Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6212

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
AWB 19/3121
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verblijfsvergunning ‘medische behandeling’, ex tunc, BMA, Nederland meest aangewezen land voor noodzakelijke medische behandeling, Armenië of Nagorno Karabach, Asylos, Paposhvili, ernstige en onomkeerbare verslechtering gezondheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/3121

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. L.I. Siers,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. G.T. Cambier.

Procesverloop

Eiser heeft op 24 april 2019 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 april 2019 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden te Breda op 18 maart 2021. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. D.W. Beemers, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F. van Hooijdonk (sociaal-psychiatrisch verpleegkundige).

De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en burger van Nagorno Karabach te zijn. Zijn aanvraag van 19 januari 2011 om asiel is door verweerder bij besluit van 22 januari 2013 afgewezen. Dat besluit is onherroepelijk.

Eiser heeft daarna – op 27 maart 2014 en 17 november 2016 – verzoeken ingediend om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw1 in verband met zijn gezondheidstoestand. Deze aanvragen zijn door verweerder afgewezen en ook die besluiten zijn inmiddels onherroepelijk. Op 22 mei 2017 heeft eiser opnieuw een verzoek ingediend om toepassing van artikel 64 Vw. Naar aanleiding van dat verzoek heeft verweerder eiser uitstel van vertrek verleend, laatstelijk tot 22 november 2018.

2. Vervolgens heeft eiser op 28 juni 2018 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’.

Op 24 mei 2018 heeft het BMA2 op verzoek van verweerder een advies uitgebracht.

Verweerder heeft – onder verwijzing naar het BMA-advies – de aanvraag bij besluit van 1 oktober 2018 (primair besluit) afgewezen, omdat Nederland voor eiser niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van zijn medische behandeling. Ook heeft verweerder uitstel van vertrek op medische gronden geweigerd. Verder heeft verweerder ambtshalve getoetst aan artikel 8 EVRM3 en overige tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, Vb4.

Verweerder heeft eiser een vertrektermijn onthouden, omdat hij geen gevolg heeft gegeven aan het eerdere terugkeerbesluit van 22 januari 2013.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Daarbij heeft hij een brief van zijn behandelaars van 30 januari 2019 overgelegd. Daarnaast heeft hij een rapport van Asylos België van december 2018 over de beschikbaarheid en toegankelijkheid van medische behandeling in Armenië en Nagorno Karabach overgelegd.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De medische informatie van 30 januari 2019 is ter beoordeling aan het BMA voorgelegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het BMA geen aanleiding heeft gezien voor het stellen van andere reisvoorwaarden, zoals een fysieke overdracht. Over het Asylos-rapport heeft verweerder overwogen dat dit de conclusies van het BMA-advies en de daarbij gevoegde landeninformatie onderstreept.

Beroepsgronden

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft hij nieuwe medische informatie ingebracht, over onder meer het starten van een EMDR-behandeling. Eiser stelt zich ten aanzien van het BMA-advies op het standpunt dat verweerder niet aan zijn plicht heeft voldaan om zich ervan te vergewissen dat advisering naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het arrest van het EHRM5 inzake Koroseç tegen Slovenië van 8 oktober 20156 en stelt in dat verband dat hij niet in een gelijke positie verkeert als verweerder en dat dit in strijd is met het beginsel van ‘equality of arms’. Eiser wijst erop dat, volgens het BMA en zijn behandelaars, hij bij het uitblijven van een behandeling in een medische noodsituatie zal geraken en stelt zich op het standpunt dat behandeling in Armenië of Nagorno Karabach niet beschikbaar is en voor hem feitelijk niet toegankelijk. In dat verband heeft eiser een beroep gedaan op het arrest Paposhvili7. Tot slot stelt eiser dat verweerder in bezwaar ten onrechte van het horen heeft afgezien.

Beoordelingskader en omvang geding

4. Op grond van artikel 3.46, eerste lid, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.

Verder blijft op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet uitzetting achterwege indien het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

5. Niet in geschil is dat eiser bij het uitblijven van een behandeling in een medische noodsituatie zal geraken. Tussen partijen is in geschil of Nederland het meest aanwezen land is voor het ondergaan van de noodzakelijke medische behandeling. De rechtbank dient dus te beoordelen of verweerder ervan heeft mogen uitgaan dat de voor eiser noodzakelijke medische behandeling ook in het land van herkomst kan plaatsvinden.

Nieuwe medische informatie

6. De rechtbank stelt vast dat de EMDR-behandeling ten tijde van het bestreden besluit nog niet was gestart. Eerst in een in beroep overgelegde brief van 14 mei 2019 is hiervan sprake. Ten tijde van het bestreden besluit bestond de behandeling van eiser uit medicatie en ondersteunende gesprekken. De rechtbank stelt vast dat in de door eiser in bezwaar ingebrachte medische stukken van 30 januari 2019 melding is gemaakt van een gepland indicatiegesprek voor psychotherapie bij een GZ-psycholoog en dat men eiser wil motiveren voor traumatherapie. Uit de meest recente informatie van de behandelend psychiater van 2 maart 2021 blijkt overigens dat de EMDR-behandeling is gestopt omdat eiser die niet kon volhouden.

Omdat de EMDR-therapie pas na het bestreden besluit is gestart, kan dit niet worden beschouwd als een omstandigheid die zich voordeed ten tijde van het bestreden besluit, noch als een nadere onderbouwing van een standpunt die zich voordeed ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank laat de in beroep verstrekte medische informatie daarover om die reden buiten beschouwing. Verweerder is er in het bestreden besluit terecht van uitgegaan dat de noodzakelijke medische behandeling bestaat uit medicatie door een psychiater en ondersteunende gesprekken.

BMA-advies

7. Uit het advies van 24 mei 2018 blijkt dat de BMA-arts informatie heeft ingewonnen bij de behandelend psychiater en sociaal psychiatrisch verpleegkundige en bij de huisarts van eiser. Daarnaast is voor wat betreft de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst informatie ingewonnen bij een vertrouwensarts. De BMA-arts heeft gerapporteerd dat eiser medische klachten heeft (PTSS, soms met psychotische overschrijdingen, depressieve klachten met suïcidaliteit). Eiser staat sinds 2016 onder behandeling bij een transcultureel team van de GGZ. De behandeling bestaat uit medicatie door een psychiater en steunende structurerende sociaal psychiatrische interventies, gemiddeld een keer per week. Over de duur van de behandeling kan volgens de arts geen uitspraak worden gedaan, maar er is uitgegaan van een langer durende behandeling. Bij het uitblijven van de behandeling verwacht de arts een medische noodsituatie op korte termijn.

De BMA-arts acht eiser in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen, mits begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige, in verband met de kans op psychotische overschrijdingen. Aanbevolen wordt daarbij om een schriftelijke overdracht van medische gegevens mee te nemen, om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Behandeling in Armenië en Nagorno-Karabach is volgens de BMA-arts aanwezig.

Uit het aanvullend advies van 28 maart 2019 blijkt dat de BMA-arts kennis heeft genomen van de door eiser in bezwaar ingebrachte medische informatie van 30 januari 2019. De BMA-arts heeft geconcludeerd dat het advies van 24 mei 2018 gehandhaafd kan blijven. De arts heeft overwogen dat qua behandeling er een wijziging is in de zin dat er een indicatiegesprek voor psychotherapie gepland staat bij een GZ-psycholoog en dat men eiser wil motiveren voor traumatherapie. De BMA-arts heeft voorts vermeld dat er in Armenië en Nagorno Karabach een psycholoog aanwezig is.

8. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling8 moet verweerder, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb9 ervan vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het BMA-advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen, omdat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig – en naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Uit het BMA-advies en ook uit de aanvulling hierop blijkt dat de BMA-arts alle door de behandelaars van eiser verstrekte medische informatie heeft betrokken. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de actualiteit en betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen. Dat onder deze bronnen sprake is van afwijkende klachtenbeschrijvingen, doet er niet aan af dat de bronnen verwijzen naar relevante medicatie en behandelmethoden.

Uit het door eiser overgelegde Asylos-rapport kan niet worden afgeleid dat de voor eiser ten tijde van het bestreden besluit noodzakelijke behandeling in het land van herkomst niet aanwezig is. Verweerder heeft geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen aan het ontbreken van informatie hierover op Google maps. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat Google Maps geen concreet verifieerbare informatie geeft over de (aard van de) instellingen en de adresgegevens. De informatie op Google Maps als zodanig kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de landeninformatie gevoegd bij het BMA-advies onjuist is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige, omdat er geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel voor de aanwezigheid van de noodzakelijke behandeling.

Het standpunt van eiser dat het BMA-advies niet inzichtelijk en concludent is, omdat niet inzichtelijk is gemaakt waarom begeleiding in persoon tijdens de reis noodzakelijk is, maar wel kan worden volstaan met een schriftelijke overdracht, wordt niet gevolgd. De rechtbank stelt vast dat het BMA expliciet is gevraagd welke reisvoorwaarden bij de reis noodzakelijk zijn: “vooraf, tijdens of direct na de reis”. De BMA-arts heeft daarop geantwoord dat er begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige noodzakelijk is ‘tijdens’ de reis. Aangenomen mag worden dat de BMA-arts begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige ‘direct na de reis’ dus niet noodzakelijk heeft geacht. Eiser heeft geen onderbouwing gegeven van het tegendeel.

10. Verweerder heeft dan ook onder verwijzing naar de adviezen van het BMA kunnen overwegen dat eiser in staat is onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige te reizen en dat de voor eiser noodzakelijke behandeling aanwezig is in het land van herkomst.

Feitelijke toegankelijkheid

11. Eiser heeft zich, onder verwijzing naar het arrest Paposhvili, op het standpunt gesteld dat de voor hem noodzakelijke medische behandeling in Armenië of Nagorno Karabach niet feitelijk toegankelijk is en dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

Uit het arrest Paposhvili volgt dat het EHRM heeft geoordeeld dat de bescherming van artikel 3 van het EVRM zich ook uitstrekt tot personen die, door het gebrek aan toegang tot een geschikte medische behandeling in hun land van herkomst, worden blootgesteld aan een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in hun gezondheid, waardoor hun levensverwachting significant afneemt. In de door eiser aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 29 maart 201910 en 28 september 201711 is overwogen dat het EHRM in het arrest heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in dergelijke zaken onverminderd hoog blijft. Het ligt daarbij op de weg van eiser om bij een gedwongen uitzetting door middel van bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, zoals volgt uit paragraaf 186 van het Paposhvili-arrest.

Eiser heeft aangevoerd dat het feitelijk onmogelijk is om naar Armenië of Nagorno Karabach te reizen, omdat hij niet beschikt over de noodzakelijke reisdocumenten. Daarnaast beschikt hij niet over middelen om de behandeling aldaar te kunnen bekostigen. Verder wijst eiser op de informatie van zijn behandelaars, waaruit blijkt dat eiser bij enige stap richting uitzetting/terugkeer direct suïcideplannen maakt. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat etnisch Armeniërs geen toegang hebben tot medische zorg.

12. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedwongen uitzetting zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Daarbij wordt allereerst opgemerkt dat de gestelde suïcidaliteit van eiser in het BMA-advies is betrokken.

Ten aanzien van het ontbreken van reisdocumenten heeft verweerder in het verweerschrift terecht opgemerkt dat dit feiten en omstandigheden zijn die raken aan de feitelijke uitzetting en in een aanvraag als deze niet in de beoordeling worden betrokken. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op de mogelijkheid voor eiser om een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ‘buiten schuld’ in te dienen.

Ten aanzien van het ontbreken van middelen of behandeling in Armenië of Nagorno Karabach te bekostigen overweegt de rechtbank dat eiser voorgaand aan het bestreden besluit geen bewijsmiddelen van betalingsonmacht heeft overgelegd. Verweerder heeft eiser in het bestreden besluit kunnen tegenwerpen dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij geen betaalde werkzaamheden kan verrichten, dan wel dat hij niet in het bezit is van financiële middelen om de behandeling te bekostigen en/of geen financiële steun kan krijgen, of dat hij in het land van herkomst geen sociaal netwerk heeft. Daarbij heeft verweerder ook terecht opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd wat de daadwerkelijke kosten zijn van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst. Voor zover eiser in beroep heeft verwezen naar algemene prijsinformatie uit het Asylos-rapport over de voorgeschreven medicijnen en behandelingen, maakt niet dat hij alsnog heeft aangetoond dat hij de voor hem noodzakelijke medische behandeling niet kan bekostigen.

Ook voor het standpunt dat etnisch Armeniërs geen toegang hebben tot medische zorg, heeft eiser verwezen naar het Asylos-rapport. Daarover heeft verweerder in het verweerschrift terecht opgemerkt dat uit het Asylos-rapport niet volgt dat etnische Armeniërs geen toegang zouden hebben tot medische zorg. Verweerder heeft daarbij vermeld dat uit het rapport weliswaar kan worden geconcludeerd dat etnisch Armeniërs geen recht hebben op ‘free of charge services’, maar niet dat zorg tegen betaling niet mogelijk is.

13. Verweerder heeft de aanvraag dan ook kunnen afwijzen en uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw kunnen weigeren.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 10 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mee te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000

2 Bureau Medische Advisering

3 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

4 Vreemdelingenbesluit 2000

5 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

6 ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212

7 Europees Hof voor de Rechten van de Mens 13 december 2016, ECLI:CE:EHCR:2016:1213JUD00417381

8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; onder meer de uitspraak van 4 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4501 en de uitspraak van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268

9 Algemene wet bestuursrecht

10 ECLI:NL:RVS:2019:984

11 ECLI:NL:RVS:2017:2629