Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6281

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een Nederlands paspoort afgewezen. Evenredigheidstoets van rechtswege verlies van het Nederlanderschap op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:189, Tjebbes-arrest.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8516

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] ( [buitenland] ), eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 10 mei 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen over het verlies van het Nederlanderschap in andere procedures door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Het HvJEU heeft op 12 maart 2019 de prejudiciële vragen beantwoord in het arrest Tjebbes e.a. (ECLI:EU:C:2019:189, hierna: Tjebbes-arrest). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft vervolgens op 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) uitspraak gedaan in de verwijzingszaken.

Gelet op die uitspraak van de Afdeling heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de gevolgen van het na het verstrijken van de tienjaartermijn verliezen van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege uit een oogpunt van Unierecht in haar geval niet evenredig zijn.

Bij brief van 7 mei 2020 heeft eiseres zich hierover uitgelaten.

Verweerder heeft zich laten adviseren door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de evenredigheid van het verlies door eiseres van het Unieburgerschap. Dit IND-advies is uitgebracht op 15 september 2020.

De gemachtigde van eiseres is daarop door verweerder gehoord.

Bij besluit van 12 november 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 vervangen en het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft nadere gronden aangevoerd, gericht tegen het bestreden besluit 2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een Skypeverbinding op 29 april 2021. Hieraan namen deel de zoon van eiseres, M.J. Grobler, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij het bestreden besluit 2.

2. Eiseres is op [geboortedag 1] 1965 geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. De vader van eiseres is geboren op [geboortedag 2] 1928 te Amsterdam en haar moeder is geboren op [geboortedag 3] 1929 te Amsterdam. De ouders van eiseres zijn op 17 juli 1952 in Amsterdam in het huwelijk getreden. Na de huwelijksvoltrekking zijn zij naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Eiseres heeft bij haar geboorte het Nederlanderschap verkregen, omdat haar vader op dat moment Nederlander was. Door geboorte op Zuid-Afrikaans grondgebied heeft zij eveneens de Zuid-Afrikaanse nationaliteit verkregen.

De vader van eiseres heeft op 12 juni 1967 door naturalisatie de Zuid-Afrikaanse nationaliteit verkregen. Haar vader heeft daardoor het Nederlanderschap verloren, maar dit heeft geen gevolgen gehad voor eiseres omdat zij niet heeft gedeeld in de naturalisatie.

Eiseres heeft van 1 januari 1985 tot en met 1 januari 1995 onafgebroken woonplaats gehad in Zuid-Afrika. Zij heeft niet eerder dan op 1 juli 2016 een Nederlands paspoort aangevraagd. Eiseres was op 1 januari 1985 reeds meerderjarig. Vanaf dat moment is de tienjaarstermijn van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals dat luidde tot 1 april 2003, voor haar aangevangen.

Eiseres heeft niet verzocht om de herkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel V, eerste lid, van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 21 december 2000 (RRWN) die op 1 april 2003 in werking is getreden. Van deze optiemogelijkheid kon van 1 april 2003 tot 1 april 2005 gebruik worden gemaakt.

3. Aan de weigering de paspoortaanvraag van eiseres in behandeling te nemen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres op 1 januari 1995 het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit 2 de vraag of de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap van eiseres op 1 januari 1995 voor haar onevenredige gevolgen had vanuit het oogpunt van Unierecht ontkennend beantwoord. Bij dat oordeel heeft verweerder het IND-advies van 15 september 2020 gevolgd.

4. Eiseres stelt in haar aanvullend beroepschrift tegen het bestreden besluit 2 dat haar oorspronkelijke beroepsgronden relevant blijven. Zij stelt dat verweerder niet is ingegaan op het rapport van de Nationale Ombudsman uit 2016 en de antwoorden van de minister op kamervragen over het automatisch verlies van Nederlanderschap. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte stelt dat in 2003 een informatiecampagne over het verlies van het Nederlanderschap in situaties als die van eiseres heeft plaatsgevonden. Eiseres stelt dat onduidelijk is op welk moment zij zich zou hebben moeten laten voorlichten over regelgeving met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap.

5. De rechtbank komt naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

6.1.

Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2. Het bestreden besluit 1 is vervangen door het bestreden besluit 2. Eiseres heeft geen belang meer bij haar beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaren.

6.2.

De rechtbank dient vervolgens het beroep te beoordelen voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit 2.

7.1.

Verweerder heeft gesteld dat door de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland en door het ministerie van Buitenlandse Zaken in 2003 een uitgebreide voorlichtingscampagne is gevoerd teneinde de optiemogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen in de periode van 1 april 2003 tot 1 april 2005 onder de aandacht van oud-Nederlanders te brengen. Verweerder heeft gesteld dat er advertenties en persberichten in lokale bladen zijn gepubliceerd, dat de verenigingen van Nederlanders in het buitenland op de hoogte zijn gesteld en via Radio Nederland Wereldomroep en BVN TV door middel van spotjes aandacht is besteed aan de wetswijziging. Eveneens is op de websites van de Nederlandse vertegenwoordigingen en het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie over de wetswijziging gepubliceerd, zo stelt verweerder.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht voorop heeft gesteld dat het, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in het buitenland wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Daarbij is niet van belang op welk moment van eiseres kon worden verlangd dat zij zich liet voorlichten. Het gaat erom dat van hen kon worden verlangd dat zij zich lieten voorlichten over het moment waarop het Nederlanderschap zou komen te vervallen, waartoe met name aanleiding bestond toen eiseres meerderjarig werd.

Verder is de enkele ontkenning door eiseres dat in 2003 een voorlichtingscampagne over het mogelijke verval van het Nederlanderschap in Zuid-Afrika heeft plaatsgevonden, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN, buiten toepassing zou moeten worden gelaten of geen werking zou hebben. Het betreft hier immers een bepaling van een wet in formele zin.

Daarbij is van doorslaggevend belang dat de RWN limitatief bepaalt in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen, dan wel verloren. Dit is expliciet overwogen door de Hoge Raad in bijvoorbeeld de beschikking van 19 december 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AL8544). Uit die jurisprudentie volgt dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen en evenmin kan worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Ook het door eiseres genoemde rapport van de Nationale Ombudsman van 10 mei 2016 genaamd “Rapport verlies Nederlanderschap” kan niet de wettelijke bepaling van artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN opzij zetten. Het rapport bevat naar zijn aard een aantal niet-bindende aanbevelingen.

8.1.

De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 12 februari 2020 met inachtneming van het Tjebbes-arrest overwogen dat verweerder in zaken over nationaliteitsverlies van rechtswege, dient te onderzoeken of de gevolgen van het nationaliteitsverlies in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het recht van de Europese Unie (hierna: het Unierecht). De evenredigheid moet worden beoordeeld naar het moment van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd dienen te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270).

8.2.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 is een evenredigheidstoets verricht. Beoordeeld is of het verlies van het Nederlanderschap op 1 januari 1995 voor eiseres onevenredige, op dat moment redelijkerwijze voorzienbare, gevolgen had vanuit het oogpunt van het Unierecht.

8.3.

Eiseres betoogt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003, in strijd is met het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN).

De rechtbank is, anders dan eiseres stelt, van oordeel dat het EVN en in het bijzonder artikel 7, eerste lid, aanhef en onder e, van het EVN een grondslag biedt voor de in artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN, neergelegde regeling van verlies van het Nederlanderschap.

De rechtbank stelt vast dat in het Tjebbes-arrest is beoordeeld of artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN zich verdraagt met de bepalingen van het EVN.

Verweerder heeft terecht uit het Tjebbes-arrest de conclusie getrokken dat artikel 15, aanhef en onder c, van de RWN zich verdraagt met de bepalingen van het EVN mits hij een evenredigheidstoets verricht, zoals door hem is gedaan.

8.4.

De rechtbank volgt voorts niet het betoog van eiseres dat de beoordeling van de evenredigheid dient plaats te vinden naar het moment van de aanvraag van het paspoort, in het geval van eiseres 1 juli 2016. Uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1270 volgt dat de peildatum van de evenredigheidstoetsing het moment van het van rechtswege verliezen van het Nederlanderschap en daarmee van het Unieburgerschap betreft, met dien verstande dat niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd dienen te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Uit rechtsoverweging 42 van het Tjebbes-arrest volgt, anders dan eiseres stelt, niet dat het peilmoment het moment van aanvraag van het paspoort zou moeten zijn.

Voor een verplichting tot het maken van een belangenafweging naar nationaal recht bestaat geen aanknopingspunt in het Tjebbes-arrest of in de RWN.

8.5.

Eiseres heeft – terecht – gesteld dat in ieder geval de gevolgen die in de sfeer van het Unierecht liggen relevant zijn. Zij heeft gewezen op de volgende artikelen van het Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie (Handvest): Artikel 6 (recht op vrijheid en veiligheid) artikel 7 ( Eerbiediging van het privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en communicatie), artikel 20 (Gelijkheid voor de wet), artikel 21 (non-discriminatie) en artikel 43 (vrijheid van verkeer en verblijf).

Eiseres voert aan dat zij in 1995 EU-burger was en zich bewust was van deze status. Zij

beschikte daarmee over de mogelijkheid om naar de EU te reizen en zich daar te vestigen. Zij heeft altijd het voornemen gehad om zich definitief in Nederland te vestigen. Juist in 1995 was deze mogelijkheid relevant omdat in 1994 een politieke verschuiving had plaatsgevonden die voor de witte bevolking (ook) negatieve gevolgen had. Eiseres en haar echtgenoot hebben toen en sindsdien serieus overwogen om zich in Nederland te vestigen met hun kinderen. Toen belanghebbende in 2016 haar paspoortaanvraag deed, had zij zeer

concrete plannen om zich in Nederland te vestigen met haar gezin. Haar zoon heeft in die periode voorbereidingen getroffen om zich in Nederland te vestigen. Dat is uiteindelijk gelukt als kennismigrant.

Doordat eiseres haar Nederlanderschap heeft verloren, heeft zij niet langer de mogelijkheid om gebruik te maken van haar rechten als EU-burger, namelijk reizen en werken in de EU, meer specifiek in Nederland. Ook wordt het haar onmogelijk gemaakt haar recht op eerbiediging van haar privéleven waar te maken vanwege de belemmeringen die haar worden opgelegd om naar de EU te reizen, zich er te vestigen en er te werken. Zuid-Afrikanen moeten in het bezit zijn van een visum om naar de EU te kunnen reizen. Gelet op de restrictieve wijze waarop Nederland omgaat met het verstrekken van kort verblijf visa zal het voor eiseres niet mogelijk zijn om wanneer zij dat wenst naar Nederland te reizen.

Eiseres voert verder aan dat zij gediscrimineerd wordt ten opzichte van burgers met een dubbele nationaliteit woonachtig in een ander land waar Nederland wel actief de bevolking heeft geïnformeerd over de gewijzigde regels van automatisch verlies van nationaliteit. Ook is zij als EU-burger gediscrimineerd ten opzichte van andere EU burgers met een dubbele nationaliteit, burgers van een EU-land die niet de regel van automatisch verlies hebben.

EU-burgers van alle EU-landen zouden op gelijke wijze hun EU-burgerschapsrechten moeten kunnen uitoefenen.

8.6.

De rechtbank is van oordeel dat het IND-advies zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd, zodat verweerder dat advies mocht volgen.

Door eiseres is niet gesteld dat zij ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap substantieel gebruik maakte van het recht van vrij verkeer en verblijf binnen de Europese Unie. Dat eiseres ten tijde van de aanvraag overwoog om zich op enig moment in de toekomst in Nederland te gaan vestigen en hier te gaan werken en wonen, betreft een gebeurtenis die op 1 januari 1995 nog niet voorzienbaar was. Verweerder stelt terecht dat dit feit daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Eiseres heeft niet onderbouwd op welke wijze ten tijde van het verlies van haar Nederlanderschap haar rechten die worden gewaarborgd door artikel 6 van het Handvest zijn geschonden.

Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de wens om in Nederland familieleven uit te oefenen met onder meer haar meerderjarige zoon en overige familieleden, is aan te merken als een beroep op het recht op eerbiediging van het familieleven zoals bedoeld in artikel 7 van het Handvest en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen (of andere meerderjarige familieleden) moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen de ouder en zijn of haar

meerderjarige kind.

Verweerder stelt terecht dat niet is gebleken dat ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap sprake was van de uitoefening van familieleven in de zin van artikel 7 Handvest. Evenmin is gesteld of gebleken dat ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen

eiseres en haar familieleden. Uit de overgelegde brief van de nicht van eiseres blijkt niet het bestaan van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dat de zoon van eiseres zich recentelijk (na 2016) als kennismigrant in Nederland heeft gevestigd, heeft geen betrekking op de situatie per 1 januari 1995.

Nu ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap niet is gebleken van een beschermingswaardig familieleven tussen betrokkene en gezinsleden binnen de Europese Unie, leverde het verlies van het Unieburgerschap geen strijd op met artikel 7 van het Handvest.

8.7.

Eiseres stelt ook dat het haar onmogelijk gemaakt wordt haar recht op eerbiediging van haar privéleven uit te oefenen, omdat zij wordt belemmerd om naar de EU te reizen, zich er te vestigen en er te werken door de restrictieve wijze waarop Nederland omgaat

met het verstrekken van kort verblijf visa.

Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de beslissing van de Hoge Raad van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59, aan artikel 8 van het EVRM geen recht op een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend. Dit neemt niet weg dat het verlies en onthouden van nationaliteit onder omstandigheden wel een aantasting kan zijn van het privéleven zoals bedoeld in artikel 7 Handvest.

Eiseres heeft echter niet geconcretiseerd in hoeverre haar privéleven is geschaad doordat zij per 1 januari 1995 door het verlies van het Unieburgerschap werd belemmerd om naar de EU te reizen en zich er te vestigen en te werken. Niet gebleken is dat eiseres in voorkomend geval niet in het bezit van een visum voor kort verblijf zou zijn gesteld.

8.8.

Eiseres stelt voorts dat zij op dit moment nog steeds effectieve banden heeft met Nederland. Die banden betreffen echter niet de uitoefening van Unierechten per 1 januari 1995 en dienen daarom buiten beschouwing te blijven bij de evenredigheidstoetsing.

8.9.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder c, van het EVN mag aan niemand willekeurig zijn of haar nationaliteit worden ontnomen.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat het verlies van het

Nederlanderschap in strijd is met artikel 4, aanhef en onder c, van het EVN overweegt de rechtbank dat nu het verlies volgt uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN van een willekeurig verlies geen sprake is.

8.10.

Ten aanzien van het betoog van eiseres dat zij wordt gediscrimineerd heeft verweerder terecht erop gewezen dat het HvJEU in het Tjebbes-arrest heeft geoordeeld dat artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN in beginsel niet in strijd is met het Unierecht, mits een evenredigheidstoets wordt verricht zoals door hem is gedaan.

Het betoog van eiseres dat zij gediscrimineerd wordt en opzichte van burgers met een dubbele nationaliteit woonachtig in een ander land waar Nederland wel actief de bevolking heeft geïnformeerd over de gewijzigde regels van automatisch verlies van nationaliteit, slaagt reeds niet omdat niet is onderbouwd dat verweerder de bevolking in Zuid-Afrika informatie heeft onthouden die in andere landen wel actief aan de bevolking is verstrekt. Bovendien gaat het hier niet om een onderscheid gemaakt op een grond als vermeld in artikel 21 van het Handvest.

8.11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht concludeert dat eiseres ten tijde van het verlies van haar Unieburgerschap niet belemmerd werd in de uitoefening van haar uit het Unieburgerschap voortvloeiende rechten. Het verlies op 1 januari 1995 van het Unieburgerschap heeft verweerder als niet onevenredig kunnen beschouwen.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de paspoortaanvraag van eiseres in behandeling te nemen, nu niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, dat de aanvrager ten tijde van de paspoortaanvraag Nederlander is in de zin van de wet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.