Uithuisplaatsing (VUHP) opnieuw opgestart. Al snel daarna volgden echter steeds nieuwe ontwikkelingen. De relatie van de ouders is inmiddels beëindigd en zij maken elkaar over en weer ernstige verwijten.. De vader heeft zich daarnaast meermaals verbaal agressief en dreigend geuit jegens zowel de moeder als de begeleider van VUHP. Deze begeleider is hierdoor genoodzaakt geweest om het traject stil te leggen. Om de veiligheid te kunnen waarborgen zal de casus nu worden overgedragen aan een jeugdbeschermer van het Landelijk Expertise Team (LET). De ouders hebben daarnaast, na hun relatiebreuk, aangegeven dat zij hebben gelogen en zorgen hebben verzwegen om de andere ouder te beschermen. Door alle onrust is het niet gelukt om te werken aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt hierdoor nog steeds ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling. Hij is bekend met woedeaanvallen en ‘breathholding’. In de komende periode zal verder bekeken worden of een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel opgestart zal worden. De aanvaardbare termijn van [minderjarige] is verstreken. Het patroon is echter niet doorbroken en de zorgen over de partnerrelatie tussen de ouders, huisvesting, middelengebruik en huiselijk geweld bestaan onverkort. De ingezette interventies hebben geen verandering gebracht. Om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen is het dan ook noodzakelijk om de uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De vader heeft ingestemd met het verzoek. Hij begrijpt dat het nu te vroeg is om [minderjarige] terug te plaatsen, mede gelet op alle recente ontwikkelingen. De komende periode moet echter wel gebruikt worden om te werken aan een terugplaatsing. De vader werkt goed mee aan alle hulpverlening, hij beschikt over een eigen woning en hij heeft meegewerkt aan de IQ-test. Het VUHP-traject is gestopt door een vertrouwensbreuk, maar dit kan met een andere begeleider weer opgepakt worden. De omgangsmomenten verliepen daarvoor juist heel goed. De spanningen zijn hoog opgelopen door de breuk tussen de ouders en er worden vele verwijten gemaakt aan het adres van de vader. Hij is echter nooit verbaal agressief geweest in het bijzijn van zijn zoon en volgt behandeling om zijn emoties beter te kunnen reguleren.

De advocaat van de moeder heeft namens haar ingestemd met het verzoek. De moeder heeft aangegeven eerst met zichzelf aan de slag te moeten voordat zij de zorg voor [minderjarige] weer op zich kan nemen. Ze voelt zich op dit moment onveilig en heeft geen eigen woning. De moeder volgt trouw haar traject bij de Brijder. In de toekomst wil zij wel de zorg voor [minderjarige] dragen en zij acht zichzelf hiertoe in staat. De ouders zijn tot nu toe gezamenlijk beoordeeld, maar er is nu een nieuwe situatie ontstaan, waarbij de mogelijkheden en vaardigheden van de moeder afzonderlijk beoordeeld moeten worden. De gecertificeerde instelling moet in de komende periode actief inzetten op ondersteuning van de moeder en op het mogelijk maken van een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder heeft in haar brief geschreven dat zij de zitting niet kan bijwonen omdat zij opgesloten zit op haar onderduikadres, dat zij bang is dat de vader haar zal vermoorden omdat hij dat altijd heeft geroepen, dat hij haar heeft mishandeld ook in het bijzijn van [minderjarige] en dat hij haar steeds terug heeft gehaald als zij ontsnapte. Zij heeft verder geschreven dat zij voor de vader tegen jeugdzorg heeft gelogen omdat ze hoopte dat haar relatie met de vader goed zou komen, maar dat dit niet is gebeurd. Zij heeft erkend dat zij een alcoholprobleem heeft en medegedeeld dat zij daaraan werkt en heeft verder vermeld dat de vader altijd onder invloed is van harddrugs en alcohol.

Beoordeling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de periode sinds de vorige zitting zijn de zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] niet alleen onverkort blijven bestaan maarzelfs toegenomen. Naast de zorgen over de woon-, werk- en financiële situatie van de ouders, middelengebruik, huiselijk geweld en verwaarlozing van [minderjarige] , zijn er na de relatiebreuk van de ouders zorgen bijgekomen. De vader uit zich zeer bedreigend jegens de moeder, jeugdbeschermer en overige betrokken hulpverleners. Voldoende aannemelijk geworden is dat het om ernstige bedreigingengaat; de gecertificeerde instelling heeft zich hierdoor genoodzaakt gevoeld om de casus over te dragen aan het LET en om de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stil te leggen. Voorts hebben beide ouders, onafhankelijk van elkaar, medegedeeld dat zij gedurende hun relatie zorgen en gebeurtenissen voor jeugdzorg hebben verzwegen om elkaar te beschermen en uiten zij nu ernstige verwijten jegens elkaar. Hetgeen de moeder in haar brief aan de rechtbank heeft geschreven is alarmerend. Opvallend is daarbij overigens dat zij wel heeft toegegeven dat zij een alcoholprobleem heeft, terwijl de vader ook ter zitting zijn eigen problematiek is blijven ontkennen. Pas op de zitting daarmee geconfronteerd (de jeugdbeschermer deelde mee een geluidsfragment te kunnen laten horen als dat nodig was) heeft hij niet langer weersproken dat hij de moeder telefonisch heeft bedreigd, maar aangevoerd dat de moeder zijn gedrag had uitgelokt. Vanzelfsprekend krijgt [minderjarige] de grote spanningen tussen zijn ouders mee tijdens de omgangsmomenten. Dat het niet goed met hem gaat blijkt uit de omstandigheid dat hij kindsignalen uit in de vorm van woedeaanvallen en paniekaanvallen en dat hij last heeft van zogenaamde ‘breathholding spells’, waarbij hij zijn adem inhoudt. De individuele situatie van de ouders en de zeer gespannen verhouding tussen hen alsmede de zorgen over [minderjarige] maken dat de situatie op dit moment pertinent te onveilig is om [minderjarige] thuis te plaatsen. Hierom zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. In de komende periode is het vooral van belang dat er voor [minderjarige] rust en veiligheid komt, van waaruit kan worden bezien op welke wijze weer veilig omgang met de ouders tot stand kan komen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 14 juni 2021 tot 14 maart 2022, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021 door mr. J.J. Peters, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. A.E.J. Satink, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.