Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5863

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/8659
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit en inreisverbod - motiveringsgebrek inreisverbod - gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/8659

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Jonkman).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Jordaanse nationaliteit te bezitten.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd op grond van de artikelen 62 en 66a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aan het terugkeerbesluit heeft verweerder twee lichte en één zware grond ten grondslag gelegd. Onder de zware grond verstaat verweerder dat eiser in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten. Onder de lichte gronden verstaat verweerder dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft en verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser op [datum] 2020 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand vanwege het in bezit hebben dan wel het voorhanden hebben van een vervalst reisdocument. Dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, volgt uit zijn eigen verklaring dat hij in Nederland verblijft in hotels. Volgens verweerder bestonden er geen redenen om af te zien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Ten aanzien van eisers zakelijke belangen in Europa overweegt verweerder dat het mogelijk is dat andere personen uit eisers onderneming of een zakenpartner in Europa zaken gaat doen voor eiser. Ten aanzien van de ziekte van eisers zus overweegt verweerder dat niet is gebleken dat het inreisverbod een belemmering zal opleveren voor de medische behandelingen in Duitsland, nu eisers moeder zijn zus ook kan bijstaan.

3. Op wat eiser hiertegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Verweerder heeft het terugkeerbesluit dan ook op goede gronden genomen.

5. Voorafgaand aan de uitvaardiging van het inreisverbod is eiser in de gelegenheid gesteld om gronden naar voren te brengen die tot het verkorten van de duur van het inreisverbod of afzien van het inreisverbod zouden kunnen leiden. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij zijn zus moet ondersteunen bij de medische behandelingen die zij in Duitsland ondergaat. Eiser heeft echter ook verklaard dat zijn moeder steeds met zijn zus is meegegaan naar de behandelingen om haar te ondersteunen. Verweerder kan daarom worden gevolgd in zijn standpunt dat niet is gebleken dat het noodzakelijk is dat eiser zijn zus naar Duitsland begeleid en dat deze omstandigheid geen aanleiding hoeft te vormen om af te zien van het inreisverbod dan wel het verkorten van de duur ervan. Eiser heeft verder tijdens het gehoor verklaard dat hij met zijn broer en vader een familiebedrijf runt dat vrachtwagens uit Europa exporteert naar Jordanië. De rechtbank constateert dat tijdens dit gehoor geen nadere vragen zijn gesteld over het bedrijf van eiser en dat eiser niet is bevraagd over de mogelijkheid om het zaken doen in Europa over te laten aan een zakenpartner. Het is daarom niet duidelijk hoe verweerder in het bestreden besluit tot de conclusie is gekomen dat een ander persoon uit eisers bedrijf dan wel een zakenpartner in Europa zaken kan gaan doen voor eisers familiebedrijf. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat er geen persoon is die voor eiser zaken kan gaan doen in Europa en dat het belangrijk is dat eiser zelf zaken kan doen, vanwege het vertrouwen dat met het doen van zaken is gemoeid. Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de duur van het inreisverbod te verkorten dan wel af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Het besteden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Het beroep is reeds hierom gegrond en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het inreisverbod, vernietigen.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienden van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op het inreisverbod;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1068,- (duizendachtenzestig euro);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- (honderdachtenzeventig euro) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.