Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
C/09/606467 / FT RK 21/72
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Verbod om over te gaan tot aangezegde openbare verkoop inboedel. Niet gebleken dat inboedel bovenmatig is. Minnelijk traject moet nog afgerond worden.

Openbare verkoop zou stabilisatie en minnelijk traject doorkruisen. Niet onaannemelijk dat WSNP verzoek wordt toegewezen ondanks vraagtekens bij omstandigheid dat verzoekster bestuurder/directeur is van de vennootschap waar zij in loondienst is.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/606467 / FT RK 21/72

Beschikking van 28 januari 2021

[verzoekster],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats]r,

verzoekster,

tegen

[verweerders].

wonende te [woonplaats 1 en woonplaats 2],

verweerders,

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders Over de Vest.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als verzoekster en verweerders

1 De procedure

1.1

Bij verzoek, binnengekomen op 26 januari 2021, heeft verzoekster gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 vierde lid van de Faillissementswet (Fw). Tevens heeft verzoekster een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.

1.2

Het verzoek strekt ertoe dat aan verweerders wordt verboden over te gaan tot de openbare verkoop van de roerende zaken van verzoekster, aangezegd door de deurwaarder op 11 januari 2021 en voorzien op 29 januari 2021 om 10:00 uur.

1.3

Het verzoekschrift is behandeld tijdens de zitting van 28 januari 2021. Hierbij zijn verschenen en gehoord: verzoekster en mevrouw [D], schuldhulpverlener van de gemeente [A]. Namens verweerders is de heer [X] verschenen en gehoord.

2 De beoordeling

De voorlopige voorziening

2.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende:

Bij notariële akte, opgemaakt op 20 februari 2019, heeft verzoekster verklaard aan [erflater] wegens geldlening € 44.000,- verschuldigd te zijn, bestaande uit een bedrag groot € 41.000,00, dat rentedragend is tegen een rente van 5% op jaarbasis en een bedrag € 3000,00, dat geen rente draagt. Op 19 december 2019 heeft de deurwaarder namens [erflater] executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken, toebehorende aan verzoekster, welke zaken zich in haar woning bevonden. Dit betrof haar inboedel bestaande uit onder meer een kabinetkast, een eethoek met stoelen, een hoekbank, een salontafel en enkele vazen. Tussen partijen is vervolgens overeengekomen dat verzoekster maandelijks het rentebedrag van € 170,00 zou voldoen. In mei 2020 heeft verzoekster zich gewend tot de gemeente [A], om een minnelijke regeling te beproeven met alle schuldeisers, waaronder [erflater]. Verzoekster heeft de rentebetalingen (170,00 per maand) gestaakt met ingang van september 2020, op aanraden van de schuldhulpverlener. Op 27 november 2020 is [erflater] overleden. Op 11 januari 2021 heeft de deurwaarder op verzoek van de erfgenamen van [erflater] de openbare verkoop van bovengenoemde roerende zaken aangezegd.

2.2

In artikel 287, vierde lid, Fw is bepaald dat de rechtbank in spoedeisende zaken bevoegd is een voorlopige voorziening te geven. Sprake moet zijn van een spoedeisend belang. Tevens dient niet onaannemelijk te zijn dat het ingediende verzoek tot toepassing van de Wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegewezen. Met andere woorden: er zijn niet reeds nu al contra-indicaties die aan toelating tot de WSNP in de weg staan.

2.3

Naar oordeel van de rechtbank staat vast dat verzoekster een spoedeisend belang heeft, nu de openbare verkoop van haar roerende zaken is voorzien op 29 januari 2021. De rechtbank is tevens van oordeel dat niet onaannemelijk is dat het door haar ingediende verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegewezen. De rechtbank licht dat als volgt toe. Vast staat dat verzoekster zich in mei 2020 heeft aangemeld bij de gemeente [A] voor schuldhulpverlening. Vervolgens is onderzocht of verzoekster, die in het verleden eenmanszaken had (kapsalons) niet meer als ondernemer staat ingeschreven in het handelsregister en is tevens onderzocht en gerealiseerd dat de vennootschappen waarvan zij bestuurder was zijn ontbonden. Van één vennootschap is het faillissement nog niet afgewikkeld, in afwachting van de procedure tot toelating van verzoekster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De curator in dit faillissement heeft een vordering op verzoeker ingediend bij de schuldhulpverlener, gebaseerd op een schuld uit rekening courant. De schulden van verzoekster zijn nu geïnventariseerd en de schuldeisers zijn aangeschreven over de hoogte van hun vordering. Op de crediteurenlijst staan 17 schuldeisers die totaal een schuldenlast van ongeveer € 481.766,44 vertegenwoordigen. Er is dus sprake van een problematische schuldensituatie. Verzoekster werkt full time en verdient een netto inkomen van € 1627,00 per maand. Zij woont samen met een partner die een netto inkomen heeft van ongeveer € 1500,00 per maand. Haar inwonende zoon draagt bij in de lasten van de huishouding met € 200,00 per maand. Hoewel de huur van de woning hoog is (€ 1100,00 per maand) is het gezinsinkomen voldoende om de vaste lasten te betalen. De schuldhulpverlener van de gemeente [A], mevrouw [D], heeft bevestigd dat de financiële situatie van verzoekster op dit moment stabiel is.

2.4

De rechtbank onderkent dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de omstandigheid dat verzoekster zelf bestuurder en directeur is van de vennootschap waar zij op dit moment in loondienst is. Dit sluit immers niet uit dat zij zelf zeggenschap heeft over de hoogte van haar inkomen, waarna de vraag rijst of zij zich wel maximaal inspant om de schuldeisers tegemoet te komen. De vennootschap exploiteert een restaurant, waarvan de omzet wordt gegenereerd door het bezorgen van maaltijden. Aannemelijk is dat het inkomen dat verzoekster thans verdient marktconform is, gelet op de huidige omstandigheden, waarbij de restaurants zijn gesloten in verband met de maatregelen om de corona pandemie te bestrijden. Dat dit nog zo zal zijn op het moment dat het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden behandeld is daarmee echter nog niet gegarandeerd. Verzoekster heeft in dat verband toegezegd dat zij - voorafgaande aan de zitting waarin haar verzoek tot toelating tot de WSNP zal worden behandeld - inzage zal geven in de omzetcijfers van de vennootschap.

2.5

De rechtbank onderkent dat verweerders belang hebben bij de openbare verkoop van de inboedel van verzoekster. Dat de inboedel bovenmatig is omdat deze mede zou bestaan uit zilveren voorwerpen is door verzoekster op de zitting gemotiveerd betwist. Naar oordeel van de rechtbank weegt het belang van verzoekster mede daarom op dit moment zwaarder. Verkoop zou immers leiden tot de noodzaak om een nieuwe inboedel aan te schaffen, hetgeen de stabiliteit van de financiële situatie van verzoekster zou aantasten. Dit zou de lopende pogingen om een minnelijke regeling tot stand te brengen, doorkruisen en - mocht de minnelijke regeling niet slagen - toelating tot de WSNP verhinderen.

2.6

Op grond van alle bovenstaande overwegingen wordt het verzoek toegewezen.

De schuldsaneringsregeling

2.7

Het verzoek tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan nog niet worden afgedaan, nu het minnelijke traject nog niet is afgerond. De verdere behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op 21 mei 2021 om 10:00 uur, indien drie weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd. Daar hoort bij: een inzicht in de omzetcijfers van de vennootschap waarvan verzoekster thans bestuurder en directeur is.

3 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    verbiedt gerechtsdeurwaarders Over de Vest, namens verweerders over te gaan tot de openbare verkoop van de roerende zaken van verzoekster;

  • -

    bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;

  • -

    bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van vier maanden;

- bepaalt dat de voortgezette behandeling van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal plaatsvinden op 21 mei 2021 om 10:00 uur, indien een week voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd;

- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2021 in tegenwoordigheid van A. van Groningen Schinkel, griffier.