Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6070

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4854
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Weigering bevestiging optieverklaring. Geen toelating voor onbepaalde tijd; Chavez-Vilchez verblijfsrecht is een tijdelijk verblijfsrecht.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Vurdelja),

en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Topaloglu en M. Gürsültür).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de verklaring van eiser ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie te bevestigen.

Bij besluit van 6 juli 2020 (het bestreden besluit I) heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het bezwaar van eiser, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 3 juli 2020, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Nadat is gebleken dat het bestreden besluit I niet door het daartoe bevoegde gezag is genomen, heeft verweerder bij besluit van 4 augustus 2020 (bestreden besluit II) het bestreden I vervangen. Verweerder heeft het bezwaar van eiser overeenkomstig voornoemd advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, ongegrond verklaard. Het beroep is van rechtswege ook tegen dit besluit gericht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 25 mei 2021.

Eiser heeft deelgenomen, bijgestaan door mr. Jevtovic, die waarnam voor de gemachtigde van eiser. Namens verweerder hebben de gemachtigden deelgenomen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en verblijft bij zijn minderjarige kind met de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft sinds 30 mei 2018 een verblijfsdocument met de aantekening ‘Familielid EU/EER’, ontleend aan artikel 20 van het VWEU (hierna: een Chavez-Vilchez verblijfsrecht). Op 30 juli 2019 heeft eiser een optieverklaring afgelegd ter verkrijging van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verweerder heeft geweigerd de verklaring te bevestigen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd heeft. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het verblijfsrecht van eiser een tijdelijk karakter heeft.

Wat zijn de regels?

2. De relevante regels staan in de bijlage. De bijlage is onderdeel van de uitspraak.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

3. Eiser stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de verblijfsrechtelijke status van eiser in de zin van het Chavez-Vilchez-arrest aangemerkt kan worden als een duurzaam verblijfsrecht. Het kernpunt van het arrest is dat er sprake moet zijn van een afhankelijkheidsverhouding van het kind en de ouder. Hierbij wordt niet de voorwaarde gesteld dat de afhankelijkheidsverhouding dient te blijven bestaan wanneer het kind de meerderjarige leeftijd heeft bereikt. De afhankelijkheidsverhouding dient volgens eiser daarom te worden opgevat als een open norm die ingevuld dient te worden met de specifieke omstandigheden van het geval om vervolgens een oordeel te kunnen vellen of de ouder al dan niet na het bereiken van de meerderjarige leeftijd alsnog recht heeft op een duurzaam verblijfsrecht. Er is geen objectieve grond voor het standpunt dat het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht een tijdelijk verblijfsrecht met zich meebrengt.

Verder stelt eiser dat verweerder voldoende bevoegdheden heeft om een zelfstandig oordeel te vellen in een specifieke situatie omtrent het toekennen van het Nederlanderschap zonder daarvoor op de stoel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te gaan zitten.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat zijn Nederlanderschap vastgesteld moet worden op grond van artikel 17 van de RWN.

4. Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Ter zitting heeft eisers gemachtigde erkend dat er geen procesbelang meer bestaat bij een oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit I. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het primaire standpunt dat de hoogste bestuursrechter al meerdere malen heeft geoordeeld dat het Chavez-Vilchez-verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft1. Onder verwijzing naar deze vaste rechtspraak overweegt de rechtbank dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat een Chavez-Vilchez verblijfsrecht een afgeleid verblijfsrecht is dat als doel heeft het voorkomen dat een burger van de Unie geen gebruik kan maken van de rechten die horen bij het Unieburgerschap. Het verblijfsrecht van eiser is daarmee alleen gebaseerd op de afhankelijkheidsrelatie met zijn Nederlandse kind en eindigt in beginsel zodra zijn kind meerderjarig wordt of zodra het kind niet langer afhankelijk is van zijn zorg. Op voorhand staat dus vast dat dit verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft.

Omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, heeft verweerder terecht geweigerd de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder – maar niet uitsluitend – het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft zijn standpunt niet onderbouwd. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder een belangenafweging had moeten maken, overweegt de rechtbank dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN verweerder daartoe geen ruimte biedt. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd bevestigd dat het subsidiaire standpunt niet langer wordt gehandhaafd. De rechtbank zal hier dan ook niet op in gaan.

Conclusie

Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, is niet-ontvankelijk.

Het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, is ongegrond.

Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Artikel 20

1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,

a. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;

[…]

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 1

1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

g. toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

[…]

Artikel 6

1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:

[…]

f. de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten en in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid, onder d of e;

[…]

Artikel 8

1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

[…]

b. tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan;

[…]

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2013

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

[…]

Paragraaf 2.1. Toelating

[…]

Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en met behulp van de aldaar opgenomen bijlagen kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste.

[…]

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

Paragraaf 1

Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN, als cumulatief:

• […];

• hij op het moment van de bevestiging van de verkrijging gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft. Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ houdt in dat de optant in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter. Voor een nadere uitleg van dit begrip en de wijze waarop kan worden beoordeeld of aan dit vereiste wordt voldaan, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN én artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. De optant moet zijn rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan tonen. Zie voor een uitleg van het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. De periode van een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf moet ‘onafgebroken’ zijn. In deze periode mogen daarom geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint een nieuwe termijn van een jaar te lopen. Of wordt voldaan aan het vereiste van een jaar onafgebroken toelating, zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In deze situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over de benodigde gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;

• […].

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2272, en 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:395 en 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:921.