Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6412

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
C/09/611693 / KG ZA 21/448
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. In de gegeven omstandigheden hoeft de school de leerling geen thuisonderwijs te bieden als bedoeld in artikel 11 lid 6 WEC. Moeder is gemaakte afspraken niet nagekomen en heeft onvoldoende informatie verstrekt, waardoor de school werd beperkt in haar mogelijkheden om de ondersteuningsbehoefte van de leerling vast te stellen, en moeder heeft onvoldoende meegewerkt aan een op overeenstemming gericht overleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2021/1338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/611693 / KG ZA 21/448

Vonnis in kort geding van 23 juni 2021

in de zaak van

[eiseres] te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. van Tiel te Den Haag,

tegen:

[de Stichting] te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W. Brussee te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [de Stichting] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 mei 2021 met producties 1 tot en met 33;

- de door [de Stichting] overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 23;

- de door [eiseres] overgelegde producties 33 tot en met 37;

- de op 9 juni 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De 9-jarige dochter van [eiseres] , [de dochter] , is aangewezen op speciaal onderwijs.

2.2.

Vanaf het schooljaar 2016/2017 tot maart 2019 heeft [de dochter] speciaal onderwijs gevolgd op de [de school] in [plaats] , hierna ‘de school’. De school is onderdeel van [de Stichting] .

2.3.

In maart 2019 is [de dochter] ziek gemeld. In de periode vanaf de ziekmelding van [de dochter] tot november 2020 hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd en overleg met elkaar gevoerd (op 4 februari 2020 ook in aanwezigheid van de (medische) specialisten die [de dochter] behandelen) over de vraag of en op welke wijze passend onderwijs aan [de dochter] kan worden aangeboden. [eiseres] heeft zich daarbij (samengevat) op het standpunt gesteld dat [de dochter] recht heeft op onderwijs aan huis omdat zij als gevolg van aan school gerelateerd trauma is gediagnosticeerd met PTSS en dus ziek is. De school/ [de Stichting] heeft (samengevat) steeds kenbaar gemaakt dat zij eerst aan de hand van eigen onderzoek en op basis van de beschikbare medische gegevens de medische situatie en de ondersteuningsbehoefte van [de dochter] wil vaststellen.

2.4.

In een brief van 8 oktober 2020 heeft de advocaat van [de Stichting] aan [de advocaat] van DAS, rechtsbijstandverlener van [eiseres] (hierna ‘ [de advocaat] ’), meegedeeld dat [de Stichting] niet bekend is met de actuele gezondheidssituatie van [de dochter] , dat om die reden is verzocht om een onderzoek door de schoolarts en dat – voor het geval [eiseres] [de dochter] niet door de schoolarts wil laten onderzoeken – [de Stichting] bereid is om medewerking te verlenen aan een onderzoek door de schoolarts op basis van de actuele bevindingen van de behandelend specialisten van [de dochter] . Daarbij heeft de advocaat van [de Stichting] namens [de Stichting] toegezegd dat als uit dit onderzoek blijkt dat [de dochter] ziek is en niet naar school kan, de school onderwijs aan huis zal faciliteren.

2.5.

Nadat [de advocaat] op 13 november 2020 een brief met als bijlagen verklaringen van de behandelend kinderarts en van de behandelend orthopedagoog van [de dochter] aan de advocaat van [de Stichting] had toegezonden, heeft de schoolarts op 16 november 2020 vastgesteld dat [de dochter] ziek is. [de Adviseur] , Adviseur Passend Onderwijs bij de Stichting Passend Primair Onderwijs Haaglanden (hierna ‘SPPOH’), heeft hierop in een e-mailbericht van 27 november 2020 aan [eiseres] meegedeeld dat zij uit informatie van de directeur van de school heeft begrepen dat [de dochter] ziek is en dat zij [eiseres] om die reden uitnodigt voor een gesprek op 10 december 2020, zodat (samengevat) kan worden besproken wat SPPOH voor [de dochter] kan betekenen.

2.6.

Op 10 december 2020 heeft het in 2.5. bedoelde gesprek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: [eiseres] en haar partner, vergezeld van [de advocaat] , [clusterdirecteur] (clusterdirecteur van [de Stichting] , hierna ‘ [clusterdirecteur] ’), [onderwijsadviseur] (onderwijsadviseur Onderwijs Zieke Leerlingen), [de deskundige] (onafhankelijk deskundige, hierna ‘ [de deskundige] ’) en [de Adviseur] namens SPPOH. Uit het opgemaakte gespreksverslag blijkt dat het doel van het gesprek is “Afspraken maken om het onderwijs aan huis te starten”. Verder zijn in het gespreksverslag de volgende afspraken vermeld:

“ - [de deskundige] doet in januari 2021 observatie en onderzoek aan huis bij [de dochter] .

Zij geeft advies over de begeleiding die [de dochter] nodig heeft en over de materialen die daarbij nodig zijn.

- School benadert leerkrachten die [de dochter] thuis kunnen begeleiden. Het gaat hier om leerkrachten die ervaring hebben met ZML onderwijs en traumasensitiviteit.

- Moeder en partner kunnen ook mensen aandragen die passen in bovenstaand profiel

- Wanneer er onderwijs aan huis zal plaatsvinden zijn er materialen van school nodig om goed te kunnen begeleiden.

- De uiteindelijke invulling thuis kan een blokje, een deel van een ochtend zijn of twee keer in de week een moment.

- Moeder en partner denken na welke school er straks benaderd kan worden om alvast contact te hebben vanwege het snel vol zitten van de ZML scholen, voor het geval de [de school] niet de school zou zijn waar [de dochter] naar terug gaat.

- Er gaat een datumprikker rond voor een vervolgoverleg in januari 2021.

- In januari 2021 wordt het tijdspad verder ingevuld en besproken.”

2.7.

Op 4 januari 2021 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en [de deskundige] . Naar aanleiding van dit gesprek heeft [de deskundige] in een e-mailbericht van 11 januari 2021 aan [de directeur] , directeur van de school, en aan [eiseres] meegedeeld dat zij heeft moeten besluiten om te stoppen met haar werkzaamheden. Daarbij heeft zij kenbaar gemaakt dat de reden daarvoor gelegen is in het feit dat het AVG-formulier niet door [eiseres] wordt ondertekend, zodat [de deskundige] geen informatie bij de school en bij de therapeuten van [de dochter] kan opvragen, en dat zij zich beperkt voelt in haar werkzaamheden omdat zij zich alleen mag bezig houden met cognitieve functies, terwijl zij ook wil kijken naar de ontwikkelingsstappen van [de dochter] .

2.8.

In een brief van 22 januari 2021 heeft de advocaat van [de Stichting] samengevat aan [de advocaat] meegedeeld dat het voor [de Stichting] niet mogelijk is om de beginsituatie van [de dochter] te bepalen en om vast te stellen wat er nodig is voor een juiste begeleiding van [de dochter] , aangezien [de deskundige] haar werkzaamheden heeft moeten beëindigen als gevolg van de handelwijze van [eiseres] . Daarbij heeft hij [eiseres] dringend verzocht de op 10 december 2020 gemaakte afspraken na te leven, zodat een vervolggesprek kan worden gepland.

2.9.

[de advocaat] heeft bij brief van 27 januari 2021 op de brief van de advocaat van [de Stichting] gereageerd. Daarbij heeft hij onder meer meegedeeld dat [de deskundige] [de dochter] niet heeft kunnen onderzoeken omdat er geen duidelijke hulpvraag met betrekking tot [de dochter] is geformuleerd, dat er voor [eiseres] juridisch gezien geen verplichting bestaat om mee te werken aan een onderzoek en dat het ontwikkelingsperspectief (OPP) in samenwerking met [eiseres] kan worden opgesteld aan de hand van de inmiddels beschikbare informatie. Daarbij heeft [de advocaat] de school namens [eiseres] verzocht om per direct onderwijs aan huis voor [de dochter] te faciliteren.

2.10.

Bij brief van 18 maart 2021 heeft de advocaat van [de Stichting] aan [de advocaat] laten weten dat de school is overgegaan tot het opstellen van een concept OPP om de ontstane patstelling te doorbreken. Dit concept, dat als bijlage bij de brief is meegezonden, is gebaseerd op de bij de school bekende informatie uit 2019 en de door [eiseres] in 2020 aangeleverde rapportages. De advocaat van [de Stichting] heeft [eiseres] daarbij verzocht om actuele informatie met betrekking tot [de dochter] aan te leveren, waarna het concept OPP tijdens een op overeenstemming gericht overleg (hierna ‘oogo’) tussen partijen kan worden besproken.

2.11.

De advocaat van [eiseres] heeft in een brief van 1 april 2021 voor zover hier van belang aan de advocaat van [de Stichting] meegedeeld dat [eiseres] het niet zinvol acht om nog in overleg te gaan over aanpassing van het OPP, omdat zij tijdens het gesprek op 10 december 2020 al aan de school heeft laten weten dat [de dochter] gedurende 15 uur per week onderwijs aan huis nodig heeft, en dat [eiseres] pas bereid is om in overleg te treden over de verdere invulling van het OPP en om aanvullende informatie te verstrekken wanneer het gewenste onderwijs aan huis voor [de dochter] is gerealiseerd.

2.12.

In een brief van 5 mei 2021 heeft de advocaat van [de Stichting] voor zover hier van belang en samengevat aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld dat [eiseres] de op 10 december 2020 gemaakte afspraken niet is nagekomen, dat zij de voor de vaststelling van een OPP benodigde informatie, ondanks gedane toezeggingen, niet aan [de Stichting] heeft verstrekt en dat het niet mogelijk is gebleken om tot een oogo met [eiseres] te komen. Daarbij heeft de advocaat van [de Stichting] meegedeeld dat de school handelingsverlegen is geworden, met als gevolg dat een verwijderingsprocedure zal worden gestart, die ertoe moet leiden dat [de dochter] op een andere school zal worden geplaatst. Het voornemen van [de Stichting] om [de dochter] van de school te verwijderen is bij brief van 6 mei 2021 aan [eiseres] bevestigd.

2.13.

Als bijlage bij een e-mailbericht van 12 mei 2021 heeft de advocaat van [eiseres] verklaringen van de orthopedagoog en de overige specialisten die [de dochter] behandelen aan de advocaat van [de Stichting] toegezonden. Daarbij is [de Stichting] nogmaals gesommeerd om per ommegaande onderwijs aan huis voor [de dochter] te faciliteren. Uit de vermelding in dit e-mailbericht “Het feit dat er nog een oogo gaat plaatsvinden” heeft [de Stichting] afgeleid dat bij [eiseres] nog altijd de bereidheid bestaat om het oogo te voeren. Daarom heeft [de Stichting] [eiseres] nogmaals uitgenodigd voor een oogo. Ondanks een rappèl van de zijde van [de Stichting] heeft [eiseres] deze uitnodiging niet aanvaard.

2.14.

In een e-mailbericht van 26 mei 2021 is van de zijde van [eiseres] op de door [de Stichting] in gang gezette verwijderingsprocedure gereageerd. [eiseres] heeft daarbij samengevat meegedeeld dat zij zich niet met de gronden voor verwijdering van [de dochter] van de school kan verenigen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert (I) [de Stichting] te veroordelen om onderwijs aan huis te verzorgen, althans te faciliteren, voor ten minste vijftien uur per week, al dan niet via een begeleidingsdienst, een en ander overeenkomstig het advies van de specialisten, (II) [de Stichting] te veroordelen om onderwijsmaterialen voor [de dochter] ter beschikking te stellen en (III) [de Stichting] te veroordelen ervoor zorg te dragen dat een neutrale contactpersoon van [de Stichting] helpt bij het organiseren van passend onderwijs aan huis totdat [de dochter] op school kan re-integreren en bij het realiseren van een passende schoolplek tijdens re-integratie en daarna, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [de Stichting] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe stelt [eiseres] – samengevat – het volgende. [de dochter] is al vanaf maart 2019 ziek en zij is daarom aangewezen op onderwijs aan huis. De specialisten die [de dochter] behandelen hebben vastgesteld dat [de dochter] 15 uur per week traumasensitief onderwijs aan huis nodig heeft. [eiseres] heeft zelf gediplomeerde leraressen ingeschakeld die [de dochter] thuis onderwijs geven, maar op grond van de Wet op de Expertisecentra (WEC) is het de verantwoordelijkheid van de school/ [de Stichting] om het onderwijs zodanig inrichten dat leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten. Ondanks herhaalde toezeggingen weigert de school/ [de Stichting] echter om [de dochter] van passend onderwijs te voorzien.

3.3.

[de Stichting] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aan het verweer van [de Stichting] dat [eiseres] geen spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen heeft gaat de voorzieningenrechter voorbij. De vorderingen zijn er immers op gericht om invulling te geven aan [de dochter] ’s recht op onderwijs. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de school/ [de Stichting] gehouden is om voor [de dochter] onderwijs aan huis te verzorgen onder de door [eiseres] gestelde voorwaarden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.3.

Vast staat dat [de dochter] in maart 2019 ziek is gemeld en dat de schoolarts aan de hand van verklaringen van de behandelend kinderarts en van de behandelend orthopedagoog van [de dochter] op 16 november 2020 heeft vastgesteld dat [de dochter] ziek is. Op grond van het bepaalde in artikel 11 lid 6 van de WEC dient de school/ [de Stichting] het onderwijs zodanig in te richten dat ook leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen genieten.

4.4.

Om afspraken te maken over het starten met onderwijs aan huis voor [de dochter] heeft [de Stichting] [eiseres] uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 10 december 2020 plaatsgevonden (zie hiervoor in 2.6.) en partijen hebben tijdens het gesprek onder meer afgesproken dat [de deskundige] in januari 2021 observatie en onderzoek aan huis bij [de dochter] zal doen. Volgens [de Stichting] heeft [de deskundige] dit onderzoek echter niet kunnen verrichten, omdat [eiseres] haar daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld. Dit standpunt vindt steun in het e-mailbericht van [de deskundige] van 11 januari 2021 (zie hiervoor in 2.7.), waarin zij heeft verklaard dat [eiseres] heeft geweigerd om het AVG-formulier te ondertekenen, zodat [de deskundige] niet in staat was om voor haar onderzoek noodzakelijke informatie bij de school of bij de therapeuten van [de dochter] op te vragen, en omdat [eiseres] er niet aan heeft meegewerkt dat [de deskundige] ook de ontwikkelingsstappen van [de dochter] kon beoordelen. Tegen die achtergrond heeft [de Stichting] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat [eiseres] de op 10 december 2020 gemaakte afspraken op dit punt onvoldoende is nagekomen en dat [de Stichting] daardoor werd beperkt in haar mogelijkheden om de beginsituatie, de ondersteuningsbehoefte en het onderwijsniveau van [de dochter] te bepalen en vast te stellen wat er nodig is om [de dochter] op adequate wijze voldoende onderwijs te geven.

4.5.

In artikel 41a lid 1 van de WEC is voor zover hier van belang bepaald dat het bevoegd gezag voor een leerling voor wie speciaal onderwijs wordt verzorgd een ontwikkelingsperspectief (OPP) vaststelt, na advies van de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek en nadat op overeenstemming gericht overleg (oogo) is gevoerd met de ouders. Hoewel het op 10 december 2020 overeengekomen onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van [de dochter] niet van de grond is gekomen, heeft [de Stichting] nadere mogelijkheden willen onderzoeken om toch tot passend onderwijs voor [de dochter] te komen. Daartoe heeft zij op basis van de bij de school bekende gegevens en de eerder door [eiseres] verstrekte informatie een concept OPP opgesteld, dat tijdens een oogo met [eiseres] zou kunnen worden besproken.

4.6.

[de Stichting] heeft aangevoerd dat [eiseres] niet aan een oogo heeft willen meewerken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de Stichting] de juistheid van dit standpunt voldoende aannemelijk gemaakt. In de brief van 1 april 2021 (zie hiervoor in 2.11.) heeft de advocaat van [eiseres] immers aan de advocaat van [de Stichting] meegedeeld dat [eiseres] een oogo niet zinvol acht omdat volgens haar al vast zou staan dat [de dochter] gedurende 15 uur per week onderwijs aan huis nodig heeft. Verder is in die brief meegedeeld dat [eiseres] pas bereid is om het concept OPP te bespreken en om nadere informatie te verstrekken als het gewenste onderwijs aan huis voor [de dochter] is gerealiseerd. Hiermee miskent [eiseres] echter dat het de taak van de school is om in het kader van haar wettelijke verantwoordelijkheid de ondersteuningsbehoefte van een zieke leerling vast te stellen en een adequaat OPP op te stellen en dat voldoende actuele informatie met betrekking tot die leerling voorhanden moet zijn om de school daartoe in staat te stellen. Dat de behandelend specialisten van [de dochter] van mening zijn dat [de dochter] gedurende 15 uur per week traumasensitief onderwijs nodig heeft, zoals [eiseres] heeft gesteld, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de school/ [de Stichting] om de ondersteuningsbehoefte van [de dochter] vast te stellen en maakt het voorgaande daarom niet anders. Daarnaast gaat [eiseres] eraan voorbij dat op grond van artikel 41a lid 1 van de WEC eerst een oogo moet worden gevoerd voordat een OPP kan worden vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald hoe het thuisonderwijs voor [de dochter] moet worden ingericht.

Naar aanleiding van een e-mailbericht van 12 mei 2021 van de advocaat van [eiseres] heeft [de Stichting] [eiseres] opnieuw uitgenodigd voor een oogo (zie hiervoor in 2.13.). Vast staat dat [eiseres] ook die (herhaalde) uitnodiging voor een oogo niet heeft aanvaard.

4.7.

Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat [eiseres] de gemaakte afspraken niet is nagekomen, dat zij geen nadere informatie over [de dochter] aan [de Stichting] heeft willen verstrekken en dat zij niet heeft willen meewerken aan een oogo. Een en ander heeft ertoe geleid dat het voor [de Stichting] niet mogelijk is geweest om een OPP voor [de dochter] op te stellen en daarmee evenmin om [de dochter] op adequate wijze voldoende onderwijs te bieden. Onder die omstandigheden, daarbij mede in aanmerking genomen de verslechterde verstandhouding tussen partijen en de omstandigheid dat de verwijderingsprocedure met betrekking tot [de dochter] inmiddels in gang is gezet, worden de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

4.8.

Dit oordeel laat uiteraard onverlet dat het partijen vrij staat om in onderling overleg te bezien of zij alsnog een oogo kunnen voeren, waarna een definitief OPP ten behoeve van [de dochter] kan worden vastgesteld. Weliswaar hebben partijen hierover tijdens de mondelinge behandeling geen overeenstemming bereikt, maar de advocaat van [de Stichting] heeft ter zitting verklaard dat hij een dag eerder van de zijde van [eiseres] een e-mailbericht met bijlagen heeft ontvangen, waaruit blijkt dat [eiseres] bereid is om een gesprek met [de Stichting] aan te gaan. Mogelijk biedt deze bereidheid alsnog aanknopingspunten voor nader overleg tussen partijen.

4.9.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van [de Stichting] begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.

mvt