Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6318

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
20/4584
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anw. Ongegrond. Minder dan 45% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4584


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: K. Verbeek).

Procesverloop

In het besluit van 24 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw) afgewezen.

In het besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 13 april 2007 is aan eiser een Anw-uitkering toegekend. Op 8 november 2018 heeft verweerder eiser erop gewezen dat zijn nabestaandenuitkering met ingang van maart 2019 stopt, omdat zijn jongste kind op [geboortedag] 2019 18 jaar wordt. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat eiser wel recht heeft op een nabestaandenuitkering als hij meer dan 45% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Eiser heeft naar aanleiding van deze brief contact opgenomen met verweerder. Daarop heeft verweerder het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht om te onderzoeken of eiser arbeidsongeschikt is in de zin van de Anw.

1.3.

Volgens het Uwv is eiser minder dan 45% arbeidsongeschikt in de zin van de Anw. Daarom heeft verweerder in het primaire besluit geweigerd aan eiser een Anw-uitkering toe te kennen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiser volgens de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen van het Uwv niet voor 45% of meer arbeidsongeschikt is.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat hij in april 2019 fysiek is gekeurd door het Uwv en dat de keuringsarts toen nog geen conclusie kon geven omdat hij wilde wachten op de gegevens van het ziekenhuis. Vervolgens belde verweerder in juli 2019 dat er een besluit was, dit terwijl eiser net foto’s in het ziekenhuis had laten maken. Eiser is hierop in bezwaar gegaan omdat er nog niks bekend was over zijn situatie. Eiser is naar aanleiding van het bezwaar in april 2020 telefonisch herkeurd maar de conclusie is niet gewijzigd en volgens verweerder kunnen de klachten van eiser nog verbeteren. Eiser heeft klachten van een frozen shoulder en versleten nekwervels en hij stelt dat verbetering er niet in zit en dat zijn klachten in de loop der jaren alleen maar zijn verergerd en dat hij hierdoor niet voor een werkgever kan functioneren.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of verweerder terecht de Anw-uitkering van eiser heeft afgewezen omdat hij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

4.3.

De primaire verzekeringsarts heeft op 15 mei 2019 lichamelijk en psychisch onderzoek bij eiser verricht. Ook heeft de primaire verzekeringsarts dossierstudie verricht en is er aanvullende informatie opgevraagd bij de behandeld arts. Naar aanleiding van deze aanvullende informatie heeft de primaire verzekeringsarts op 5 juli 2019 een rapport uitgebracht. De primaire verzekeringsarts heeft aan de hand van zijn bevindingen een kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin hij de beperkingen van eiser heeft vastgelegd. De primaire verzekeringsarts is van mening dat eiser niet als volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen, maar dat hij fysiek niet zwaar belast moet worden. De primaire verzekeringsarts stelt dat zwaar tillen, langdurig boven schouderhoogte werken, frequent reiken, repeterende hoofdbewegingen, klimmen en de hele dag lopen en staan vermeden dienen te worden. Indien rekening wordt gehouden met deze beperkingen, is een duurbeperking niet van toepassing.

4.4.

De verzekeringsarts b&b (bezwaar en beroep) heeft op 21 mei 2020 rapport uitgebracht, waarin zij uiteen heeft gezet waarom zij het eens is met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en eiser gehoord tijdens de telefonische hoorzitting. De verzekeringsarts b&b stelt dat uit het onderzoek niet is gebleken dat de primaire verzekeringsarts een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte geen beperkingen heeft gegeven in verband met de beperkte beweeglijkheid van de nek en de bijbehorende pijnklachten. Ook is het hoofd in een bepaalde stand houden beperkt ten aanzien van flexie, extensie en lateroflexie. Verder dient de beweeglijkheid van de nek nader gespecificeerd te worden, de flexie is beperkt tot 30 graden en de extensie ook. Ook de lateroflexie is beperkt tot zo’n 30 graden. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling enige correctie behoeft en past de FML aan.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij aandacht heeft besteed aan alle klachten van eiser. Zij heeft geen klachten over het hoofd gezien. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b volgt dat er in de primaire fase informatie bij de behandelend arts is opgevraagd. Deze informatie is in de beoordeling van zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft ten aanzien van deze klachten van eiser nog nadere beperkingen in de FML gesteld. Dat de primaire verzekeringsarts niet alle uitslagen van eisers röntgenfoto’s heeft afgewacht, maakt het onderzoek nog niet onzorgvuldig zoals de verzekeringsarts b&b ook terecht in haar rapport stelt. Als de verzekeringsarts geen aanleiding heeft om grote wijzigingen in de belastbaarheid te verwachten, mag de verzekeringsarts oordelen voordat alle uitslagen binnen zijn. De rechtbank merkt nog op dat eiser de genoemde röntgenfoto’s niet in bezwaar of beroep heeft ingebracht.

5.2.

De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen reden voor twijfel aan het medisch oordeel. De frozen shoulder en de versleten nekwervels waar eiser over spreekt, zijn geen nieuwe medische informatie. Deze aandoeningen en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn al bij de medische beoordeling door beide verzekeringsartsen zijn betrokken. Eiser kan verder niet gevolgd worden in zijn stelling dat er geen verbetering inzit en dat zijn klachten alleen maar verergeren nu hij deze stelling niet heeft onderbouwd, Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiser om met objectieve medische informatie te komen op basis waarvan twijfel had kunnen ontstaan over de medische beoordeling van de beide verzekeringsartsen. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen kan niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Aan hoe eiser zelf zijn klachten ervaart, komt in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende waarde toe.

6.1.

De arbeidsdeskundige b&b heeft aan de hand van de aangepaste FML de door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies beoordeeld. Na heroverweging is hij tot de conclusie gekomen dat alle primair geduide functies niet geschikt zijn vanwege overschrijdingen. Deze functies zijn verworpen en de arbeidsdeskundige b&b acht aantal andere functies passend voor eiser. De functies die hij passend acht, betreffen de functies medewerker bibliotheek (SBC-code 315131), receptionist (SBC-code 315120) en secretarieel medewerker (SBC-code 315030). De arbeidsdeskundige b&b heeft berekend dat eiser op grond van deze functies 34,21% arbeidsongeschikt is.

6.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van eiser voor de geduide functies. Nu eiser bovendien in zijn beroepschrift geen argumenten heeft aangevoerd waarom hij de door de arbeidsdeskundige geduide functies niet zou kunnen vervullen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor eiser.

7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor minder dan 45% arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de Anw.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.