Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/9659
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV, familierechtelijke relatie niet aangetoond, biologische ouders, pleegsituatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/9659

V-nummers: [nummer] en [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken tussen

[naam1] en [naam2], eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 januari 2021 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 19 april 2021 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 april 2021. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam3], referente, en [naam4], tolk in de taal Tigrinya. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] respectievelijk [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 6 maart 2019 hebben eisers een opvolgende aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid bij referente in het kader van nareis ingediend. Op 20 maart 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de identiteit van eisers alsmede de identiteit en het overlijden van hun biologische ouders niet is aangetoond. Er is geen sprake van bewijsnood aan de kant van eisers. Gezien het voorgaande kan evenmin de familierechtelijke relatie van eisers met de biologische ouders worden vastgesteld. Ook kan niet beoordeeld worden of er sprake is van een pleegsituatie tussen eisers en referente.

3. Eisers hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Zij voeren daartoe het volgende aan. Allereerst is er sprake van een verscherping van het beleid, nu eisers ook de identiteit van de biologische ouders moeten aantonen. Verweerder moet uitgaan van het beleid zoals bepaald ten tijde van de eerste aanvraag. Verder heeft verweerder ten onrechte geen identificerend gehoor aangeboden in deze procedure. Verweerder had immers in de vorige procedure besloten een identificerend gehoor aan te bieden, omdat er geen officiƫle documenten aanwezig waren om de identiteit van eisers aan te tonen. Ook heeft verweerder ten onrechte de ingediende stukken niet voldoende geacht. Deze stukken hadden niet eerder overgelegd kunnen worden. Tevens is er in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld, nu verweerder de stukken buiten beschouwing heeft gelaten omdat ze onleesbaar waren. Aangeboden is om deze per post toe te sturen. Hier heeft verweerder niet op gereageerd. Dat er geen overlijdensakte is overgelegd, kan eisers ook niet worden tegengeworpen. Uit het ambtsbericht Eritrea volgt dat een overlijdensakte nodig is voor het afwikkelen van een erfenis of een gerechtelijke procedure. Hier is geen sprake van. Voorts doen eisers een beroep op de uitspraak van het Europese Hof van Justitie.1 Tot slot heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het belang van het kind. Ten onrechte zijn eisers niet gehoord in bezwaar.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beleid

4. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verscherping van het beleid, maar slechts van een verduidelijking daarvan. Dit blijkt onder andere uit de WBV 2020/72. Benadrukt wordt dat altijd de familierechtelijke relatie en de identiteit van de biologische ouders aangetoond moet zijn.

Aanvullend onderzoek en contra-indicaties

5. Bij de beoordeling van nareiszaken hanteert verweerder een vaste gedragslijn.3 Verweerder beoordeelt het geheel aan overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en biedt geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.

6. De rechtbank overweegt dat eisers geen geboorteaktes hebben overgelegd of ander substantieel indicatief bewijs ten aanzien van de identiteit of de feitelijke gezinsband met referente. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat er zichtbare wijzigingen zijn aangebracht op de doopaktes van eisers. Dat dit een correctie van een misslag is geweest, blijkt nergens uit. De aktes kunnen als vervalst worden aangemerkt. Ook hebben eisers ook geen overlijdensakte overgelegd van hun gestelde biologische ouders. Voor het ontbreken van de overlijdensakte hebben eisers geen afdoende verklaring gegeven. Hierbij is tevens van belang dat er tegenstrijdig is verklaard over het overlijden van de biologische vader en bij wie eisers verblijven. Ook kan het UNHCR-document niet als substantieel indicatief bewijs dienen, nu de geboortedatum van [naam1] niet overeenkomst met hetgeen is opgegeven door referente. Nu er sprake is van contra-indicaties, heeft verweerder conform C2/4.2.1 terecht afgezien van een aanvullend onderzoek. Dat eisers in de eerste procedure wel een identificerend gehoor is aangeboden, doet hier niets aan af. De contra-indicaties waren immers niet bekend ten tijde van het aanbieden van een dergelijk gehoor in de eerste procedure.

Hetgeen eisers overigens hieromtrent nog hebben aangevoerd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Familierechtelijke relatie

7. De rechtbank overweegt dat de identiteit van de gestelde biologische ouders niet is aangetoond. Hierdoor kan de familierechtelijke relatie tussen eisers en deze ouders evenmin worden vastgesteld. Dat er sprake is van bewijsnood is door eisers niet aangetoond noch anderszins aannemelijk geworden.

Pleegsituatie

8. Nu de identiteit van eisers en de identiteit van de biologische ouders van eisers en hun overlijden niet is aangetoond, komt men niet toe aan de gestelde pleegrelatie tussen eisers en referente.

Belangen van het kind

9. De rechtbank overweegt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden en de belangen van de kinderen. Van belang is dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referente niet vaststaat. Tevens wordt er voor eisers gezorgd en verblijven zij bij familie. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een schrijnende situatie. Een beroep op de hiervoor aangehaalde uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak-E slaagt derhalve niet.

Horen

10. Van het horen in bezwaar mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb4 worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

11. De aanvraag is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Zohrabian, griffier, op 2 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

de griffier is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Europese Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 maart 2019, C-635/17.

2 WBV 2020/7 p.43.

3 Zie ook paragraaf C1/4.4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

4 Algemene wet bestuursrecht.