Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6158

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
NL21.7377
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening 604/2013, chain rule

Samenvatting:

Eiser heeft eerder in Nederland asiel aangevraagd. Die aanvraag is buiten behandeling gelaten omdat Roemenië verantwoordelijk was. Door Nederland is de overdrachtstermijn verlengd, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser heeft daarna asiel gevraagd in Zwitserland en ook toen is Roemenië verantwoordelijk geacht. Zwitserland heeft eiser echter niet tijdig overgedragen, zodat de verantwoordelijkheid op Zwitserland is overgegaan. Daarna is eiser in Nederland aangehouden en is een overdrachtsbesluit genomen om hem over te dragen aan Zwitserland.

Eiser beroept zich op de ‘chain rule’, waardoor de overdrachtstermijn is verlopen en Nederland verantwoordelijk is geworden. Eiser voert aan dat de antwoorden op de prejudiciële vragen die door de ABRvS zijn gesteld op 19 mei 2021 afgewacht moeten worden.

De rechtbank oordeelt dat de prejudiciële vragen van de ABRvS in deze zaak niet hoeven te worden afgewacht. De vraag of de ‘chain rule’ kan worden toegepast ten aanzien van de overdrachtstermijn is in deze zaak niet aan de orde, omdat sinds 2 september 2021 de verantwoordelijkheid is overgegaan op Zwitserland. Dit is gebeurd binnen de termijn waarin Nederland eiser had moeten overdragen aan Roemenië. Om die reden is er geen sprake van toepassing van de ‘chain rule’. Zwitserland heeft ook een claimakkoord aan Nederland afgegeven. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de overdrachtstermijn op dat moment is gaan lopen.

Eventuele opmerkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2021 (het overdrachtsbesluit) heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat hij aan de autoriteiten van Zwitserland zal worden overgedragen.

Eiser heeft tegen het overdrachtsbesluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.7378, plaatsgevonden op 25 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer S. el Matahari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 1 november 2019 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Roemenië op grond van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat was. Op 8 november 2019 heeft verweerder een claimverzoek aan de Roemeense autoriteiten verstuurd, dat op 21 november 2019 werd geaccepteerd. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat eiser destijds met onbekende bestemming was vertrokken en dat de overdrachtstermijn door Nederland om die reden tot 18 maanden was verlengd. Bij bericht van 4 mei 2021 hebben de Roemeense autoriteiten verweerder laten weten dat Roemenië niet langer de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat de verantwoordelijkheid inmiddels over is gegaan op Zwitserland. Op 6 mei 2021 heeft verweerder daarom een claimverzoek aan Zwitserland gestuurd, dat op 11 mei 2021 door Zwitserland is geaccepteerd. Op basis van dit claimakkoord heeft verweerder het overdrachtsbesluit genomen waartegen het beroep in deze zaak is ingesteld.

De chain rule

2. Allereerst voert eiser in beroep aan dat de zogenoemde ‘chain rule’ in deze zaak niet van toepassing is, zodat de overdrachtstermijn is verlopen en Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser verwijst naar de uitspraak van 19 mei 20211, waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) prejudiciële vragen heeft gesteld. Volgens eiser dienen de antwoorden op de prejudiciële vragen afgewacht te worden voordat er in deze zaak uitspraak kan worden gedaan. In de drie zaken die de ABRvS aanleiding gaven de prejudiciële vragen te stellen hebben de vreemdelingen voordat zij naar Nederland kwamen en hier een asielaanvraag indienden, in twee andere lidstaten al zo'n aanvraag gedaan. In de tijd tussen de verschillende aanvragen zijn zij ondergedoken. Volgens verweerder is Nederland in die zaken niet verantwoordelijk voor de behandeling van het hier ingediende asielverzoek, omdat uit de Dublinverordening volgt dat één van de lidstaten waar de vreemdelingen eerder om internationale bescherming hebben verzocht, daarvoor verantwoordelijk is. Daarbij gaat verweerder uit van de zogenoemde 'chain rule'. Volgens die 'chain rule' zou de overdrachtstermijn opnieuw gaan lopen als een vreemdeling voorafgaand aan de overdracht onderduikt en daarna in een andere EU-lidstaat opnieuw asiel aanvraagt. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in het beroep van eiser de beantwoording van de door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen moet worden afgewacht.

3. De rechtbank vindt niet dat de beantwoording van de door de ABRvS gestelde prejudiciële vragen over de zogenaamde ‘chain rule’ in het beroep van eiser dient te worden afgewacht en legt dat als volgt uit.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder in de zaak van eiser bij het claimverzoek van Nederland aan Zwitserland van 6 mei 2021 het claimakkoord tussen Roemenië en Zwitserland heeft gevoegd.2 Uit dit claimakkoord blijkt dat Roemenië het claimverzoek van Zwitserland op 2 maart 2020 heeft geaccepteerd. Dit betekent dat de overdrachtstermijn van zes maanden, waarbinnen Zwitserland eiser had moeten overdragen aan Roemenië, op dat moment is gaan lopen en is geëindigd op 2 september 2020. Uit de email die de Roemeense autoriteiten aan Nederland hebben gestuurd op 4 mei 2021 maakt de rechtbank verder op dat de Zwitserse autoriteiten eiser niet binnen die termijn hebben overgedragen aan Roemenië en dat zij Roemenië evenmin informatie hebben verschaft over de eventuele onderduiking van eiser, waardoor de overdrachtstermijn had kunnen worden verlengd3. Daarmee is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op 2 september 2020 overgegaan op Zwitserland.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is - anders dan in de drie zaken waarin de ABRvS prejudiciële vragen heeft gesteld - de vraag of de zogenaamde ‘chain rule’ kan worden toegepast ten aanzien van de overdrachtstermijn niet aan de orde in het beroep van eiser, omdat er tussen Roemenië en Zwitserland sinds 2 september 2020 geen claimakkoord meer bestond. De verantwoordelijkheid is namelijk vanaf die datum overgegaan op Zwitserland. Van belang is ook dat dit is gebeurd binnen de termijn van 18 maanden waarin Nederland eiser had moeten overdragen aan Roemenië. Om die reden is er geen sprake van

1. ECLI:NL:RVS:2021:983.

2 Op pagina 9.

3 Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening

een situatie die ziet op de toepassing van de zogenaamde ‘chain rule’. Zwitserland heeft haar verantwoordelijkheid ook geaccepteerd door middel van het claimakkoord met Nederland van 11 mei 2021. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de overdrachtstermijn van 6 maanden, waarbinnen verweerder eiser dient over te dragen aan Zwitserland, vanaf die datum is gaan lopen. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van de ABRvS.

De motivering van het overdrachtsbesluit

6. Eiser voert aan dat het overdrachtsbesluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, nu er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijke overdracht aan Zwitserland en eiser in dit kader niet is gehoord. Hij heeft daardoor geen individuele feiten en belangen naar voren kunnen brengen over de omstandigheden waarin hij zich destijds in Zwitserland bevond. Dit is met name belangrijk gelet op de ernstige psychische klachten die hij heeft. Er is door het voorgaande ook niet getoetst of er sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij overdracht aan Zwitserland.

7. De rechtbank volgt eiser in zijn bezwaar dat hij geen gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen omtrent het voornemen hem over te dragen aan Zwitserland. Van een concreet voornemen om eiser over te dragen aan Zwitserland was ook geen sprake. Ook stelt de rechtbank vast dat er in het overdrachtsbesluit geen afweging is gemaakt tussen de individuele belangen van eiser om niet te worden overgedragen aan Zwitserland en het belang van verweerder om eiser wel over te dragen. De persoonlijke omstandigheden van eiser zijn dus niet kenbaar betrokken in de besluitvorming en er is niet gebleken dat eiser voorafgaand aan het overdrachtsbesluit in de gelegenheid is gesteld om (juridische) bezwaren in te brengen tegen de overdracht aan Zwitserland. Naar het oordeel van de rechtbank is het overdrachtsbesluit daarmee onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en is er sprake van een motiveringsgebrek, hetgeen tot gegrondverklaring van het beroep leidt. De rechtbank zal hierna beoordelen of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

8. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt. In beroep heeft eiser omtrent de overdracht aan Zwitserland naar voren gebracht dat hij zware psychische problemen heeft. Eiser heeft in de beroepsprocedure verder geen persoonlijke belangen aangevoerd in het kader van de overdracht aan Zwitserland. Ook ter zitting heeft hij geen nadere motivering van zijn bezwaren tegen de overdracht gegeven. De door eiser gestelde psychische problemen zijn niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet daarom in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het overdrachtsbesluit. Dit betekent dat verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen. Voor eiser betekent dit dat het beroep weliswaar gegrond zal worden verklaard vanwege het feit dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, maar dat hij inhoudelijk geen gelijk heeft gekregen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

31 mei 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Mr. L.M. Reijnierse S. Bazaz

Rechter Griffier

Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens

bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.