Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6361

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo sluiting woning artikel 13b Opiumwet toegewezen. Niet onaannemelijk dat verz niet op de hoogte was van de aanwezigheid van drugs in de woning, verminderde noodzaak en belang vervangende woonruimte verzoekster en dochters (ook minderjarige).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/1589 BESLU

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L. van der Wijngaart),

tegen

de burgemeester van de gemeente Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.E. Breems).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd. Deze last houdt in dat haar woning te [plaats] met ingang van 16 maart 2021 om 12.00 uur wordt gesloten en gesloten blijft voor de duur van drie maanden tot 16 juni 2021 om 12.00 uur.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de werking van het bestreden besluit opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting via Skype heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. Aan deze zitting hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Verweerder heeft bij brief van 6 april 2021 een nadere reactie ingediend.

Verzoekster heeft daarop gereageerd bij brief van 19 april 2021.

Partijen hebben niet gereageerd op de brief van 14 mei 2021, waarbij is verzocht of zij een nadere zitting wenselijk achten.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Waarover gaat deze zaak

1.1.

Verzoekster woont sinds 1989 met haar echtgenoot en hun kinderen in de woning.

Haar echtgenoot is op 3 februari 2021 overleden. Verzoekster is met haar twee dochters, van wie de jongste minderjarig is, in de woning achtergebleven. Twee zonen wonen of verblijven elders. De jongste zoon, [zoon] (de zoon), is volgens verzoekster gelet op het navolgende te verstaan gegeven dat hij niet meer thuis kan wonen of verblijven.

1.2.

Op 26 december 2020 heeft de politie, team Westland van de eenheid Den Haag,

een bestuurlijke rapportage uitgebracht. Daarin is vermeld dat de politie op

21 december 2020, naar aanleiding van informatie over de mogelijke aanwezigheid van illegaal vuurwerk, zich rond de woning heeft gepositioneerd. Door opsporingsambtenaren is aan de achterzijde van de woning waargenomen dat de zoon een zakje uit het raam heeft geworpen, dat in de tuin van de buren neerkwam. Na onderzoek bleek dit vermoedelijk om harddrugs te gaan. De zoon is bekend bij de politie. Tijdens de doorzoeking van de woning is op de slaapkamer van de zoon onder meer aangetroffen:

  • -

    233,2 gram hennep in drie afzonderlijke zakken in een rode plastic tas in de linnenkast;

  • -

    8,7 gram vermoedelijk cocaïne (indicatief getest) en 24 afzonderlijk verpakte pony packs in een linnentasje;

  • -

    11,9 gram vermoedelijke MDMA of heroïne (indicatief getest) in het naar buiten geworpen zakje;

  • -

    zaken die zijn te relateren aan drugshandel, zoals meerdere verpakkingen van verschillende mobiele telefoons, verpakkingsmateriaal voor drugs (lege transparante sealbags), een weegschaal met daarbij een card/pasje met restanten van wit poeder, een geldtelmachine en keukengerei bestemd voor het fijn malen van voedsel (vermaler);

In de slaapkamer van de zoon en in de slaapkamer van een dochter zijn twee kluizen aangetroffen. Dit betrof een kluis met 98,8 gram hasj en € 3.715,- contant geld en een kluis met schriftelijke bescheiden met daarop de personalia van de zoon.

2. Verweerder ziet hierin aanleiding de woning te sluiten voor de duur van drie

maanden, ingaande op 16 februari 2021. Hij doet dit op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en het Damoclesbeleid van de gemeente Westland 2020. Verweerder vermeldt dat uit nader onderzoek is gebleken dat het naar buiten geworpen zakje paracetamol bevatte. Gelet op de verder aangetroffen handelshoeveelheid drugs, de grote hoeveelheid contant geld en de andere zaken die zijn te relateren aan drugshandel, acht verweerder de sluiting van de woning noodzakelijk om een signaal af te geven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn en de bekendheid van de woning als locatie waar drugs aanwezig zijn ten behoeve van de verkoop, levering of verstrekking, teniet te doen. Verweerder acht het zeer onwaarschijnlijk dat verzoekster geen wetenschap heeft gehad ten aanzien van de betrokkenheid van haar zoon. Er is sprake van jarenlange en structurele overlast in de buurt. Haar zoon is meerdere malen in aanraking geweest met justitie en politie. Van belang is dat met de sluiting de bekendheid van de woning als drugspand wordt weggenomen, waarmee tevens wordt tegengegaan dat de zoon in de woning kan terugkeren.

3. Verzoekster is het niet eens met de sluiting en heeft daartegen bezwaar

Gemaakt en verzoekt daarnaast een voorziening waarbij het primaire besluit wordt geschorst.

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?

4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter zal voor zover nodig de gronden van verzoekster bij de verschillende onderdelen bespreken.

Was verweerder bevoegd tot sluiting over te gaan?

4.1.

Verweerder heeft bij brief van 6 april 2021 de update van de bestuurlijke rapportage van 17 februari 2021, het onderzoeksrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 25 januari 2021 en de update van de bestuurlijke rapportage van

31 maart 2021 ingezonden. In het onderzoeksrapport van het NFI is vermeld dat het aangetroffen witte poeder, getest als vermoedelijk cocaïne, 7,56 gram cocaïne betrof.

4.2.

In de woning zijn handelshoeveelheden hard- en softdrugs, voorwerpen die zijn te relateren aan drugshandel en een groot geldbedrag aangetroffen. Voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist. Gelet hierop wordt vooralsnog als uitgangspunt genomen dat verweerder, gelet op de aangetroffen hoeveelheid aangetroffen drugs en hetgeen daaraan is te relateren, bevoegd was om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden.1

Past de sluiting in het beleid van verweerder en is de sluiting noodzakelijk?

5. De bevoegdheid tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet biedt de verweerder beleidsruimte. Daartoe zijn beleidsregels vastgesteld.2

Uit artikel 9 van het beleid volgt dat wanneer sprake is van handel in zowel soft- als harddrugs en/of voorbereidingshandelingen wordt uitgegaan van de constatering van handel in harddrugs en/of voorbereidingshandelingen daartoe. Een tijdelijke sluiting van de woning voor de duur van drie maanden is dan op zijn plaats. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat, gelet op de ernst en omvang van de overtreding, een tijdelijke sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, nu verweerder in zijn brief van 6 april 2021 heeft meegedeeld dat uit de update van de bestuurlijke rapportage van 31 maart 2021 niet blijkt van loop naar de woning, in dit geval sprake is van een verminderde noodzaak tot sluiting van de woning.

Is sluiting van de woning evenredig?

6.1.

Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Daarbij zijn volgens de rechtspraak3 diverse omstandigheden van belang, waaronder de eventuele verwijtbaarheid van een betrokkene. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning.4

6.2.

Verzoekster stelt dat zij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs en drugsgerelateerde zaken in haar woning. De voorzieningenrechter acht dit, anders dan verweerder, in dit geval niet onaannemelijk. Niet in geschil is dat verzoekster (en haar dochters) niet zijn aangemerkt als verdachte terzake van hetgeen is aangetroffen in de woning. In de bestuurlijke rapportage is geen melding gemaakt van een mogelijke rol van verzoekster in relatie tot de aangetroffen zaken. Verweerder hecht daarnaast waarde aan de update van de bestuurlijke rapportage van 31 maart 2021, waarin een overzicht is gegeven van een flink aantal politieregistraties ten aanzien van de zoon. Uit dit overzicht blijkt dat, zoals verzoekster stelt in haar reactie van 19 april 2021 en door verweerder niet is betwist, de zoon blijkbaar staande is gehouden op andere plaatsen dan (in de buurt van) de woning.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de zoon meerdere keren buitenshuis met de politie in aanraking is gekomen (voornamelijk staandehoudingen zonder verder vervolg) in verband met verdachte drugsgerelateerde situaties en/of contacten. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat verzoekster daarmee bekend was en dat zij op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de thans in de woning aangetroffen zaken. Hieruit volgt dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat sprake is van verwijtbaarheid ten aanzien van verzoekster.

6.3.

Voorts is van belang wat de gevolgen zijn van de sluiting voor verzoekster en haar dochters, onder wie een minderjarige kind. Volgens verweerder is het Sociaal Kernteam Westland ingeschakeld. Daarna heeft verweerder geen contact onderhouden met het Kernteam. Als het Kernteam niet zegt dat het helemaal mis is, dan gaat verweerder ervan uit dat er een oplossing is voor de minderjarige dochter. In de gemeente Westland bestaat de mogelijkheid tot noodopvang. Na het overlijden van de echtgenoot van verzoekster is de sluiting enige tijd uitgesteld.

De voorzieningenrechter overweegt dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van verzoekster is om voor vervangende woonruimte te zorgen. Verweerder dient echter te informeren over geschikte opvang. Het enkele gegeven dat verweerder het Kernteam heeft ingeschakeld, maakt niet, en zeker niet zonder enige terugkoppeling, dat geschikte opvang voorhanden is. Verweerder heeft niet weersproken dat verzoekster en de oudste dochter

’s nachts in de daklozenopvang van Delft zouden moeten slapen, maar dat de minderjarige dochter daar niet terecht kan. Verweerder heeft niet uiteengezet wat de geschikte opvang voor de minderjarige dochter zou zijn. De voorzieningenrechter vindt het belangrijk dat verzoekster en haar dochters (onder wie een minderjarige) samen vervangende woonruimte kunnen vinden.

6.4.

Gelet op de verminderde noodzaak tot sluiting van de woning, de evenredigheid en de belangen van de minderjarige dochter om zeker te zijn van huisvesting samen met haar moeder en zus, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen.

7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen zoals in het dictum is vermeld.

8. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van

€ 181,- vergoedt.

9. Verweerder moet de door verzoekster gemaakte proceskosten betalen. Die kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken nadat verweerder heeft beslist op het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 juni 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2394) en van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912)

2 Besluit van de burgemeester van de gemeente Westland houdende regels omtrent artikel 13b van de Opiumwet (Damoclesbeleid Gemeente Westland 2020, het beleid), zie www.overheid.nl

3 Zie voetnoot 1: ECLI:NL:RVS:2019:2912

4 Uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2116)