Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6170

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6984
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak verzoek om proceskostenveroordeling, tegemoet gekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/6984

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2021 op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde mr. C.E. Vianeke),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder(gemachtigde: majoor mr. F. Eleveld).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 heeft verweerder eiseres verzoek om zijn contract te verlengen afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij besluit van 28 april 2021 is eiser aangesteld in tijdelijke dienst per 1 januari 2022.

Bij brief van 4 mei 2021 heeft eiser het beroep ingetrokken en op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de proceskosten.

Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen, dat eiser om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat eiser proceskosten heeft gemaakt.

3. Ingevolge artikel 8:75 van de Awb, voor zover hier van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder het verzoek om een kostenveroordeling niet heeft weersproken. De rechtbank ziet gelet op het verzoek aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

5. Het in deze zaak betaalde griffierecht van € 178,- moet, nu het beroep wordt ingetrokken omdat verweerder aan eiser is tegemoet gekomen, op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door verweerder aan eiser worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet open bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij op grond van artikel 8:55, eerste lid van de Awb vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.