Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6116

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
NL21.7269
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht. Dublin Italië, leeftijdsregistratie, tolk, kwetsbaar persoon. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.7269


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.W. de Haan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Chamkh).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.7270 (verzoek om voorlopige voorziening), plaatsgevonden op 2 juni 2021 in Dordrecht op de zittingslocatie van de rechtbank Rotterdam aldaar. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres bezit de Eritrese nationaliteit. Verweerder gaat er op basis van een door Italië verrichte leeftijdsregistratie van uit dat eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] 2000 . Eiseres heeft op 13 december 2020 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres voert aan dat haar zienswijze in beroep als herhaald en ingelast kan worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd op de zienswijze van eiseres ingegaan. Eiseres heeft met de enkele verwijzing naar de zienswijze onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens haar onjuist of onvolledig is en waarom. Dit betoog van eiseres slaagt daarom niet.

4. Eiseres, die stelt te zijn geboren in 2004, voert aan dat het onderzoek naar haar leeftijd onzorgvuldig is verricht, omdat verweerder niet bij de Italiaanse autoriteiten heeft nagevraagd of bij de vaststelling van haar leeftijd een officiële (desnoods niet beëdigde) tolk in de taal Tigrinya aanwezig was. Gelet op het voorgenoemd gebrek verzoekt eiseres de rechtbank om verweerder de opdracht te geven nader te onderzoeken of eiseres in Italië met behulp van een tolk in haar taal is gehoord. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst zij naar een zaak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 30 april 2021 (NL21.5406).
Verder had er, gelet op de uitkomsten van de leeftijdsschouw, een leeftijdsonderzoek moeten plaatsvinden. Hierbij verwijst eiseres naar de uitspraak van rechtbank Haarlem van 19 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2669). Verweerder heeft haar verklaringen over de wijze waarop de leeftijdsregistratie in Italië heeft plaatsgevonden niet betwist, en de verklaringen van eiseres zijn voor het overige concludent en niet tegenstrijdig. Dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van
5 augustus 2020 heeft besloten dat de leeftijdsregistratie in Italië zorgvuldig plaatsvindt gaat in dit geval dan ook niet op, aldus eiseres.
Verder kan eiseres niet worden tegengeworpen dat zij geen identificerende documenten heeft overgelegd. In de periode tussen haar vertrek uit Eritrea en aankomst in Nederland verbleef zij in Soedan en Libië. In deze landen kon zij niet haar documenten verzamelen. Zo heeft zij in Libië vastgezeten in een gesloten centrum. Daarnaast geldt in Eritrea een algehele lockdown en is er maar één DHL kantoor aanwezig aldaar, dat op honderden kilometers afstand van haar geboortedorp ligt. Dit zijn reële feitelijke belemmeringen waardoor zij niet aan haar bewijslast kan voldoen, aldus eiseres.

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder terecht uitgegaan van de registratie van de geboortedatum van eiseres in Italië en dus van haar meerderjarigheid. Naar aanleiding van de uitgevoerde leeftijdsschouw, die niet heeft geleid tot evidente meerder- of minderjarigheid omdat de ambtenaar van de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de medewerker van de IND twijfelden over de opgegeven leeftijd van eiseres, heeft verweerder verder onderzoek verricht naar de leeftijd van eiseres. Dit onderzoek geschiedde door op grond van artikel 34 van de Dublinverordening informatie op te vragen bij Italië, waaruit volgde dat eiseres - op basis van haar eigen verklaringen - in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum eiseres] 2000. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraken van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:881),
30 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1454) en van 14 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1911) volgt dat de informatie uit een andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Volgens paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 moeten de documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin ten minste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling. Dergelijke identificerende documenten heeft eiseres niet overgelegd. Zelfs andere dan door de Eritrese overheid uitgegeven documenten, zoals bijvoorbeeld een schoolpas, zijn niet overgelegd. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij sinds haar verblijf in Nederland heeft geprobeerd identificerende documenten uit Eritrea te verkrijgen, hetgeen wel van haar mag worden verwacht. De stelling dat de omstandigheden in het land van herkomst alsmede in Soedan en Libië de afgelopen jaren zodanig waren dat het niet mogelijk zou zijn geweest om identificerende documenten te verkrijgen volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft deze stelling geenszins met stukken of verwijzingen naar openbare bronnen hieromtrent onderbouwd. Verder volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2219) dat verweerder er - gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel - in beginsel vanuit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is dan aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de in die lidstaat geregistreerde geboortedatum onjuist is. Hierin is eiseres niet geslaagd. De verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Haarlem van 19 maart 2020 kan eiseres niet baten. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1888), waarin de Afdeling heeft beslist op het ingestelde hoger beroep tegen voornoemde uitspraak van rechtbank Haarlem van 19 maart 2020. Uit deze Afdelingsuitspraak volgt, evenals uit de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2017, dat in beginsel ervan uit mag worden gegaan dat de registratie in de andere lidstaat zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de in de andere lidstaat geregistreerde meerderjarigheid onjuist is. De enkele niet onderbouwde stelling van eiseres dat bij de registratie in Italië geen gebruik is gemaakt van een tolk kan niet tot de conclusie leiden dat de leeftijdsregistratie onzorgvuldig tot stand is gekomen, of dat bij Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarnaast volgt uit de antwoorden op Kamervragen (Aanhangsel van de Handelingen II 2018/19, nr. 3162) waar eiseres op wijst, niet dat verweerder na het antwoord van de Italiaanse autoriteiten nadere vragen had moeten stellen. Tot slot kan het beroep op de zaak van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2021 eiseres niet baten. Die zaak gaat over de vraag of de vreemdeling nog een verblijfstitel had in Italië, terwijl in de onderhavige zaak verweerder in het kader van de Dublinverordening mag aannemen dat de aanvraag van eiseres aldaar zal worden behandeld. Gelet op het voorgenoemde is verweerder terecht uitgegaan van de in Italië geregistreerde meerderjarigheid en is daarom ook terecht geen leeftijdsonderzoek aangeboden.

5. Eiseres voert aan dat zij moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon. Zij is immers, ongeacht haar leeftijd, een jonge alleenstaande vrouw. Hierbij verwijst zij naar het overgelegde document van Vreemdelingenwerk Nederland van 4 mei 2021. Uit dit document blijkt dat asielzoekers, die in het kader van Dublin naar Italië moeten terugkeren, het reële risico lopen om weken op straat te moeten wachten voordat zij opvang krijgen, aldus eiseres.

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in algemene zin ten opzichte van Italië

mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit de recente jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) en meer recent van 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2449) en 25 februari 2021, (ECLI:NL:RVS:2021:464). Het ligt dan op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat in Italië niettemin sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiseres een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hier niet in geslaagd. Eiseres heeft haar stellingen ten aanzien van de situatie in Italië onvoldoende onderbouwd. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er, gelet op het fictieve claimakkoord, van uit gaan dat Italië eiseres zal opvangen. Dat uit recente informatie van Vluchtelingenwerk Nederland blijkt dat Dublinterugkeerders wier asielaanvraag in Italië nog niet lopend is pas toegang tot het opvangsysteem wordt verleend na formalisering van de asielaanvraag en dat het daardoor enige tijd kan duren voordat zij toegang krijgen tot opvangcentra maakt dat niet anders. Eiseres heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat zij in Italië geen opvang zal krijgen. Zou eiseres bij terugkeer overigens geen opvang krijgen, dan ligt het op haar weg om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiseres niet bestaat of dat de Italiaanse autoriteiten een door haar ingediende klacht niet serieus zullen nemen. Voor zover eiseres betoogt dat zij moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon als bedoeld in artikel 21 van de Opvangrichtlijn faalt dit betoog dan ook. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij is aan te merken als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, inzake Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) en dat aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig zijn als bedoeld in dat arrest. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Oonincx, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Osmani, griffier.

De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.