Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6215

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/2931
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV familie en gezin. Gevaar voor de openbare orde. Arrest GS. Onjuist openbare ordecriterium toegepast. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/2931

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren aanwezig [naam], referente, en [naam], vader van referente. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Indiase nationaliteit te bezitten. Referente stelt de echtgenote van eiser te zijn. Zij heeft ten behoeve van zijn overkomst naar Nederland een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd.

2. Bij besluit van 16 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland en dat hij niet voldoet aan het inburgeringsvereiste en aan het middelenvereiste.

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich nu op het standpunt dat eiser wel voldoet aan het inburgeringsvereiste en aan het middelenvereiste, maar houdt vast aan de tegenwerping dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in Nederland. Op wat eiser hiertegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beoordelingskader

4. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de aanvraag worden afgewezen als eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.

5. Op grond van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is van gevaar voor de openbare orde zoals bedoeld in dit artikellid onder meer sprake bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege het plegen van een misdrijf.

6. Volgens onderdeel B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat gold op de datum van de aanvraag, past verweerder geen verjaringstermijnen toe als er bij herhaling sprake is van veroordelingen voor misdrijven.

7. In de uitspraak van 12 december 2019 in de zaak G.S. en V.G. (ECLI:EU:C:2019:1072) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat bij het tegenwerpen van de openbare orde in gevallen waarin de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) van toepassing is, niet vereist is dat wordt vastgesteld dat de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen, maar dat wel een individuele beoordeling aan de hand van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel moet plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met de aspecten zoals benoemd in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Toepassing op eiser

8. Niet in geschil is dat eiser in 2010 voor het misdrijf wederspannigheid is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en dat hij in 2012 onder meer is veroordeeld voor het misdrijf rijden onder invloed. In zoverre heeft verweerder zich gelet op de voornoemde bepalingen op het standpunt kunnen stellen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is verder in 2012 veroordeeld voor het misdrijf vernieling en de overtreding rijden zonder rijbewijs. Daarnaast is eiser in 2011 en 2012 gedagvaard vanwege verdenking van, opnieuw, rijden zonder rijbewijs en rijden onder invloed.

9. Eiser voert echter aan dat het onverkort vasthouden aan het beleid in zijn geval leidt tot onevenredige consequenties. Er is sprake van gezinsleven met referente. Zij heeft afgezien van het tijdelijke verblijf van eiser geen enkele band met India. Het is onredelijk om de uitoefening van het gezinsleven vanwege relatief geringe strafbare feiten die lang geleden zijn gepleegd, levenslang onmogelijk te maken.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat in dit geval de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is. Het gaat namelijk om een aanvraag waarmee de overkomst van een echtgenoot wordt beoogd. Verweerder heeft echter getoetst aan het criterium ‘een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’. Gelet op de hiervoor onder 7. aangehaalde jurisprudentie heeft verweerder daarmee het verkeerde beoordelingskader aangelegd.

11. Ter zitting heeft verweerder dit onderkend, maar verzocht om instandlating van de rechtsgevolgen. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft plaatsgevonden en dat de aspecten zoals benoemd in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn daarin zijn meegewogen.

12. De rechtbank gaat hierin niet mee. Verweerder had namelijk een toets aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel moeten verrichten die in ieder geval rekening houdt met de aspecten zoals benoemd in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, maar die daartoe niet beperkt is. Eiser heeft er in dit verband terecht op gewezen dat verweerder niet in de beoordeling heeft betrokken in hoeverre het nog evenredig is om de veroordelingen in 2010 en 2012 vanwege eerder gepleegde strafbare feiten in 2021 nog tegen te werpen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder niet heeft onderkend dat eiser in de periode 2012 tot 2016 nog in Nederland verbleef, maar geen strafbare feiten meer heeft gepleegd.

Horen in bezwaar

13. Eiser voert ook aan dat het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond is bestempeld omdat het primaire besluit is herroepen door niet langer het inburgeringsvereiste en het middelenvereiste tegen te werpen. Deze beroepsgrond slaagt. Daarnaast heeft verweerder gelet op wat hiervoor is geoordeeld ten onrechte overwogen dat de gronden van bezwaar over de openbare orde geen doel treffen. Verweerder heeft dan ook met de gegeven motivering niet mogen afzien van het horen van eiser in bezwaar.

Conclusie

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en dient te worden vernietigd. Omdat het op de weg van verweerder ligt om een nieuwe afweging te maken op basis van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, zal verweerder worden opgedragen om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.068,- bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.068,- (duizendachtenzestig euro);

 draagt verweerder op om het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- (honderdachtenzeventig euro) te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.