Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5902

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 8028
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure. RWN. Afwijzing naturalisatie.Ernstige vermoedens dat gevaar bestaat voor de openbare orde. Rehabilitatietermijn van 5 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/8028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi)

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om naturalisatie van eiseres en haar (destijds) minderjarig kind afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 9 juni 2021 via een Skypeverbinding. Eiseres en haar gemachtigde waren aanwezig. Als tolk was aanwezig F. Mohammed. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiseres wil, evenals haar (destijds) minderjarige zoon, Nederlander worden. Zij is het oneens met de afwijzing van het verzoek.

2. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat eiseres een gevaar vormt voor de openbare orde. Zij heeft namelijk in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag een misdrijf gepleegd. Op 25 april 2018 is een strafbeschikking jegens eiseres genomen waarbij haar een werkstraf van 15 uren is opgelegd wegens overtreding van de artikelen 310 en 311 lid 1 aanhef en sub 4 van het Wetboek van Strafrecht.

Wat zijn de regels?

3. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt een naturalisatieverzoek afgewezen als op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Bij toepassing van artikel 9 van de RWN hanteert verweerder het beleid als neergelegd in de Handleiding. Uit de Handleiding volgt dat een ernstig vermoeden van gevaar voor de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 9 van de RWN, wordt aangenomen als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd.

Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?

4. Eiseres vindt dat de strafrechtelijke veroordeling niet zonder meer betekent dat zij een gevaar voor de openbare orde vormt. Integendeel: eiseres vormt geen gevaar. Verweerder had meer feiten en omstandigheden over eiseres en haar verleden bij de beoordeling moeten betrekken en de belangen van haar en haar zoontje moeten meewegen. De gevolgen van de afwijzing zijn onevenredig. Verder vindt eiseres dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.

5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6.1.

Vaststaat dat aan eiseres binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag (de zogenoemde rehabilitatietermijn) een strafbeschikking is opgelegd in verband met het plegen van een misdrijf. Op basis van dit gegeven heeft verweerder terecht geoordeeld dat er ernstige vermoedens zijn dat eiseres een gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank stelt vast dat eiseres in bezwaar noch in de gronden van beroep concreet heeft gemaakt welke feiten en belangen verweerder had moeten meenemen in de besluitvorming en waaruit de eventuele onevenredige gevolgen van de afwijzing bestaan.

6.2.

Eerst ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat zij niet degene is geweest die de diefstal heeft gepleegd; dat was een vriendin. Het was eiseres niet duidelijk dat de strafbeschikking gevolgen zou kunnen hebben voor haar naturalisatie. Zij heeft dit destijds nog gevraagd, maar haar is verteld dat dit geen gevolgen zou hebben. Eiseres was niet goed op de hoogte van haar rechten en wist dus ook niet dat zij rechtsbijstand kon krijgen in de strafprocedure. Eiseres heeft slechts dit ene strafbare feit op haar documentatie staan; in de periode hiervoor en ook in de drie jaar erna heeft zij geen strafbare feiten gepleegd. Ook had verweerder volgens eiseres mee moeten laten wegen dat haar kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben.

6.3.

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat van zeer bijzondere omstandigheden om af te wijken van de regels niet is gebleken. De door eiseres ter zitting genoemde feiten en omstandigheden, voor zover voldoende aannemelijk gemaakt, bieden hiervoor op grond van vaste jurisprudentie geen aanleiding.

6.4.

Ten aanzien van de stelling dat eiseres in bezwaar ten onrechte niet is gehoord, overweegt de rechtbank dat uit een telefoonnotitie van 18 februari 2020 die door verweerder is overgelegd blijkt dat hiertoe is besloten in overleg met de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting desgevraagd aangegeven deze beroepsgrond te handhaven, maar zich wat betreft het oordeel hierover te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Hij kan ontkennen noch bevestigen dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Gelet hierop, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van genoemde telefoonnotitie. Dit betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt.

7.
Het beroep is ongegrond.

8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Meide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.