Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5867

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/7509
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum verblijfsvergunning. Geen wettelijke grondslag voor vaststelling eerder verblijfsrecht. Ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/7509

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. F.A. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.

Procesverloop

Eiseres heeft op 8 oktober 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 september 2020 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum eiseres] en de Braziliaanse nationaliteit te bezitten. Op 20 augustus 2019 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘tijdelijk humanitaire gronden’ ingediend. Op 10 april 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het door eiseres ingediende bezwaar ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de afwijzing van de aangevraagde verblijfsvergunning. Voor wat betreft het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM1 heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft bij brief van 4 augustus 2020 aangetoond dat zij aan alle voorwaarden voldoet voor de verstrekte verblijfsvergunning. Daarom is de ingangsdatum vastgesteld op 4 augustus 2020.

3. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte 4 augustus 2020 als ingangsdatum hanteert. Eiseres stelt dat zij eerder rechtmatig verblijf had en dat verweerder die eerdere ingangsdatum dient vast te stellen. Zij stelt zich primair op het standpunt dat zij rechten kan ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez2 sinds de geboorte van haar Nederlandse kind [naam kind 1] op [geboortedatum kind 1]. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat, nu er een verblijfsvergunning voor verblijf bij [naam kind 2] is verleend, de ingangsdatum dient te worden vastgesteld op [geboortedatum kind 2]: de geboortedatum van [naam kind 2]. Meer subsidiair dient de ingangsdatum van de verblijfsvergunning te worden vastgesteld op 20 augustus 2019, aangezien dat de datum is waarop aan [naam kind 2] een zelfstandige verblijfsvergunning is verstrekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Het uitgangspunt voor de beoordeling van het beroep is het bepaalde in artikel 26 van de Vw.3 In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden daarvoor voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.

5. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning dient te worden vastgesteld op 20 augustus 2019, de datum waarop zij haar aanvraag heeft ingediend. Gelet op de informatie die eiseres in de verklaring van 20 oktober 2019 heeft verstrekt, stelt eiseres zich subsidiair op het standpunt dat de ingangsdatum op 20 oktober 2019 dient te worden vastgesteld. De rechtbank volgt eiseres niet in deze standpunten en overweegt daartoe als volgt.

6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiseres met de op 4 augustus 2020 ingediende stukken heeft aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor de verstrekte verblijfsvergunning voldoet. Eiseres heeft met de verklaring van 20 oktober 2019 een aantal omstandigheden geschetst omtrent haar verblijf in Nederland en de relatie met haar kinderen. Dat de verklaring daarmee als een begin van de bij verweerder bekende gegevens kan worden aangemerkt, maakt echter niet dat eiseres heeft aangetoond dat zij vanaf die datum al voldoet aan de voorwaarden voor de verstrekte verblijfsvergunning. Gelet hierop heeft verweerder de ingangsdatum van de vergunning op goede gronden op 4 augustus 2020 gesteld.

7. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning dient te worden vastgesteld op 28 december 2004. De Afdeling4 heeft in de uitspraak van 21 februari 20115 geoordeeld dat de Verblijfsrichtlijn6 er niet aan in de weg staat dat het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf van een vreemdeling op grond van het gemeenschapsrecht vast te stellen, als daar door een vreemdeling uitdrukkelijk om wordt verzocht. Daar is bij het Nederlandse nationale recht echter niet in voorzien. Gelet op het ontbreken van een wettelijke grondslag, is verweerder niet bevoegd om de ingangsdatum van een (eventueel) eerder verblijfsrecht vast te stellen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van de vraag of eiseres eerder rechten kon ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier, op 3 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.

3 Vreemdelingenwet 2000.

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5 ECLI:NL:RVS:2011:BP5947.

6 Richtlijn 2004/38/EG.