Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6205

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
SGR 20/4641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergunningparkeren. Parkeerdruk en andere vormen van overlast. Deze combinatie kan meebrengen dat er vergunningparkeren moet komen. Tellingen uit 2017 zijn in 2020 niet meer actueel. Verweerder moet in overleg met eisers nieuwe parkeertellingen doen. Als daaruit blijkt dat er sprake is van parkeerdruk, zal verweerder gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om vergunningparkeren in te voeren. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4641


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

[eiser] , eiser,

beiden te [woonplaats] , hierna samen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Pieck).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2019 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers tot aanwijzing van de evenzijde van de [straat 1] als weggedeelte voor het parkeren door vergunninghouders (vergunningparkeren) afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen, het verzoek van eisers opnieuw beoordeeld en dat verzoek opnieuw afgewezen (de rechtbank begrijpt: het bezwaar onder aanpassing van de motivering ongegrond verklaard).

Eisers hebben beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 4 juni 2021. Eisers, de partner van eiseres en de gemachtigde van verweerder waren er. Ook R. de Jong, adviseur in het team Beleid Openbare Ruimte en Vastgoed van de gemeente Alphen aan den Rijn, was aanwezig.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eisers wonen aan de evenzijde van de [straat 1] in [plaats] . Aan de overkant zit Activite, locatie [locatie] , een zorghuis voor mensen met dementie. Eisers ervaren overlast van het personeel, bezoekers en dienstverleners. Zij maken niet alleen lawaai en rommel, maar houden ook parkeerplekken aan de evenzijde van de [straat 1] bezet. Daarom willen eisers dat verweerder in die zijde vergunningparkeren invoert.

2. Verweerder heeft het verzoek van eisers afgewezen. Volgens hem is in de [straat 1] en de omgeving van die straat (de [straat 2] en de [straat 3] ) geen sprake van een hoge parkeerdruk. Daarnaast is vergunningparkeren niet bedoeld voor overlast die andere oorzaken heeft dan een tekort aan parkeerplekken. In bezwaar heeft verweerder het verzoek van eisers opnieuw afgewezen.

Wat zijn de regels?

3. De relevante regels staan in de bijlage, die bij de uitspraak hoort.

Wat vinden partijen in beroep?

4. Eisers zijn het niet met verweerder eens. Volgens hen zijn praktisch alle parkeerplekken aan de evenzijde van de [straat 1] bezet. Verweerder heeft zijn besluit ten onrechte gebaseerd op oude feiten. Zo wijst verweerder op parkeertellingen uit 2017. Eisers zijn sinds augustus 2015 bezig om de overlast te stoppen. De irritatiegrens bij alle bewoners aan de evenzijde van de [straat 1] is bereikt. Verder heeft verweerder het parkeren rondom een ander verzorgingstehuis wel gereguleerd. Ook hebben eisers gewezen op de Omgevingswet, die nog in werking moet treden.

5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd. Hij blijft bij wat er in het bestreden besluit staat.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Ambtshalve: De aard van het primaire besluit

6. De hoogste bestuursrechter heeft eerder al geoordeeld dat een besluit over vergunningparkeren een concretiserend besluit van algemene strekking is. Tegen zo’n besluit staat bezwaar open.1 Het primaire besluit is een afwijzing van een aanvraag tot het nemen van een concretiserend besluit van algemene strekking. Ook hiertegen stond bezwaar open.

Ambtshalve: Ontvankelijkheid van het bezwaar

7. Het primaire besluit is van 27 juni 2019. Eisers hebben hiertegen op 11 november 2019 bezwaar gemaakt. Dit is te laat. In het primaire besluit staat echter geen rechtsmiddelenclausule. Dan geldt als uitgangspunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Verweerder heeft het bezwaar terecht ontvankelijk geacht.2

Inhoudelijk

8. De rechtbank stelt voorop dat vergunningparkeren is bedoeld om schaarse parkeerruimte eerlijk te verdelen. Hiervoor is bepalend of er sprake is van een hoge parkeerdruk. Volgens verweerder is dat in dit geval zo als de bezettingsgraad van parkeerplekken 85% of meer is.3 Overlast in welke andere vorm dan ook kan dus op zichzelf geen reden zijn om tot invoering van vergunningparkeren over te gaan.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de [straat 1] en de omgeving daarvan geen sprake is van een hoge parkeerdruk. Hiervoor heeft hij gewezen op de resultaten van parkeertellingen uit 2017. Hierin staat dat de parkeerdruk in de [straat 1] 52% was en in de omgeving daarvan 58%. In oktober 2017 heeft verweerder opnieuw parkeertellingen gedaan. Hieruit blijkt dat in de [straat 1] tussen de 15 en 28 parkeerplekken vrij waren en in de omgeving daarvan meer dan 20. Verweerder heeft hiermee het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Dat besluit is immers van 15 juni 2020. De resultaten van de parkeertellingen zijn dan ook niet actueel. De rechtbank betrekt hierbij de stelling van eisers dat de parkeerplekken aan de evenzijde van de [straat 1] gedurende bijna de hele dag bezet zijn. Verweerder heeft die stelling niet betwist.

De beroepsgrond slaagt.

10. Verweerder heeft zich op de zitting bereid verklaard om nieuwe parkeertellingen te doen. Tegelijkertijd heeft verweerder aangegeven dat hij hoe dan ook niet zal overgaan tot het invoeren van vergunningparkeren. Dus ook niet als nieuwe parkeertellingen leiden tot de conclusie dat er aan de evenzijde van de [straat 1] sprake is van een hoge parkeerdruk. In de [straat 2] en de [straat 3] zijn immers meer dan genoeg parkeerplekken beschikbaar. Dit is niet in geschil. Verweerder verlangt van eisers dat zij hun auto in die straten parkeren. De rechtbank gaat hier niet in mee. De Parkeerverordening 2018 geeft verweerder immers uitdrukkelijk de bevoegdheid om vergunningparkeren voor ‘weggedeelten’ in te voeren.4 De evenzijde van de [straat 1] is zo’n weggedeelte. Bovendien gaat verweerder hiermee voorbij aan wat eisers daadwerkelijk dwars zit. Het gaat hen immers helemaal niet om een parkeerplek voor de deur. Eisers willen rust in hun straat. De rechtbank sluit - met de bezwaarschriftencommissie - niet uit dat vergunningparkeren hier in elk geval gedeeltelijk aan kan bijdragen. Weliswaar zijn dit aspecten die op zichzelf geen reden kunnen zijn om vergunningparkeren in te voeren in de evenzijde van de [straat 1] (zie immers overweging 8). Maar in het kader van de belangenafweging die artikel 2, eerste lid, van de Parkeerverordening 2018 verweerder voorschrijft, kunnen deze aspecten - in combinatie met een hoge parkeerdruk - wel degelijk reden zijn om hiertoe over te gaan. Daarbij speelt ook een rol dat eisers al sinds augustus 2015 bezig zijn om de (parkeer)overlast te stoppen en de directeur van locatie [locatie] meerdere keren tevergeefs is aangesproken op het (parkeer)gedrag van zijn personeel, terwijl die locatie een eigen parkeerterrein heeft.

Opdracht aan verweerder

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank hoeft niet in te gaan op wat eisers verder nog hebben gezegd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. Dat moet hij binnen tien weken na de verzenddatum van deze uitspraak doen. Verweerder zal - in overleg met eisers - nieuwe parkeertellingen moeten doen. Die tellingen moet hij beperken tot de evenzijde van de [straat 1] . Als de uitkomst hiervan is dat aan die zijde sprake is van een hoge parkeerdruk (dus een bezettingsgraad van 85% of meer), kan verweerder zich gelet op alle belangen die spelen niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat hij in die evenzijde toch geen vergunningparkeren invoert. Als de tellingen ertoe leiden dat in die evenzijde geen sprake is van een hoge parkeerdruk (dus een bezettingsgraad van minder dan 85%), kan verweerder zich wel in redelijkheid op dat standpunt stellen.

Overige conclusies

12. Verweerder moet het griffierecht vergoeden dat eisers hebben betaald. Ook moet hij de proceskosten vergoeden. Voor eiser bestaan die kosten uit reiskosten (€ 14,60). De kosten die eiseres heeft gemaakt voor de verzending van een aangetekend stuk (€ 8,80) komen echter niet voor vergoeding in aanmerking. Het Besluit proceskosten bestuursrecht geeft hiervoor immers geen grondslag.5

Wat betekent deze uitspraak?

13. Verweerder moet in overleg met eisers nieuwe parkeertellingen doen in de evenzijde van de [straat 1] . Als de uitkomst hiervan is dat er aan die zijde een hoge parkeerdruk is, zal verweerder gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om daar vergunningparkeren in te voeren. Als daar geen sprake is van een hoge parkeerdruk, hoeft verweerder niet van die bevoegdheid gebruik te maken. Deze uitspraak betekent dus niet zonder meer dat er vergunningparkeren komt. Dit hangt af van de resultaten van de nieuwe parkeertellingen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen tien weken na de verzenddatum van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak (in het bijzonder overweging 11);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 14,60,-.

Dit is de uitspraak van mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

[..]

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

[..]

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren Alphen aan den Rijn (Parkeerverordening 2018)

[..]

Artikel 2

1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders.

[..]

Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening 2018, tweede wijziging

[..]

Op grond van artikel 2, eerste lid, Parkeerverordening 2018 [worden] de volgende weggedeelten [..] aangewezen voor het parkeren door vergunninghouders.

[..]

Nota Parkeernormen en voorzieningen 2014 gemeente Alpen aan den Rijn

[..]

A. Parkeervoorzieningen auto’s

[..]

b. gebruik bestaande parkeerplaatsen

Bij het meetellen van reeds aanwezige parkeerplaatsen in de parkeereis, mag de parkeerbezetting niet hoger worden dan 80 tot 90%. Het percentage is afhankelijk van het aantal en de ligging van de parkeerplaatsen:

[..]

- klein aantal (10 à 20) en geconcentreerde ligging: 85%

[..]

1 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2748.

2 Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2982.

3 Verweerder verwijst hiervoor naar de Nota Parkeernormen en voorzieningen 2014 Alphen aan den Rijn.

4 Zie immers artikel 2, eerste lid, van de Parkeerverordening 2018.

5 Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1569.