Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6236

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
29-06-2021
Zaaknummer
SGR 20/4246
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang vanwege verzoek om pkv in bezwaar. Artikel 7:15, tweede lid, Awb. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een e-mail. De e-mail is geen besluit, dus van herroepen van een prirmair besluit is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4246


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: I.T. Martens),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: M. Roodhorst en A. Tibben).

Procesverloop

Bij e-mail van 31 oktober 2019 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij akkoord gaat met het leveren van een Permobil.

Bij het besluit van 14 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de e-mail van 31 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 maart 2021 heeft de rechtbank schriftelijk vragen gesteld aan verweerder, waarop verweerder bij brief van 22 maart 2021 heeft gereageerd. Bij brief van 7 april 2021 heeft eiser desgevraagd op de brief van verweerder gereageerd en het procesbelang onderbouwd.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Bij uitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3669, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) onder andere bepaalt dat aan eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van een elektrische rolstoel wordt verstrekt, zoals reeds door verweerder op de zitting 2 oktober 2019 is toegezegd. De passing van de rolstoel heeft op 30 oktober 2019 plaatsgevonden. Daarbij zijn aan eiser twee rolstoelen aangeboden: een Permobil C500 en een Sunrise YouQ Alex. Tijdens deze passing is onder andere gesproken over het merk van de te leveren rolstoel en heeft eiser gevraagd om een rolstoel met een sta-functie.

1.2.

Bij e-mail van 31 oktober 2019 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij akkoord gaat met het leveren van een rolstoel van het merk Permobil. Op 5 november 2019 heeft eiser tegen deze e-mail bezwaar gemaakt. Eiser heeft daarbij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

1.3.

Bij het besluit van 3 februari 2020 heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van een elektrische rolstoel met een sta-functie.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar het aanvullend ambtelijk advies van 10 maart 2020 – het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is in de e-mail van 31 oktober 2019 uitsluitend het merk van de te verlenen rolstoel kenbaar gemaakt. Het daartoe strekkende besluit stond met de uitspraak van de CRvB van 13 november 2019 vast. Dat bij de e-mail van 31 oktober 2019 een Permobil rolstoel zou zijn toegekend zonder sta-functie, is niet correct. Eiser heeft van de wens om een sta-functie op zijn elektrische rolstoel eerst op 30 oktober 2019 een melding gemaakt. Aanvankelijk werd een medisch onderzoek noodzakelijk geacht. Nadat eiser de gewijzigde doelen van het gebruik van de rolstoel met sta-functie kenbaar heeft gemaakt, heeft verweerder een huisbezoek verricht om de noodzaak van de sta-functie te onderzoeken. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 3 februari 2020 een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van een Permobil rolstoel met sta-functie.

3. Gelet op het besluit van 3 februari 2020 dient de rechtbank eerst ambtshalve te beoordelen of sprake is van voldoende procesbelang. Hoewel bij het voormelde besluit van 3 februari 2020 aan eiser de door hem gewenste elektrisch rolstoel met een sta-functie is verstrekt, is de rechtbank met eiser van oordeel dat zijn procesbelang nog gelegen is in het door hem in het bezwaarschrift opgenomen verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar, welke vergoeding door verweerder bij het bestreden besluit impliciet is geweigerd. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat voor inwilliging van dit verzoek slechts plaats is voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dit betekent dat daarvoor, in dit geval, moet worden beoordeeld of de e-mail van 31 oktober 2019 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

3.1.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg.

3.2.

Uit de stukken in het dossier blijkt het volgende. Na de zitting bij de CRvB heeft verweerder in overleg met eiser op 7 oktober 2019 een programma van eisen opgesteld waaraan de te leveren rolstoel moet voldoen. Daarbij is niet de eis gesteld dat de rolstoel over een sta-functie moet beschikken. Het programma van eisen is aan de leverancier van de rolstoel verstrekt, waarna tijdens de passing op 30 oktober 2019 twee rolstoelen van de merken Permobil en Sunrise aan eiser zijn aangeboden. Uit het verslag van de passing blijkt dat eiser een rolstoel van het merk Permobil wenst, omdat zijn rolstoelbus is voorzien van een Permolock om zijn rolstoel tijdens het rijden vast te zetten. Met een ander merk rolstoel zou hij daar geen gebruik van kunnen maken. De Wmo-consulent heeft daarop aangegeven dat zij dient na te gaan of dit een reden is om een rolstoel van het merk Permobil te verstrekken en dat zij de gemachtigde van eiser daarover later die dag telefonisch zou informeren. Nadat zij de gemachtigde niet telefonisch heeft kunnen bereiken, heeft de Wmo-consulent, na een verzoek van de gemachtigde van eiser om een schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken, de e-mail van 31 oktober 2019 verzonden.

3.3.

Wat betreft het verzoek om een rolstoel met een sta-functie, heeft eiser hier tijdens de passing op 30 oktober 2019 voor het eerst om verzocht. Bij e-mail van 6 november 2019 heeft de Wmo-consulent aan de gemachtigde van eiser bericht dat voor de beoordeling van de noodzaak van een rolstoel met een sta-functie een medisch advies is vereist. Uiteindelijk is deze maatwerkvoorziening bij besluit van 3 februari 2020 aan eiser verstrekt.

3.4.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de e-mail van 31 oktober 2019 enkel behelst de mededeling dat verweerder akkoord gaat met het leveren van een rolstoel van het gewenste merk Permobil, nadat tijdens de passing is medegedeeld dat zou worden nagegaan of de Permolock een reden is om een rolstoel van dat merk te verstrekken. Niet is gebleken dat bij deze e-mail een aanvraag om een rolstoel met een sta-functie zou zijn afgewezen, dan wel dat dit een ambtshalve besluit naar aanleiding van een melding zou betreffen. Uit de e-mail van 6 november 2019 blijkt immers dat verweerder nog nader onderzoek wenst te verrichten, alvorens hij een besluit neemt over het verstrekken van de rolstoel met een sta-functie.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de e-mail van 31 oktober 2019 niet wordt aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Van het herroepen van een primair besluit is dan ook geen sprake. Voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar bestaat, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, reeds daarom geen aanleiding.

3.6.

Bij deze uitkomst is er ook geen ruimte voor een veroordeling tot schadevergoeding zoals door eiser is gevraagd.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.