Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6351

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
NL21.7584
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen extra eisen of individuele garanties voor bijzonder kwetsbare personen, medische gegevens, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.7584


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.7585, plaatsgevonden te Dordrecht op 10 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

2. Eiser voert aan dat zijn zienswijze en het aanmeldgehoor Dublin als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de enkele verwijzing naar zijn zienswijze en het aanmeldgehoor onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3. Eiser betoogt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asiel- en opvangprocedure in Italië en hij beroept zich op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser stelt dat hij bijzonder kwetsbaar is en dat het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, inzake Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) ook op zijn situatie van toepassing is. Onder verwijzing naar de door het EHRM getroffen interim measures voert eiser aan dat het aan verweerder is om zich ervan te vergewissen dat eiser aanvullende garanties krijgt voor adequate zorg- en opvangvoorzieningen in Italië. Eiser wijst daarnaast op de nog altijd voortdurende gevolgen van het Salvini-decreet en stelt dat niet duidelijk is of de nieuwe wetgeving daarin verandering heeft gebracht. Verder beroept eiser zich op arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) inzake Jawo (C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218) en stelt in dat kader dat hij uiteindelijk geen opvang en zorg had in Italië.

3.1.

In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals ook volgt uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer de uitspraken 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449) en 25 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:464). Het ligt dan op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in Italië niettemin sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Los van de vraag of eiser zijn gestelde kwetsbaarheid afdoende heeft onderbouwd met zijn verklaringen over zijn medische omstandigheden, heeft de Afdeling bij uitspraken van 8 april 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) geoordeeld dat ook in het geval van bijzonder kwetsbare asielzoekers nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt ook uit het (op 18 mei 2021 gerectificeerde) arrest M.T. tegen Nederland van het EHRM van 15 april 2021 (ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519). Daarbij heeft het EHRM betrokken dat er nieuwe wetgeving is in Italië met – ook voor Dublinterugkeerders – meer waarborgen. Dit betekent dat verweerder voor bijzonder kwetsbare personen geen extra eisen hoeft te stellen of individuele garanties hoeft te verkrijgen als bedoeld in het arrest Tarakhel. Eiser heeft het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat het gelet op het voorgaande niet nodig is om te beoordelen of eiser bijzonder kwetsbaar is, niet gemotiveerd betwist. De verwijzing van eiser naar de gevolgen van het Salvini-decreet, zijn stelling dat nog niet duidelijk is of de nieuwe wetgeving daar verandering in heeft gebracht (onder verwijzing naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 4 mei 2021) en zijn betoog ter zitting dat de theorie niet overeenstemt met de praktijk, zijn in het licht van voornoemde jurisprudentie onvoldoende om ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat veel van de informatie zoals genoemd in de brief van VWN al eerder is betrokken door de Afdeling en niet is gebleken van structurele tekortkomingen. Voorts slaagt het beroep van eiser op het arrest Jawo niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dusdanige tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of de medische voorzieningen in Italië dat de drempel uit het arrest Jawo wordt gehaald of overschreden. Uit de verklaringen van eiser blijkt juist dat hij in Italië opvang, medische behandeling en medicijnen heeft verkregen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Italië vergelijkbaar zijn met die in Nederland.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat de Italiaanse autoriteiten met het fictief claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eiser in behandeling zullen nemen. Er mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dan ook van worden uitgegaan dat Italië eiser (opnieuw) zal opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn (2013/33/EU) en de Procedurerichtlijn (2013/32/EU) en dat hij toegang zal krijgen tot de nodige medische voorzieningen. Bij voorkomende problemen met betrekking tot het verkrijgen van hulp, opvang en toegang tot de medische voorzieningen, of anderszins, ligt het op de weg van eiser om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308. Niet is gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat.

3.4.

Ter zitting heeft verweerder tot slot nog aangegeven dat – na verkregen toestemming van eiser – de Italiaanse autoriteiten in overeenstemming met de artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening zullen worden geïnformeerd over de medische gegevens van eiser. Er kan daarom van worden uitgegaan dat, voor zover eiser medische behoeften heeft, daarin zal worden voorzien. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1388 en de daarin aangehaalde jurisprudentie. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat het vervolgens aan de Italiaanse autoriteiten is om de Nederlandse autoriteiten erover te informeren als zij – gelet op de eventuele medische behoeften van eiser – geen opvang voor hem hebben. In dat geval zal de overdracht worden opgeschort totdat Italië (binnen de overdrachtstermijn) aan de behoeften van eiser kan voldoen. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. de Vries, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.