Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
C/09/609142 / FA RK 21-1867
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een crisismaatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/609142 / FA RK 21-1867

Datum beschikking: 12 mei 2021

Beroep tegen een crisismaatregel

Beschikking naar aanleiding van het op 15 maart 2021 ingediend beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel, ten aanzien van:

[de vrouw]

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] Suriname

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam.

Procesverloop

Bij verzoekschrift heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de door de burgemeester van de gemeente Leiden op 27 februari 2021 jegens haar opgelegde crisismaatregel.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- een beslissing van de burgemeester houdende het opleggen van de crisismaatregel van 27 februari 2021;

- een op 27 februari 2021 ondertekende medische verklaring van [psychiater] , die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij haar behandeling betrokken was.

De rechtbank heeft op 7 april 2021 van betrokkene een brief met bijlage ontvangen en heeft op 7 april 2021 van de advocaat eveneens een brief met bijlage ontvangen.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 april 2021.

De behandeling van het verzoek is op die zitting pro forma aangehouden tot 1 mei 2021, in afwachting van bericht van de advocaat. Betrokkene bleek ter zitting onvoldoende in staat om haar eigen verhaal te kunnen doen, vragen te kunnen antwoorden en te kunnen overzien wat er verder aan de orde zou komen. De advocaat van betrokkene zou aan de griffie van de rechtbank berichten wanneer betrokkene weer in staat zou zijn om de zitting bij te wonen, waarna een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling zou worden vastgesteld.

De rechtbank heeft nadien geen bericht van de advocaat ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens de voorzetting van de mondelinge behandeling bepaald op 30 april 2021.

De advocaat heeft de rechtbank vervolgens op 28 april 2021 per mail bericht dat betrokkene nog niet in staat is, niet fysiek noch telefonisch, om gehoord te worden.

De rechtbank heeft op 30 april 2021 van betrokkene een brief ontvangen.

De rechtbank heeft op 6 mei 2021 van de advocaat een mail ontvangen.

De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet op 10 mei 2021. Het verzoek wordt gelijktijdig behandeld met het verzoek voor een zorgmachtiging.

Bij voormelde zitting waren aanwezig:

- betrokkene;

- de advocaat;

- [vertegenwoordiger van de gemeente] namens de burgemeester van de gemeente Leiden;

- de moeder van betrokkene;

- de [psychiatrisch] verpleegkundige;

- mr F.M. de Vries, de dienstdoende officier van justitie.

De heer [psychiater] heeft de zitting via een telefoonverbinding bijgewoond.

Preliminaire verweren ?

Direct na aanvang van het onderzoek van 10 mei 2021 heeft de betrokkene gesteld dat zij preliminaire verweren heeft. Zij stelde daarbij dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is en de rechtbank niet bevoegd is. Aan deze enkele uitlating is door betrokkene, zowel als door haar raadsvrouwe, niets toegevoegd.

Nog los van het feit dat dit verweer is gevoerd op 10 mei 2021 en niet onmiddellijk na aanvang van de behandeling op 8 april 2021, hebben betrokkene noch haar advocaat dit verweer nader toegelicht en onderbouwd. De rechtbank zal de rechtbank dit verweer daarom passeren.

Procedurele verzoeken

De door betrokkene voorgestelde getuigen zijn deels door de rechtbank niet opgeroepen, nu de noodzaak tot het horen van die getuigen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende was onderbouwd in het licht van de onderhavige rechtsvraag. De rechtbank acht zich verder voldoende voorgelicht en is van oordeel dat betrokkene door dit niet oproepen niet in haar belangen is geschaad.

Door de betrokkene is verder verzocht om de beelden van beveiligingscamera’s van een vestiging van het Kruidvat in Zoetermeer aan de stukken toe te voegen, alsmede de beelden van de beveiligingscamera’s van verschillende separatieruimtes waar betrokkene heeft verbleven. De rechtbank heeft ook deze verzoeken afgewezen. Ook hier geldt dat de rechtbank het belang om deze beelden te bekijken onvoldoende gesteld vindt in het licht van de onderhavige rechtsvragen. Ook hier geldt dat de rechtbank zich ook zonder deze beelden voldoende voorgelicht acht, en van oordeel is dat betrokkene door het ontbreken van deze beelden niet in haar belangen is geschaad.

Verzoek en verweer

Door en namens betrokkene is het verzoek als volgt toegelicht.

Betrokkene heeft zich, kort gesteld, op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het verstrekken van de crisismaatregel door de burgemeester van Leiden niet voldaan is aan de hoorplicht. Betrokkene heeft, zo begrijpt de rechtbank, aangevoerd dat zij in de aanloop naar de afgifte van de crisismaatregel niet gehoord is door de onafhankelijk psychater. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven deze nooit gezien of gesproken te hebben. Er is verder geen hoorverslag gemaakt en het overgelegde episode journaal is onvoldoende toereikend. Hiermee heeft de burgemeester niet mogen concluderen dat betrokkene niet in staat was om te worden gehoord. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de burgemeester haar persoonlijk diende te horen om bevestiging te krijgen dat betrokkene niet kon, of wilde worden gehoord. Ter zitting heeft de raadsvrouwe aangegeven dat deze verplichting uit de wet voortvloeit. Betrokkene zelf heeft aangegeven dat deze verplichting uit de geest van de wet voortvloeit.

Betrokkene heeft verder aangevoerd dat er geen sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Zij is niet agressief geweest in het Kruidvat en is niet agressief geweest naar een medepatiënt bij de eerste hulp. Er was geen sprake van enig gevaar voor anderen. Betrokkene heeft niemand bedreigd, of anderszins er blijk van gegeven anderen iets aan te willen doen of zich op een zodanige wijze gedragen dat dit tot agressie van anderen jegens haar zou lijden. In het Kruidvat Zoetermeer is zij ten onrechte beschuldigd van diefstal. Er is geen aangifte van diefstal gedaan en er is geen proces-verbaal opgemaakt door de politie. Er werd bovendien bij de eerste hulp toegezegd dat betrokkene naar huis kon gaan. Er was toen dus geen sprake van ernstig nadeel, of dreigend ernstig nadeel.

Namens de burgemeester van de gemeente Leiden is, kort gesteld, het volgende verklaard. Er is door de dienstdoende onafhankelijk psychiater in de medische verklaring expliciet aangegeven dat betrokkene niet in staat was om gehoord te worden. In het episode journaal staat ook vermeld dat betrokkene niet gehoord kon worden omdat zij manisch gedecompenseerd was, zij voortdurend aan het schreeuwen was en het hierbij niet mogelijk was om contact te maken met haar en dat ze niet in gesprek wilde gaan met de onderzoeker. Betrokkene sprak van hak op de tak en reageerde niet op vragen. Er wordt gebruik gemaakt van het Khonraad-systeem. Er is voorafgaand aan het afgeven van de crisismaatregel telefonisch contact geweest tussen de wethouder (namens de burgemeester) en de onafhankelijk psychiater. Normaliter wordt bij een dergelijk contact specifiek gevraagd of betrokkene gehoord kon worden en wat de reden was dat zij niet gehoord kon worden. De burgemeester heeft een afweging gemaakt voordat de crisismaatregel werd afgeven. Er wordt hier niet lichtzinnig mee omgegaan. De reden van niet kunnen horen is belangrijk en moet ook meegenomen worden in de besluitvorming.

De onafhankelijk psychiater heeft ter zitting verklaard dat hij tot twee keer toe een poging heeft gedaan betrokkene te spreken in de ruimte bij de psychiatrische eerste hulp. Hij heeft betrokkene daar gezien en een poging gedaan haar te spreken. Betrokkene was heel boos, wilde niets met de psychiater te maken hebben, schold hem uit, stak haar middelvinger uit en schreeuwde. Het is niet gekomen tot een gesprek. Wat het (dreigend) ernstig nadeel betreft heeft de psychiater verklaard dat hij op basis van drie factoren het ernstig nadeel heeft beoordeeld; wat was de aanleiding voor het verzoek voor een beoordeling, de beoordeling zelf en de voorgeschiedenis van betrokkene. Uit de voorgeschiedenis van betrokkene blijkt dat wanneer zij manisch is, er sprake is van een ernstige ontregeling met mogelijk ernstige gevolgen voor haar en/of voor anderen. De combinatie van de drie factoren maakt duidelijk of er ernstig nadeel kan ontstaan. Er kan agressie ontstaan richting anderen en betrokkene kan door haar gedrag agressie oproepen bij anderen. Bovendien bestaat het gevaar op ernstige zelfverwaarlozing. De psychiater staat volledig achter zijn beoordeling zoals opgenomen in de medische verklaring.

De officier van justitie heeft verklaard dat de wet er niet aan in de weg staat dat de psychiater laat weten dat betrokkene niet in staat is om gehoord te worden. De officier verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 20 november 2020. Daar was dit ook uitbesteed en dat was toegelaten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de burgemeester wel heeft voldaan aan de hoorplicht.

Beoordeling

Hoorplicht burgemeester

Ten aanzien van dit onderdeel van het beroep moet de rechtbank beoordelen of bij het afgeven van de crisismaatregel de burgemeester heeft voldaan aan de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:1 lid 3 sub b Wvggz. Dit artikel bepaalt dat de burgemeester niet eerder een crisismaatregel neemt dan nadat hij betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

Uit de uitspaak van de Hoge Raad van 20 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1806) blijkt, kort gesteld, dat de aanduiding “zo mogelijk” in artikel 7:1 lid 3 van de WvGGZ impliceert dat de burgemeester moeite dient te doen om de betrokkene te horen. Hij mag er niet te licht van uitgaan dat dit niet mogelijk is. Als het horen niet plaatsvindt, zal de burgemeester moeten kunnen motiveren waarom niet en wordt dat in het besluit met redenen omkleed.

Wat betreft het horen zelf wordt niet bezwaarlijk geacht dat het horen in opdracht van de burgemeester gebeurt door een derde. Dat strookt met de tekst van artikel 7:1 lid 3, aanhef en onder b, Wvggz, die immers inhoudt dat de burgemeester de betrokkene in de gelegenheid moet hebben gesteld “om te worden gehoord”, en met de aard van een crisismaatregel, die meebrengt dat steeds sprake is van spoed, zodat het horen in voorkomend geval op elk uur van de dag of nacht moet kunnen plaatsvinden. Vanuit diezelfde redenatie wordt aanvaardbaar geacht dat de onafhankelijk psychiater die de beoordeling heeft gedaan, mag vaststellen dat betrokkene (niet) kan of wil worden gehoord. Wel kan van de burgemeester worden verlangd dat hij, ingeval bij de aanvraag van de crisismaatregel uitsluitend is vermeld dat de betrokkene niet kan of wil worden gehoord en daarvoor in het bij de aanvraag behorende dossier geen aanknopingspunt te vinden is, nagaat op welke omstandigheden de desbetreffende vermelding berust en dat hij daarvan verantwoording aflegt in zijn besluit.

Het is voldoende dat de burgemeester telefonisch contact heeft gehad met een beoordelend psychiater om zich te vergewissen van het feit dat een betrokkene niet kan worden gehoord. De burgemeester heeft dan dus van een op zijn taak berekende derde vernomen dat betrokkene op dat moment niet kon worden gehoord en op welke omstandigheden die vaststelling was gebaseerd. Hetgeen hiervoor is overwogen, geldt, blijkens deze uitspraak van de Hoge Raad, overeenkomstig voor de wethouder aan wie op de voet van art. 7:1 lid 2 Wvggz door de burgemeester een mandaat is gegeven tot het nemen van een crisismaatregel.

Gelet op de voormelde uitspraak reikt de verplichting van artikel 7:1 lid 3 sub b Wvggz naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat de burgemeester (of zijn gemandateerde) zelf bij de betrokkene moet nagaan of hij al dan niet gehoord wil worden. De burgemeester mag afgaan op de (medische) verklaring van de onafhankelijk psychiater die, nadat de medische beoordeling heeft plaatsgevonden, de verdere procedure in gang zet.

In zijn medische verklaring rapporteerde de onafhankelijk psychiater, samengevat: “Betrokkene is dysfoor waardoor contact niet mogelijk is. Gaat niet goed in gesprek, reageert niet op vragen. Praat eromheen en is hierbij denigrerend en hautaine houding naar zorgverleners. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht. Wanneer haar wordt gevraagd naar haar eigen visie gaat ze daar niet op in, wil ook niet reageren op onze bevindingen en voornemen om haar op te nemen. (…) Betrokkene is non-verbaal en verbaal agressief naar zorgverleners: scheldt onderzoeker uit, steekt middelvinger op. (…) Betrokkene heeft een verstoord denkpatroon, gaat van de hak op de tak”. Alle symptomen zijn tijdens beoordeling op de PEH gezien door onderzoeker, zo verklaarde de onafhankelijk psychiater. Verder wordt vermeld: “Er is geen mogelijkheid om contact te maken met betrokkene vanuit manische decompensatie waardoor verlenen van zorg op vrijwillige basis niet mogelijk is.”. Blijkens de medische verklaring achtte de onafhankelijk psychiater sprake van manische decompensatie bij bipolaire 1 stoornis.

Uit het episode journaal blijkt “Betrokkene is manisch gedecompenseerd zij is voortdurend aan het schreeuwen hierbij is het niet mogelijk om contact te maken. Gaat niet in gesprek met onderzoeker.”

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. De psychiater heeft ter zitting bovendien verklaard dat hij nog steeds achter zijn bevindingen en observaties staat.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding om betrokkene te volgen in haar stelling dat zij de psychiater in het geheel niet gesproken heeft. De psychiater verklaarde ter zitting dat hij betrokkene heeft beoordeeld. Daarnaast acht de rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat de toenmalige psychische gesteldheid van betrokkene hier een rol heeft gespeeld.

Ter zitting is namens de burgemeester van de gemeente Leiden uitvoerig ingegaan op de procedure van de crisismachtiging. Daaruit blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat de burgemeester voldoende geïnformeerd was over, en ook navraag heeft gedaan naar, het feit dat, en de vraag of, betrokkene niet gehoord kon worden. Tussen de burgemeester en de onafhankelijk psychiater is telefonisch overleg geweest waarbij deze vragen aan de orde komen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester gelet hierop op goede gronden uit is gegaan van de verklaring van de onafhankelijk psychiater dat betrokkene niet in staat was om gehoord te worden. Op dit punt is dus wel voldaan aan de wettelijke bepalingen.
Het beroep is op dit onderdeel ongegrond.

Het verweer van de advocaat dat er geen hoorverslag is opgemaakt, maakt niet dat niet is voldaan aan de wet. De wet vereist niet dat dit verslag deel uitmaakt van de stukken.

Onmiddellijk dreigend ernstig nadeel

De rechtbank begrijpt het beroep van betrokkene aldus dat zij betwist dat er sprake was van onmiddellijk (dreigend) ernstig nadeel. Betrokkene heeft betwist dat zij in het Kruidvat met spullen heeft gegooid en dat zij agressief was naar een medepatiënt.

De rechtbank overweegt dat in de medische verklaring duidelijk omschreven is waar, naar het oordeel van de onafhankelijk psychiater, het onmiddellijk (dreigend) ernstig nadeel op gegrond is. Ter zitting heeft de psychiater toegelicht dat hij zijn oordeel laat rusten op drie factoren: de directe aanleiding voor het verzoek, zijn eigen beoordeling van betrokkene en de voorgeschiedenis van betrokkene. Vanuit die drie factoren was de psychiater, samengevat, van oordeel dat, vanuit de psychische stoornis van betrokkene, er agressie kan ontstaan richting anderen en betrokkene door haar gedrag bovendien agressie kan oproepen bij anderen. Daarnaast bestaat het gevaar op ernstige zelfverwaarlozing en ook de algemene veiligheid van goederen. De psychiater heeft ter zitting verklaard dat hij nog volledig staat achter zijn beoordeling zoals opgenomen in de medische verklaring.

De rechtbank is van oordeel dat de onafhankelijk psychiater op goede gronden tot zijn oordeel kon komen. In hetgeen betrokkene naar voren brengt ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De enkele ontkenning van de gang van zaken onmiddellijk voorafgaand aan de opname die dag is daartoe onvoldoende. De rechtbank benadrukt dat niet alleen het gedrag van betrokkene in het Kruidvat hier de bepalende factor is. Veel meer is van belang de vraag of betrokkene, in zijn algemeenheid, in de maatschappij agressief zou kunnen zijn naar personen of goederen, of dat zij door haar gedrag agressie bij anderen zou kunnen oproepen. Deze gevaarzettende factoren zijn, blijkens de medische verklaring, door de onafhankelijk psychiater waargenomen.

Het beroep is ook op dit onderdeel ongegrond.

Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van 15 maart 2021 tegen de crisismaatregel van 27 februari 2021 ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W. de Wit, rechter, bijgestaan door A.E. Babulall-Balkaran als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2021.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.