Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:6041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
NL21.5870
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, interstatelijk vertrouwensbeginsel, opvang, Tarakhel, rechtsbijstand, lock down

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.5870


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam] eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.5871, plaatsgevonden op 6 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 20 december 2020 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening1 verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser2. Op 9 februari 2021 heeft verweerder Italië verzocht eiser over te nemen op grond van de Dublinverordening. Italië heeft niet tijdig op het overnameverzoek gereageerd, zodat op 10 april 2021 een fictief akkoord tot stand is gekomen.

3. Eiser is van mening dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat zich daar als gevolg van bezuinigingen aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voordoen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser gewezen op het AIDA3 Country Report over Italië van november 2020, het SFH/OSAR4 rapport van januari 2020 en een artikel van ECRE5 van 10 januari 2020. Daaruit blijkt dat Dublinterugkeerders problemen ervaren bij hun huisvesting. Tevens heeft eiser mailwisseling tussen Vluchtelingenwerk Nederland en Maria Cristina Romano, advocaat en ELENA-coördinator voor Italië, overgelegd waarin onder meer wordt ingegaan op de problemen in de opvang voor Dublinterugkeerders. Vanwege het tekort aan tolken en de uiterst beperkte toegang tot (gratis) rechtsbijstand heeft eiser geen daadwerkelijk rechtsmiddel in Italië om te klagen over de tekortkomingen. Eiser is verder van mening dat hij als bijzonder kwetsbaar is aan te merken in de zin van het Tarakhel arrest6 vanwege zijn psychische toestand en de zware ontberingen die hij ondergaan heeft tijdens zijn reis vanuit Eritrea naar Europa. Verweerder is daarom gehouden eisers aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken dan wel om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten voordat tot overdracht kan worden overgegaan. Eiser is bekend met de uitspraak van het EHRM7 van 15 april 20218, waarin geoordeeld is dat overdracht van kwetsbare vreemdelingen geen schending van artikel 3 van het EVRM9 betekent. Er bestaat echter een redelijke kans dat het EHRM terug zal komen op voornoemde beslissing aldus eiser en daarom kan aan die beslissing niet die waarde worden toegekend die verweerder graag daaraan wenst toe te kennen. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat de overdrachten naar Italië nagenoeg stilliggen vanwege de maatregelen die genomen zijn ter bestrijding van de coronapandemie. Hij verwacht dat er een grote toestroom van asielzoekers zal zijn zodra de lockdown wordt opgeheven. Daardoor zullen de problemen in de opvang verergeren. Onder verwijzing naar de rapporten “Ongekend onrecht” en “Klem tussen Balie en Beleid” is eiser van mening dat het bestreden besluit blijkt geeft van het missen van de menselijke maat.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Uit vaste rechtspraak10 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat ten aanzien van Italië tot op heden nog steeds onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat ook Dublinterugkeerders in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang. Uit de aangehaalde rapporten en andere informatie blijkt weliswaar dat de situatie voor asielzoekers in Italië zorgelijk is, maar niet dat sprake is van zodanige tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen dat moet worden geconcludeerd dat deze aan de overdracht van Dublinterugkeerders zoals eiser in de weg staan. Eiser dient zich met klachten over de tekortkomingen te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan.

5. Eiser heeft geen objectieve en verifieerbare stukken overgelegd waaruit zijn gestelde psychische problemen blijken. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is zoals bedoeld in het Tarakhel-arrest. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat het EHRM11 in zijn uitspraak van 15 april 202112 geoordeeld heeft dat er in geval van overdracht van kwetsbare vreemdelingen aan Italië geen sprake is van een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM13. Individuele garanties voorafgaand aan de overdracht zijn dan ook niet nodig. Voor zover eiser heeft gesteld dat het EHRM heropening van deze zaak zou overwegen, betreft het geldend recht waar de rechtbank van uit mag gaan zolang de uitspraak niet is herzien. Verder is door eiser evenmin gesteld noch gebleken dat hij in Italië geen adequate medische zorg zou kunnen krijgen.

6. Als eiser van mening is dat Italië zich ten aanzien van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt, ligt het op zijn weg om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Uit artikel 19 en 20 van de Procedurerichtlijn volgt niet dat eiser onvoorwaardelijk aanspraak kan maken op kosteloze rechtsbijstand in zijn asielprocedure. De lidstaten kunnen bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand niet wordt aangeboden wanneer het beroep van de verzoeker volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft . Het door Italië gehanteerde systeem dat een asielzoeker recht heeft op kosteloze rechtsbijstand indien door de rechter wordt beoordeeld dat het beroep kans van slagen heeft, is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn.
7. De rechtbank volgt de stelling van eiser, dat na opheffing van de lockdown er een dermate grote toename zal zijn van overdrachten aan Italië dat de problemen in de opvang zullen verergeren, niet. Deze aanname van eiser is uitsluitend gebaseerd op vermoedens die niet op voorhand kunnen leiden tot een ander oordeel.

8. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft geconcretiseerd op welke wijze uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de menselijke maat uit het oog verloren heeft. Verweerder heeft het besluit uitgebreid gemotiveerd en toegelicht. Eiser is in de gelegenheid geweest op het besluit te reageren en heeft zijn standpunt naar voren gebracht evenwel zonder dat hij nader heeft geduid hoe de rapporten, waar hij aan gerefereerd heeft, zich verhouden tot zijn individuele procedure. De beroepsgrond faalt dan ook.

9. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Verweerder heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Verordening (EU) nr. 603/2013

2 Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000

3 Asylum Information Database

4 Swiss Refugee Council

5 European Council on Refugees and Exiles

6 Uitspraak van het EHRM van 4 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712

7 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

8 ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519

9 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

10 Zie uitspraken van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131), 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986) en 15 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020: 2449)

11 Europees Hof voor de Rechten van de Mens

12 ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519

13 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden