Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6415

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
20_5165 en 20_5166
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder maakt niet aannemelijk dat bij eiseres in rekening gebrachte omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt. Dat sprake is van inkoop van materialen die niet bestemd waren voor de belaste activiteiten van eiseres is onvoldoende aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag is ten onrechte opgelegd. Daarnaast is de afwijzing van een verzoek om teruggaaf onvoldoende gemotiveerd. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-9-2021
FutD 2021-2749
V-N Vandaag 2021/2074
NLF 2021/1826
NTFR 2021/3385 met annotatie van drs C. Verweij
V-N 2021/43.2.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 20/5165 en SGR 20/5166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.P. Keulers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd (de boetebeschikking) en belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).

Eiser heeft voor het tijdvak juli 2017 tot en met september 2017 verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen (de teruggaafbeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 juli 2020 de naheffingsaanslag, de boete- en rentebeschikking en de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat ziet op de naheffingsaanslag en de daarbij gegeven beschikkingen is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 20/5165. Het beroep dat ziet op de teruggaafbeschikking is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 20/5166.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser exploiteert onder de naam [eenmanszaak] een eenmanszaak (de eenmanszaak). [eenmanszaak] is een klussenbedrijf.

2. Eiser koopt materialen in bij [B.V.] BV ( [B.V.] . BV). In het vierde kwartaal van 2016 is door [B.V.] . BV aan eiser een bedrag van € 40.796,68 (inclusief € 6.986,12 omzetbelasting) gefactureerd. In de periode van 1 januari 2017 tot en met 23 mei 2017 is door [B.V.] . BV aan eiser een bedrag van € 162.402,00 (inclusief € 28.185 omzetbelasting) gefactureerd. Eiser heeft deze facturen voldaan en de daarop vermelde omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht.

3. In 2018 heeft verweerder een onderzoek bij eiser ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 oktober 2016 tot en met 31 maart 2018. Met dagtekening 28 augustus 2019 is van het onderzoek een rapport (het controlerapport) opgesteld waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:

“3.3 Voorbelasting

Uit de overgelegde administratie blijkt dat [eiser], in de jaren 2016 en 2017, regelmatig inkopen heeft gedaan bij [ [B.V.] . BV]. [Eiser] vertelde dat deze inkopen werden gedaan door een ingehuurde ZZP’er, de heer [naam; hierna B.].

(…)

Vanaf medio juni 2017 werkt [B.] niet meer voor [eiser] (…).

(…)

Uit de facturen van [ [B.V.] . BV] blijkt dat hoofdzakelijk (electra) installatiemateriaal werd geleverd. Waaronder grote hoeveelheden groepenkasten, lampen en dikke stroomkabels (buitenkabels).

(…)

Wij hebben [eiser] en [de toenmalige belastingadviseur] tot 1 oktober 2018 de gelegenheid gegeven om de bijbehorende facturen inzake bovengenoemde materiaallijst aan te leveren. (…). Medio december 2018 hebben wij de gevraagde verkoopfacturen ontvangen. De bijbehorende offertes hebben wij niet ontvangen.

Derdenonderzoeken

Naar aanleiding van de ontvangen verkoopfacturen en de lijst met (electra) installatiemateriaal van [de eenmanszaak] hebben wij bij onderstaande afnemers (ondernemers) derdenonderzoek ingesteld. Dit omdat wij onze twijfels hadden of het ingekochte materiaal van [B.V.] . BV echt geinstalleerd is bij de woningen/panden die [eiser] heeft genoemd in de materiaallijst/verkoopfacturen. Het materiaal dat bij [ [B.V.] . BV] is ingekocht is dusdanig specifiek en wordt normaal gesproken niet bij woningen geinstalleerd.

(…)

Voorwaarden om voor aftrek van voorbelasting

Om voor aftrek van voorbelasting in aanmerking te komen, moet voldaan zijn aan enkele voorwaarden. Zo moet de voorbelasting zien op door andere ondernemers aan de ondernemer verrichte leveringen/diensten die de ondernemer gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Er bestaat nu geen recht op aftrek van voorbelasting. Uit bovenstaande derdenonderzoeken is gebleken dat de ingekochte materialen niet zijn gebruikt bij de opdrachtgevers. Niet is aannemelijk gemaakt dat de ingekochte materialen bij [ [B.V.] . BV] zijn gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. Dit heeft tot gevolg dat wij de volledige geclaimde voorbelasting van de inkopen bij [ [B.V.] . BV] zullen corrigeren.

Jaar 2016 minder aftrek voorbelasting € 6.986

Jaar 2017 minder aftrek voorbelasting € 28.185

(…)

7 Naheffingsaanslag omzetbelasting

Over de tijdvakken 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2017 zullen wij een naheffingsaanslag omzetbelasting opleggen. Deze is gebaseerd op artikel 20, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.”

4. Eiser heeft voor het tijdvak van juli 2017 tot en met september 2017 verzocht om teruggaaf van een bedrag van € 14.583 aan omzetbelasting. Met de teruggaafbeschikking met dagtekening 18 oktober 2019 is deze teruggaaf geweigerd. Op de teruggaafbeschikking wordt verwezen naar het controlerapport.

5. Met dagtekening 26 oktober 2019 is, conform het controlerapport, de naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 35.171. De daarbij opgelegde vergrijpboete bedraagt € 8.792. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 2.893.

6. Eiser heeft met dagtekening 8 november 2019 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Eiser heeft met dagtekening 27 november 2019 bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking.

7. Met toestemming van eiser is de termijn om op de bezwaren te beslissen verlengd tot 1 juli 2020. Eiser is niet akkoord gegaan met verdere verlenging tot 1 oktober 2020.

8. Op 12 juni 2020 heeft verweerder telefonisch contact gehad met eiser en meegedeeld telefonisch te willen horen. Eiser is daar niet mee akkoord gegaan, waarna verweerder van horen heeft afgezien.

Geschil

9. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of het verzoek om teruggaaf terecht is afgewezen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door [B.V.] . BV in rekening gebrachte omzetbelasting (de voorbelasting) terecht niet in aftrek is toegelaten. Tevens is in geschil of de hoorplicht is geschonden.

10. Eiser stelt dat ter zake van de door [B.V.] . BV gefactureerde omzetbelasting aan de voorwaarden voor aftrek van voorbelasting is voldaan. Voor wat betreft de teruggaafbeschikking heeft eiser ter zitting verder aangevoerd dat die onvoldoende is gemotiveerd en dat het verzoek om teruggaaf niet enkel betrekking had op facturen van [B.V.] . BV. De hoorplicht is volgens eiser geschonden.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door [B.V.] . BV gefactureerde omzetbelasting niet voor aftrek in aanmerking komt, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van goederen die zijn gebruikt voor eisers belaste prestaties. Van schending van de hoorplicht is volgens verweerder geen sprake.

Beoordeling van het geschil

Hoorplicht

12. Ingevolge artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in een beperkt aantal gevallen van het horen van een belanghebbende worden afgezien. Een dergelijke situatie doet zich in onderhavige geval niet voor. Dat eiser niet heeft ingestemd met een telefonische hoorzitting en de termijn dreigde te verstrijken om uitspraak op bezwaar te doen, betekent niet dat eiser heeft afgezien van het recht te worden gehoord. De hoorplicht is dan ook geschonden. Eiser heeft ter zitting verklaard geen terugwijzing van de zaken te wensen. Verweerder heeft niet verzocht om terugwijzing. De rechtbank zal de zaken daarom, mede gezien het bepaalde in artikel 8:41a van de Awb, inhoudelijk beoordelen.

De naheffingsaanslag

13. Artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a. De belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de aan de ondernemer verrichte leveringen (…) in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur;

(…)

een en ander voor zover de goederen en diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

(…).”

14. Uit artikel 15 van de Wet en artikel 167 van de Richtlijn betreffende belasting over toegevoegde waarde (de BTW-richtlijn) volgt dat het recht op aftrek moet worden uitgeoefend in het tijdvak waarin de omzetbelasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht. Op deze manier wordt bereikt dat de omzetbelasting zo min mogelijk een drukkende factor is voor de onderneming. Deze systematiek brengt met zich mee dat van een ondernemer niet kan worden geëist dat ingekochte goederen onmiddellijk voor belaste prestaties worden gebruikt. Voldoende is dat de goederen voor het verrichten van belaste handelingen door de ondernemer zijn ingekocht. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt verder dat eenmaal (terecht) geclaimde aftrek in stand blijft, ook indien belastingplichtige door omstandigheden buiten zijn wil de ingekochte goederen nooit gebruikt voor zijn belaste ondernemersactiviteiten.1 Dit is slechts anders indien de goederen zouden worden gebruikt voor vrijgestelde prestaties of niet belaste prestaties.

15. De bewijslast dat recht bestaat op aftrek van de voorbelasting rust op eiser. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en [B.V.] . BV ondernemers zijn in de zin van de Wet, dat eiser in de facturen wordt genoemd als degene aan wie de in de facturen vermelde leveringen zijn verricht, dat eiser verplicht wordt de facturen te betalen en dat hij deze daadwerkelijk heeft voldaan.2 De facturen zien op de inkoop van goederen die niet wezensvreemd zijn aan de onderneming van eiser en gesteld noch gebleken is dat eiser ook vrijgestelde prestaties of niet belaste prestaties verricht. Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd verklaard dat hij niet stelt dat de facturen van [B.V.] . BV onjuist zijn zodat ook niet in geschil is dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd. Gelet hierop heeft eiser met de verwijzing naar de facturen van [B.V.] .BV in beginsel voldaan aan zijn bewijslast.

16. Het is dan aan verweerder om aannemelijk te maken dat de door [B.V.] . BV in rekening gebrachte omzetbelasting desalniettemin niet voor aftrek in aanmerking komt. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is van goederen die door eiser worden gebruikt voor belaste handelingen, omdat de door [B.V.] . BV gefactureerde goederen niet geschikt zijn voor de werkzaamheden van eiser. Ook heeft verweerder gewezen op de bij opdrachtgevers van eiser uitgevoerde derdenonderzoeken. Eiser heeft daartegenover verklaard dat B. in het kader van de door hem voor eiser uit te voeren werkzaamheden materialen mocht bestellen bij [B.V.] . BV en dat hij er steeds vanuit is gegaan dat de facturen van [B.V.] . BV in overeenstemming waren met wat B. namens hem besteld had. Hij heeft nimmer klachten ontvangen van zijn afnemers over wat hij aan hen in rekening heeft gebracht. Hij heeft de facturen van [B.V.] . BV dan ook zonder meer voldaan. Verweerder heeft met de algemene stellingen over de aard van de ingekochte producten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van de inkoop van materialen die niet bestemd waren voor de belaste activiteiten van eiser en dat eiser daarom ten onrechte de voorbelasting heeft afgetrokken. De gestelde ongeschiktheid voor verwerking in woonhuizen sluit immers niet uit dat de materialen toch in het kader van de bouwactiviteiten van eiser kunnen worden gebruikt. Dat eiser in reactie op de bevindingen bij de controle veronderstelt dat hij is opgelicht door B. en dat hij, achteraf bezien, wellicht heeft betaald voor goederen die mogelijk door B. zijn gebruikt voor eigen projecten in plaats van voor projecten van eiser, is onvoldoende om te concluderen dat eiser de goederen niet heeft ingekocht ten behoeve van zijn belaste handelingen. Die situatie acht de rechtbank vergelijkbaar met die waarin in het kader van een onderneming ingekochte producten worden verduisterd of gestolen. Voor zover verweerder heeft gesteld dat eiser de bij [B.V.] . BV ingekochte goederen heeft gebruikt om niet verantwoorde omzet te generen, heeft verweerder dat niet aannemelijk gemaakt.

17. Gelet op het voorgaande is verweerder niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd en is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer SGR 20/5165 daarom gegrond verklaren en de naheffingsaanslag en daarbij gegeven beschikkingen vernietigen.

Teruggaafbeschikking

18. In de teruggaafbeschikking wordt enkel verwezen naar het controlerapport. Aanvullende motivering van de afwijzing op het verzoek om teruggaaf is door verweerder kennelijk niet verstrekt. Ook gedurende de bezwaar- en beroepsfase, heeft verweerder enkel naar het controlerapport verwezen. In het controlerapport, is over het derde kwartaal van 2017 echter niets opgenomen. Daarbij ziet het controlerapport op facturen tot en met mei 2017, zodat het derde kwartaal feitelijk buiten het bereik van het rapport valt. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij er van uit gaat dat de verzochte teruggaaf uitsluitend ziet op door [B.V.] . BV in het derde kwartaal van 2017 in rekening gebrachte omzetbelasting. Eiser heeft dit echter weersproken en verder verklaard dat op de facturen van [B.V.] . BV ook andere materialen staan vermeld dan die verweerder in twijfel trekt. Verweerder heeft onder deze omstandigheden onvoldoende gemotiveerd waarom geen recht zou bestaan op aftrek van voorbelasting over het derde kwartaal van 2017. Het verzoek om teruggaaf is dus ten onrechte afgewezen.

19. Gelet op het voorgaande is het verzoek om teruggaaf ten onrechte afgewezen. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer SGR 20/5166 daarom gegrond verklaren, de teruggaafbeschikking vernietigen en verweerder opdragen overeenkomstig het verzoek teruggaaf te verlenen.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.333 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 265, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Voor afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien verweerder een beschikking geeft of een uitspraak doet terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.3 Eiser heeft met wat hij daarvoor heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Van omstandigheden die een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigen is de rechtbank ook overigens niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking en belastingrentebeschikking;

- vernietigt de teruggaafbeschikking;

- bepaalt dat verweerder over het tijdvak juli 2017 tot en met september 2017 aan eiser een teruggaaf verleent van € 14.583;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.333;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 Vgl. HvJ 15 januari 1998, ECLI:EU:C:1998:1 (Ghent Coal Terminal NV) en HvJ 8 juni 2000, ECLI:EU:C:2000:304 (Breitsohl)

2 Vgl. HR 2 december 2011, ECLI;NL:HR:2011:BU6535

3 Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975