Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5959

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
C/09/611065 KG ZA 21-401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vordering inzage camerabeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/611065 / KG ZA 21-401

Vonnis in kort geding van 4 mei 2021

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. D.B. Dubach te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I. Engels te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 29 april 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 18 maart 2019 heeft een terroristische aanslag plaatsgevonden in en om een sneltram op [locatie] in [plaats] (hierna: de aanslag). De schutter heeft meerdere personen onder vuur genomen, waardoor er vier doden zijn gevallen en een aantal mensen gewond is geraakt. [eiser] was een van de passagiers aan boord van de sneltram ten tijde van de aanslag.

2.2.

De aanslag is vastgelegd met camera’s die in de sneltram en bij de tramhalte op [locatie] hingen. Eind 2019 en begin 2020 zijn, voorafgaand aan en tijdens het strafproces tegen de schutter, aan (personen namens) [eiser] beelden getoond van een aantal camera’s uit het achterste deel van het tramstel waarop [eiser] te zien is.

2.3.

[eiser] is daarna een kort geding begonnen tegen de Staat, waarin hij kort gezegd heeft gevorderd om de Staat te veroordelen aan hem de integrale beelden te verstrekken van de aanslag, vanaf het moment dat hij de sneltram binnenliep tot het moment dat de (toen nog) verdachte de tram verliet, althans om hem inzage in deze beelden te verstrekken. [eiser] heeft ter onderbouwing daarvan kort gezegd gesteld dat op de integrale beelden te zien moet zijn dat de schutter een doelgerichte poging heeft gedaan om hem van het leven te beroven. Met die beelden kan hij dus vaststellen of er wel of niet voldoende bewijs is om de dader te vervolgen voor poging tot moord of doodslag. [eiser] heeft gesteld dat hij de gevraagde beelden dient te zien om zijn vordering benadeelde partij te onderbouwen, om in staat te zijn deugdelijk onderbouwd een procedure te starten op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat de kennisneming van belang is voor zijn verdere verwerkingsproces.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft in dat kort geding de zaak ter zitting aangehouden voor overleg tussen partijen. Dat overleg heeft plaatsgevonden. De Staat heeft [eiser] toen een aanbod gedaan en dat aanbod na de reactie daarop van [eiser] nog uitgebreid. [eiser] heeft dat aanbod niet aanvaard. De voorzieningenrechter heeft [eiser] daarna bij vonnis van 27 februari 2020 niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De voorzieningenrechter heeft voorts ten overvloede inhoudelijk overwogen waarom, als voorbij wordt gegaan aan de geconstateerde niet-ontvankelijkheid, de vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar zijn in dat (civielrechtelijke) geding. [eiser] heeft hoger beroep aangetekend tegen dat vonnis.

2.5.

[eiser] is in februari 2020 een procedure gestart op grond van artikel 12 Sv, hierna: de artikel 12-procedure.

2.6.

De schutter is op 20 maart 2020 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld voor moord met een terroristisch oogmerk op 4 mensen, een poging daartoe op 3 mensen en bedreiging met een terroristisch misdrijf van 17 mensen, onder wie [eiser] . Dat vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

2.7.

[eiser] heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 februari 2020. In appel heeft hij zijn eis gewijzigd en inzage gevorderd in de integrale beelden van alle acht camera’s in het tramstel en van de camera op het perron vanaf het moment dat hij het achterste tramstel binnenliep tot het moment dat de schutter in [auto] stapte en wegreed. Het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) heeft bij arrest van 2 februari 2021 (hierna: het arrest) het vonnis van 27 februari 2020 bekrachtigd. Het hof heeft overwogen dat en waarom hij de vordering inhoudelijk niet toewijsbaar acht. Het Hof heeft de formele verweren daarom verder buiten beschouwing gelaten.

In rechtsoverweging 4.5 van het arrest staat onder meer vermeld: “Vaststaat dat [eiser] op 6 september 2019 een selectie van beelden (van camera’s 1, 2 en 5) te zien heeft gekregen waarop hij zelf onafgebroken, van seconde tot seconde, te zien is vanaf het moment van instappen tot aan het moment van uitstappen en ook kort daarna buiten de tram (…) Van elke seconde dat [eiser] in de tram was heeft hij dus camerabeelden gezien. De beelden zijn bij die gelegenheid op zijn verzoek steeds stopgezet, teruggespoeld en opnieuw getoond en zijn toenmalige advocaat en gemachtigde hebben later de beelden ook nog eens opnieuw mogen bekijken. De Staat heeft uitgelegd dat de beelden van camera 8 niet bij de aan [eiser] getoonde selectie waren betrokken omdat op de wel aan hem getoonde beelden van camera 2 (die tegenover camera 8 hangt en de andere kant op is gericht) het duidelijkst te zien is dat de schutter voor [eiser] staat en het wapen kort in zijn richting houdt. Het hof acht die uitleg plausibel. Van kwade trouw is niet gebleken; integendeel uit de stukken blijkt dat het OM steeds zeer zorgvuldig is omgegaan met alle belangen, ook met die van [eiser] . Daar komt bij dat de Staat nadien nog heeft aangeboden om [eiser] de integrale beelden van alle vier de camera’s uit het achterste deel (dus ook van camera 8) én de integrale beelden van de camera op het perron te tonen. Dat aanbod staat, zoals de Staat op de zitting heeft aangegeven, nog steeds.”

In rechtsoverweging 4.8 staat:

Uit het voorgaande vloeit voort dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd zonder inzage in de beelden van de camera’s uit het voorste deel. Daar komt het volgende bij. Op zich is heel begrijpelijk dat [appellant] er behoefte aan heeft álle beelden te zien. Hij heeft echter niet onderbouwd – bijvoorbeeld door middel van een verklaring van een psycholoog of psychiater – dat dit daadwerkelijk van belang is voor zijn verwerkingsproces. In zoverre is voorshands niet duidelijk of de beelden [appellant] echt verder zouden helpen. Ook als echter zou worden aangenomen dat [appellant] inderdaad belang heeft bij inzage in álle beelden, dus ook de beelden waar hij niet op staat, geldt dat tegenover dit belang het zwaarwegende belang van de slachtoffers en nabestaanden staat om niet opnieuw herinnerd te worden aan de aanslag. De officier van justitie heeft tijdens de zitting verklaard dat zij de slachtoffers en nabestaanden om toestemming moet vragen om de beelden aan [appellant] te tonen en ook dat zij hen ervan op de hoogte zal moeten brengen als het verzoek van [appellant] tot inzage in alle beelden gehonoreerd zou worden. Verder heeft de officier van justitie uitgelegd dat zij heel veel met de slachtoffers en nabestaanden heeft gesproken en dat zij heeft gemerkt dat telkens als er een moment is waarop het OM contact met hen heeft, bijvoorbeeld naar aanleiding van een persbericht, dat dat hen herinnert aan de gebeurtenissen, hetgeen heel confronterend en traumatisch is voor hen. Daarom acht zij het de taak van het OM om de afweging (wel/niet voldoen aan het verzoek van [appellant]) voor hen te maken. Zij heeft het hof ervan overtuigd dat het OM gewetensvol tot deze afweging is gekomen.

Alles overziend is het hof van oordeel dat indien [appellant] al belang zou hebben bij inzage in de beelden waarop hij niet zichtbaar is, voormelde belangen van de slachtoffers en nabestaanden voorshands zwaarwichtige redenen vormen die de weigering (eveneens) kunnen dragen.”.

In het proces-verbaal van de in deze procedure gehouden mondelinge behandeling staat onder meer vermeld: “De Staat heeft [eiser] aangeboden om de beelden van de vier camera’s aan de achterzijde van de tram te bekijken. Hij mag dan de totale beelden zien, er wordt dan geen selectie gemaakt.”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, de Staat te gebieden om binnen 24 uur na dit (niet later dan op 4 mei 2021 uit te spreken) vonnis [eiser] (en zijn gemachtigden) inzage te geven in alle beelden (dus niet een selectie) van camera's 1, 2, 5 en 8, en in alle beelden (dus niet een selectie) van de camera op het perron ‘ […] ’, vanaf het moment dat [eiser] de tram instapt (om en nabij 10.40 uur op 18 maart 2019) tot aan het moment (in ieder geval later dan 10.43.09 uur) dat de schutter in [auto] (met kenteken [nummer] ) wegrijdt, waarbij de gezichten van andere betrokkenen onherkenbaar worden gemaakt (met uitzondering van het gezicht van [eiser] en de schutter), op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals in de dagvaarding vermeld.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep zijn aanbod uitgebreid naar het verlenen van inzage in alle beelden (dus niet een selectie) van camera’s 1, 2, 5 en 8 en van de camera op het perron en over de uitgebreidere tijdsperiode zoals in dat geding en ook in dit geding gevorderd. [eiser] heeft dat aanbod aanvaard en daarmee is een overeenkomst tussen [eiser] en de Staat tot stand gekomen. De Staat dient die overeenkomst na te komen. Subsidiair doet [eiser] een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen. Hij heeft het aanbod zo opgevat dat hiermee werd afgeweken van het eerdere aanbod en qua tijdvak binnen de kaders viel van het hoger beroep. Een belangenafweging valt uit in het voordeel van [eiser] . Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit het gegeven dat er op 7 mei 2021 een mondelinge behandeling staat gepland in de artikel 12-procedure.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] meerdere belangen bij toewijzing van zijn vorderingen heeft genoemd. Hij wil genoegdoening in de vorm van smartengeld en vergelding ten opzichte van de schutter en hij wenst dat de waarheid wordt vastgesteld en dat wordt erkend wat hem is overkomen. Voor toewijzing van een vordering in kort geding – een procedure die enkel is bestemd voor het treffen van ordemaatregelen in spoedeisende gevallen, waar de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht – dient de eisende partij echter niet alleen een belang te hebben bij toewijzing van het gevorderde, maar ook een spoedeisend belang.

4.2.

Het spoedeisend belang is volgens [eiser] gelegen in het feit dat er op 7 mei 2021 een mondelinge behandeling staat gepland in de artikel 12 Sv-procedure. [eiser] stelt dat het slagen van die procedure afhangt van de inzage in de totale camerabeelden conform het uitgebreidere aanbod dat de Staat heeft gedaan ter zitting van het hof. Zonder inzage in de beelden zal die procedure volgens [eiser] vruchteloos blijken te zijn. [eiser] stelt dat onder die omstandigheden niet van hem kan worden verwacht dat hij een bodemprocedure afwacht.

4.3.

Dit kan echter niet kan worden aangemerkt als een spoedeisend belang bij toewijzing van het in dit geding gevorderde. In het vonnis van 27 februari 2020 is al overwogen dat in de artikel 12-procedure nader onderzoek gedaan kan worden en dat het ook mogelijk is om daarbij informatie te betrekken die er wel is maar (nog) geen onderdeel uitmaakt van het strafdossier. De procedure van artikel 12 Sv is in zijn algemeenheid een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang (Hoge Raad, 10 oktober 1997, NJ 1998/65), waarmee [eiser] kan bewerkstelligen wat hij met de gevorderde inzage beoogt in het kader van die procedure. Dat is voor de voorzieningenrechter in het vorige kort geding redengevend geweest om [eiser] niet in zijn vorderingen te ontvangen. De omstandigheid dat in die artikel 12-procedure op korte termijn een mondelinge behandeling plaatsvindt, kan dan ook geen reden vormen om in dit geding aan te nemen dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

4.4.

[eiser] heeft ter zitting nog opgemerkt dat in de artikel 12-procedure weliswaar kan worden gevraagd om het toevoegen van stukken aan het dossier, maar dat hij daar in dit geding niet om vraagt. Hij vordert nu inzage in de beelden ten behoeve van de diverse door hem genoemde belangen omdat hij daar naar zijn zeggen recht op heeft op grond van het door hem geaccepteerde aanbod van de Staat om hem deze beelden te tonen. Ook als zou worden aangenomen dat deze belangen spoedeisend zijn, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. Het volgende is daartoe redengevend.

4.5.

[eiser] baseert zijn vordering in dit geding op een volgens hem door de Staat tijdens de mondelinge behandeling van het vorige kort geding bij het hof van 19 november 2020 gedane toezegging tot het verlenen van inzage in alle in de vordering genoemde beelden (dus niet een selectie) van al de in de vordering genoemde camera’s en wel – en dat is tussen partijen in geschil – over de gehele in de vordering genoemde periode. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de Staat, heeft [eiser] echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door de Staat gedane toezegging op die manier moet worden uitgelegd. Hetgeen staat vermeld in het proces-verbaal van de zitting bij het hof en in het arrest, meer in het bijzonder in de onder 2.7 geciteerde passages, bieden daarvoor geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten. Het feit dat de door [eiser] in de appelprocedure ingediende vordering een uitgebreider tijdvak betrof, is daartoe onvoldoende. De toezegging is niet gedaan in het kader van een debat over dat tijdvak maar over de eerder aan [eiser] getoonde selectie van beelden. De uitlating van de Staat dat het aanbod “nog steeds staat” bevestigt ook niet dat er een uitgebreider aanbod is gedaan, zoals [eiser] meent. Dit maakt juist het tegendeel aannemelijk. Voor de juistheid van het standpunt dat [eiser] er desondanks gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat dit anders was, ziet de voorzieningenrechter in het licht van al het vorenstaande ook geen aanknopingspunt. Voor toewijzing van de vorderingen in dit geding op deze grondslag is daarom geen plaats.

4.6.

[eiser] heeft aangevoerd de gevraagde camerabeelden ook te willen zien om vast te kunnen stellen wat er op beeld is vastgelegd, omdat zijn herinnering aan de aanslag op diverse onderdelen afwijkt van wat er volgens het strafdossier is gebeurd. Hij kan al twee jaar niet slapen en wil de waarheid weten. Volgens de Staat verzet het belang van de slachtoffers en de nabestaanden zich tegen verdere inzage van beelden en is hetgeen het hof heeft geoordeeld in rechtsoverweging 4.8 van het arrest nog steeds actueel.

4.7.

[eiser] heeft nog steeds niet onderbouwd – bijvoorbeeld door middel van een verklaring van een psycholoog of psychiater – dat inzage in de gevraagde beelden daadwerkelijk van belang is voor zijn verwerkingsproces. In zoverre is ook thans voorshands niet duidelijk of de beelden [eiser] echt verder zouden helpen en kan het gestelde belang in deze procedure niet worden aangenomen.

4.8.

Ten overvloede – voor het geval [eiser] wel het gestelde belang zou hebben bij inzage in de beelden – geldt het volgende. Het hof heeft in r.o. 4.8. van zijn arrest overwogen dat de belangen van de slachtoffers en nabestaanden voorshands zwaarwichtige redenen vormen bij de weigering inzage te verstrekken in meer beelden dan de Staat heeft aangeboden. Dit geldt voor alle beelden waarop slachtoffers (anders dan alleen [eiser] ) zijn te zien nog onverkort. Deze weigeringsgrond gaat echter niet op voor inzage van beelden waarop (behalve uitsluitend [eiser] ) geen (andere) slachtoffers te zien zijn. Daarvan hoeft de Staat geen melding te maken aan de slachtoffers en de nabestaanden. Volgens de Staat heeft de camera op perron […] , nadat [eiser] en de schutter zijn ingestapt en de tram is gaan rijden, beelden gemaakt waarop geen slachtoffers zijn te zien. De camera was volgens de Staat op het spoor gericht en heeft uitsluitend een lege trambaan gefilmd.

De Staat weet niet of deze beelden zijn veiliggesteld maar stemt er niet mee in eventueel bewaarde beelden aan [eiser] te tonen omdat dit volgens de Staat het wantrouwen van [eiser] niet zal wegnemen. Bovendien zal met het blurren van de op de film voorkomende personen weer tijd van de politie zijn gemoeid.

[eiser] heeft ter zitting aangevoerd dat hij deze beelden wil zien. [eiser] stelt dat de schutter na het verlaten van de tram richting [auto] is gerend. Volgens [eiser] heeft de schutter daarbij op hem geschoten en heeft [eiser] de chauffeur van [auto] het leven gered. Deze twee gebeurtenissen worden volgens [eiser] ten onrechte niet erkend en moeten volgens [eiser] op de camerabeelden te zien zijn. Indien [eiser] zijn onder 4.7 gestelde belang alsnog deugdelijk onderbouwt, én er beelden van deze camera zijn veiliggesteld, dient het belang van [eiser] bij het inzien van deze veiliggestelde beelden (van na het verlaten van de tram door [eiser] tot aan het wegrijden van [auto] ) zwaarder te wegen dan dat van de Staat bij het niet tonen [eiser] . Gezien het standpunt van de Staat dat op de beelden alleen een lege trambaan is te zien, kan met het blurren van de beelden niet veel tijd zijn gemoeid. Of het tonen van deze beelden al dan niet bijdraagt aan het wegnemen van het wantrouwen van [eiser] jegens de Staat is daarbij niet van belang.

Gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen, kan dit echter niet leiden tot toewijzing van de vordering in dit geding.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Vetter op 4 mei 2021.

ts