Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
18-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/8243
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, overlijden echtgenoot, artikel 8 EVRM, familierechtelijke relatie dochter niet aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/8243

V-nummer: [Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam 1] , eiseres,

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. G.T. Cambier.

Procesverloop

Eiseres heeft op 5 november 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 oktober 2020 (het bestreden besluit).

Eiser heeft op 8 december 2020, 12 januari 2021 en 3 maart 2021 aanvullende beroepschriften ingediend.

Verweerder heeft op 15 maart 2021 schriftelijk verweer gevoerd.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig M. Wartanian en A. Gzogjan, en N. Jesajan als tolk Armeens.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1946 en de Armeense nationaliteit te bezitten. Zij is naar eigen zeggen sinds 6 januari 2010 in Nederland. Eiseres en haar echtgenoot hebben op 8 februari 2010 zonder succes gevraagd om asiel. Aan de echtgenoot is uitstel van vertrek verleend, gevolgd door een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. Bij besluit van 19 juni 2018 is aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor verblijf bij haar echtgenoot, geldig tot 7 december 2022. Op 25 augustus 2018 is de echtgenoot van eiseres overleden.

2. Op 7 februari 2019 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.

Bij besluit van 16 mei 2019 (primair besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 25 augustus 2018 ingetrokken en de aanvraag voor het wijzigen van het verblijfsdoel afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf na het overlijden van de verblijfgever. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en de verblijfsvergunning niet in te trekken of de aanvraag toch in te willigen. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat het familieleven met de echtgenoot door zijn overlijden noodgedwongen is beëindigd, en dat niet is gebleken dat er sprake is van een ander gezinsleven dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM1.

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en haar gestelde dochter [Naam 2] niet heeft aangetoond en dat eiseres geen paspoort heeft overgelegd waarmee haar identiteit wordt onderbouwd.

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van een gezins- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing van het gestelde familieleven tussen haar en haar dochter heeft zij in beroep een kopie van de geboorteakte van haar dochter met vertaling overgelegd. Zij wijst erop dat haar dochter in het verleden al een paspoort heeft overgelegd en dat er nooit eerder aan haar identiteit en nationaliteit is getwijfeld. Eiseres stelt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen haar en haar dochter. Daarnaast zijn er volgens eiseres in haar geval bijzondere en schrijnende omstandigheden die raken aan de bescherming van haar privéleven, in die zin dat dat uitzetting tot gevolg zou hebben dat zij het graf van haar man in Nederland niet meer zal kunnen bezoeken.

6 Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het verblijfsdoel waaronder eerder aan haar vergunning is verleend, noch aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, van het Vb2 voor verlening van een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden.

7. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat alvorens kan worden vastgesteld of er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, de identiteit en de familierechtelijke relatie van de familie- of gezinsleden moeten worden aangetoond. Hij heeft daarbij echter ten onrechte overwogen dat eiseres heeft verzuimd om een paspoort over te leggen waarmee de identiteit van haar dochter kan worden vastgesteld. Zoals eiseres onbetwist heeft gesteld, heeft verweerder eerder niet getwijfeld aan de identiteit van de dochter die rechtmatig in Nederland verblijft.

8. Verweerder werpt terecht tegen dat eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en haar dochter niet heeft aangetoond met een originele geboorteakte, zoals namens verweerder is verzocht tijdens de hoorzitting op 8 januari 2020. De in beroep overgelegde kopie van een gelegaliseerde geboorteakte leidt niet tot een geslaagd beroep, aangezien de gestelde familierechtelijke relatie eerst na onderzoek door verweerder aan het originele document kan worden vastgesteld. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, is aan eiseres meerdere malen uitstel verleend om de geboorteakte over te leggen. In zijn brief van 18 september 2020 heeft de gemachtigde uiteindelijk bericht dat het hem niet is gelukt om een geboorteakte te verkrijgen, omdat de Armeense autoriteiten niet meewerken.

9. Omdat eiseres haar familieband met haar dochter niet heeft aangetoond, is niet gebleken van het bestaan van een familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

10. Voor zover eiseres heeft gewezen op haar wens om het graf van haar overleden echtgenoot in Nederland te kunnen blijven bezoeken, overweegt de rechtbank dat eiseres dit ook al in bezwaar heeft aangevoerd en dat verweerder hierin geen bijzondere omstandigheid heeft hoeven zien op grond waarvan hij van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

Verweerder heeft in het verweerschrift nog gewezen op de mogelijkheid voor eiseres om aanvragen in te dienen voor een visum kort verblijf om op die wijze het graf van haar overleden man te kunnen blijven bezoeken.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde bekendmaking op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

om de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

2 Vreemdelingenbesluit 2000