Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6319

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
20/4237
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA. Geen schending hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4237


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder

(gemachtigde: M.L. Steeksma-Valente).

Procesverloop

In het besluit van 12 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd met ingang van 4 februari 2020 een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan eiseres toe te kennen.

In het besluit van 15 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was werkzaam als medewerker post en archief bij Stichting Woonforte (voormalig werkgever) voor gemiddeld 17,93 uur per week. Bij besluit van 21 januari 2015 heeft verweerder aan eiser per 2 februari 2015 tot en met 1 april 2018 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 6 februari 2018 heeft eiseres zich vanuit de WW ziekgemeld. Op 27 maart 2018 is eiseres arbeidsongeschikt geacht voor haar arbeid. Bij besluit van 10 april 2018 heeft verweerder aan eiseres per 2 april 2018 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (Ezwb) van 14 december 2018 is de ZW-uitkering van eiseres voortgezet. De ZW-uitkering is na 104 weken ziekteverzuim per 4 februari 2020 beëindigd.

1.2.

Op 12 november 2019 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd met ingang van 4 februari 2020 een WIA-uitkering aan eiseres toe te kennen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b hebben geconcludeerd dat de primaire beoordelingen juist waren.

3. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij voert – kort en zakelijk weergegeven – aan dat de hoorplicht is geschonden en dat zij niet opnieuw is gekeurd. Verder voert eiseres aan dat het vreemd is dat zij een jaar geleden volgens verweerder minder dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen en een jaar later meer dan 65%, dit terwijl haar klachten zijn verergerd en de eerste keuringsarts dit ten aanzien van haar artrose had voorspeld.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 5 van de WIA is bepaald dat hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van (verzekerings)artsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

4.3.

De primaire arts heeft tijdens het spreekuur van 21 januari 2020 lichamelijk en psychisch onderzoek verricht bij eiseres. Daarnaast heeft hij dossierstudie verricht. Deze arts heeft aan de hand van zijn bevindingen een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Daarin zijn de beperkingen van eiseres vastgelegd. De primaire arts heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport van 22 januari 2020. De arts heeft op basis van de huidige onderzoeksgegevens geconcludeerd dat eiseres ongeschikt is voor de maatgevende functie omdat haar fysieke belastbaarheid ontoereikend is. Ten opzichte van de Ezwb uit 2018 is de belastbaarheid van eiseres afgenomen. Er worden extra beperkingen in de FML opgenomen ten aanzien van hand- en vingergebruik, werken met muis en toetsenbord, lopen tijdens werk en staan tijdens werk. Ook is eiseres, in navolging van de Ezwb, beperkt te achten ten aanzien van beschermende middelen, trilling belasting, schroefbewegingen, frequent reiken, duwen, tillen, frequent zwarte lasten hanteren, lopen, lopen tijdens werk, traplopen, staan, staan tijdens werk, geknield actief zijn, gebogen actief zijn en boven schouderhoogte actief zijn. Er is volgens de primaire arts geen medische indicatie om een urenbeperking aan te nemen. De beoordeling en de rapportage van de primaire arts is blijkens het dossier getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.

4.4.

De primaire arbeidsdeskundige heeft aan de hand van de opgestelde FML in zijn rapport van 10 februari 2020 geconcludeerd dat eiseres ongeschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar dat zij in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de functies van: receptionist (SBC-code 315120), machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) (SBC-code 264122) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens berekend dat eiseres met haar beperkingen in de geselecteerde functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 30,48%.

4.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft de verzekeringsarts b&b op 19 mei 2020 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts b&b heeft hierin uiteengezet waarom hij het eens is met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Het rapport is gebaseerd op dossierstudie. Ook heeft de verzekeringsarts b&b kennis genomen van de in bezwaar overgelegde medische gegevens zijnde: de aanvraag van een consult fysiotherapie van de behandelend specialist orthopedie en een email van de behandelend fysiotherapeut. De verzekeringsarts b&b overweegt dat de door eiseres in bezwaar aangeleverde informatie reeds bekend was bij de primaire arts en dat ook rekening is gehouden met deze informatie tijdens het vaststellen van de belastbaarheid. De aangeleverde informatie bevat geen nieuwe feiten en biedt geen medische argumenten om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken.

4.6.

De arbeidsdeskundige b&b heeft de door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies beoordeeld. Hij is blijkens zijn rapportage van 11 juni 2020 tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire arbeidsdeskundige.

4.7.

De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen reden voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b. De verzekeringsarts b&b heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd waarom er vanuit medisch oogpunt geen noodzaak is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b niet te volgen. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de door verweerders artsen vastgestelde medische beperkingen en de FML. Dat eiseres het niet eens is met de uitkomsten van de medische beoordeling, kan niet leiden tot het oordeel dat die beoordeling onjuist is. Aan hoe eiseres zelf haar klachten ervaart, komt in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling namelijk geen doorslaggevende waarde toe. De rechtbank onderschrijft de medische grondslag van het bestreden besluit.

4.8.

De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert evenmin aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het rapport van de verzekeringsarts b&b geeft er blijk van dat alle klachten van eiseres en alle beschikbare informatie betrokken is in het eindoordeel. Hij heeft geen klachten over het hoofd gezien. Dat door de verzekeringsarts b&b geen lichamelijk onderzoek is verricht, betekent volgens vaste rechtspraak niet dat het medisch onderzoek reeds daarom onvoldoende zorgvuldig is geweest (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9626).

4.9.

Voor zover eiseres aanvoert dat het niet kan kloppen dat zij ten tijde van de Ezwb minder dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen en dat zij een jaar later, met meer beperkingen, meer dan 65% kan verdienen, wijst de rechtbank erop dat de arbeidsdeskundige het arbeidsongeschikheidspercentage vaststelt aan de hand van de op basis van de FML geselecteerde functies. Zoals verweerder terecht stelt in zijn verweerschrift, kunnen arbeidsongeschiktheidspercentages differentiëren. Dit heeft te maken met arbeidsmarktfactoren. Dat er door deze arbeidsmarktfactoren onverhoopt een voor eiseres nadeligere situatie is ontstaan, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.

4.10.

Nu eiseres bovendien in haar beroepschrift geen argumenten heeft aangevoerd waarom zij de door de arbeidsdeskundige geduide functies niet zou kunnen vervullen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor eiseres.

5.1.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

5.2.

Op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een

bestuursorgaan belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, alvorens op het

bezwaar te beslissen.

5.3.

Eiseres voert aan dat zij niet is uitgenodigd voor een hoorzitting. Zij stelt dat zij weliswaar is gebeld door een medewerker van verweerder met de vraag of zij een gesprek wilde om iets toe te voegen, maar dat deze medewerker haar ook liet weten dat alles voor hem al duidelijk was en dat er bij het gesprek geen arbeidsdeskundige of verzekeringsarts aanwezig zou zijn. Eiseres nam daarom aan dat de door haar aangedragen bezwaren reeds voldoende waren voor verweerder. Vervolgens wachtte zij op een uitnodiging voor een keuring en een moment op haar bezwaren toe te lichten. In plaats daarvan kreeg zij het bestreden besluit en daarom, zo stelt eiseres, is de hoorplicht geschonden.

5.4.

De rechtbank volgt dit standpunt niet en is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Op basis van de zich bij de stukken bevindende telefoonnotitie, die door eiseres niet is weersproken, staat namelijk voldoende vast dat er op 2 april 2020 telefonisch contact is geweest met eiseres en dat zij in de gelegenheid is gesteld om een hoorzitting bij te wonen ten einde haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Daarbij is aan eiseres medegedeeld dat de verzekeringsarts b&b niet aanwezig zou zijn omdat deze reeds over voldoende informatie beschikte. Daarna heeft eiseres van een hoorzitting afgezien. Overigens erkent eiseres dit in haar beroepschrift, waar zij schrijft dat zij heeft afgezien van ‘het gesprek’. Dat eiseres, naar zij stelt, toch in de veronderstelling was dat zij nog gekeurd zou worden en in de gelegenheid gesteld zou worden om haar bezwaren en nieuwe medische feiten toe te lichten, komt voor haar eigen rekening. Voor zover eiseres nieuwe informatie had willen inbrengen, is daarvoor bovendien in de beroepszaak voldoende gelegenheid geweest, daarvan heeft eiseres echter geen gebruik gemaakt.

6. De conclusie is dat verweerder terecht heeft geweigerd om met ingang van 4 februari 2020 een WIA-uitkering aan eiseres toe te kennen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.