Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5842

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6042
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag omgevingsvergunning afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6042

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.G. van Keulen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz)

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van zes nieuwe appartementen aan de [straat] ongenummerd naast nummers [nummer 1] tot en met [nummer 2] te Den Haag afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 29 juni 2018 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van zes nieuwe appartementen aan de [straat] ongenummerd naast nummers [nummer 1] tot en met [nummer 2] te Den Haag.

2. Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd, als bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerpbesluit heeft vanaf 1 maart 2019 zes weken ter inzage gelegen. Eiser heeft hiertegen tijdig een zienswijze ingediend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo) mede aangemerkt als een aanvraag van een omgevingsvergunning voor ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo). Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit wordt toegelicht dat ten eerste niet wordt voldaan aan een aantal eisen voor de activiteit ‘bouwen’. De Welstands- en Monumentencommissie (Welstandscommissie) heeft in verband met de dakopbouw en geveluitwerking een negatief advies uitgebracht. De Welstandscommissie acht onder meer de dakopbouw in opzet en vormgeving geen geïntegreerd onderdeel van de onderliggende architectuur en de metselwerkplint niet passend in het straatbeeld. Blijkens het bestreden besluit is voorts niet aangetoond dat aan de geluidseis 2012 van 27dB voor de gevel uit het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. Daarnaast bedraagt de afstand van de raamvlakopeningen tot aan de perceelgrens in strijd met het Bouwbesluit 2012 minder dan de toegestane twee meter. Ook voorziet het bouwplan niet in een fietsenberging, zodat niet wordt voldaan aan het bestemmingsplan “parapluherziening (fietsparkeren)”.

Ten tweede is het te realiseren appartementencomplex in strijd met het bestemmingsplan “Centrum Loosduinen” (bestemmingsplan) buiten het bouwvlak geprojecteerd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo. In het bestreden besluit licht verweerder toe dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt de hoogte van het gebouw, de toegevoegde en duidelijk zichtbare dakopbouw en het afwijkende kleur- en materiaalgebruik voor een zeer onrustig en onsamenhangend straatbeeld zorgen. Het toevoegen van nog meer kleine woningen aan de wijk heeft bovendien een te grote invloed op de fysieke en sociale leefomgeving. Verder zullen, in strijd met de Haagse bezonningsnorm, de aan de overzijde van de straat gelegen benedenwoningen in de winterperiode niet meer de vereiste twee uur bezonning ondervinden. Tot slot is sprake van een privaatrechtelijke belemmering omdat de voorziene achtergevel zich in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek op minder dan twee meter van de erfgrens met het achtergelegen erf is gelegen en daarin gevelopeningen zijn opgenomen die zicht geven op dit erf.

4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij betoogt dat verweerder hem tijdens de aanvraagprocedure, voordat het ontwerpbesluit ter inzage werd gelegd, de gelegenheid had moeten bieden om het bouwplan aan te passen. Eiser stelt dat de door hem voorziene aanpassing van het bouwplan een ondergeschikte wijziging betreft. De voorgestelde aanpassing behelst het laten vervallen van de dakopbouw, het realiseren van een fietsenberging op de begane grond, het terugbrengen van het aantal appartementen van zes naar vijf en het aanpassen van de gevel en het verplaatsen daarvan tot twee meter van de erfgrens. Eiser betoogt verder dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo. Eiser stelt in dit verband dat verweerder het advies van de Welstandscommissie niet zonder hoor en wederhoor aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Eiser voert ook aan dat de beoogde nieuwbouw in lijn is met de Woonagenda 2019-2023, waaruit blijkt dat in Den Haag een grote behoefte bestaat aan appartementen. Eiser betwist voorts dat de Haagse bezonningsnorm van toepassing is. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij wel een omgevingsvergunning heeft gekregen om de woningen op de hoek van de [straat] te voorzien van een extra bouwlaag en het betreffende gebouw in dat plan significant hoger wordt dan de beoogde nieuwbouw. De bezonning kan daarom volgens eiser geen probleem opleveren. Indien de Haagse bezonningsnorm wel moet worden toegepast, heeft een in opdracht van eiser uitgevoerde bezonningsstudie uitgewezen dat met het aangepaste bouwplan voldaan zal worden aan zowel de lichte als de strenge betreffende TNO-norm. Eiser stelt tot slot aan de geluidseis van 27dB voor de gevel uit het Bouwbesluit 2021 te kunnen voldoen, in ieder geval op grond van het aangepaste bouwplan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Wijziging van de aanvraag

5.1

Volgens vaste jurisprudentie1 is het college gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen nieuwe bouwaanvraag is vereist. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet dient per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend. De rechtbank leidt uit deze jurisprudentie af dat bij de beantwoording van deze vraag wordt betrokken of de wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag feitelijk een beperkte strekking hebben en of de wijzigingen gevolgen hebben voor de ruimtelijke uitstraling van het gebouw. Ook als wijzigingen op zichzelf niet als gering kunnen worden aangemerkt kan het, gelet op de totale omvang van een bouwplan, zo zijn dat die wijziging van ondergeschikte aard wordt aangemerkt.

5.2

De rechtbank overweegt dat verweerder bij brief van 9 januari 2019 eiser in de gelegenheid heeft gesteld om het bouwplan aan te passen vóór 20 februari 2019, derhalve vóór de terinzagelegging op 1 maart 2019. De rechtbank moet op grond van de uit de stukken blijkende gang van zaken vaststellen dat eiser van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, vóór noch tijdens de terinzagelegging van het bouwplan en ook niet tijdens de onderhavige procedure. Hetgeen eiser daarover heeft opgemerkt, te weten dat hij geen nieuwe aanvraag wil doen omdat hij in dat geval aan nieuwe eisen zou moeten voldoen inzake gasloos bouwen ingevolge een wijziging van het Bouwbesluit 2012, heeft eiser pas ter zitting aangevoerd zodat de rechtbank dit buiten beschouwing laat.

5.3

Ten aanzien van het realiseren van een fietsenberging op de begane grond en het terugbrengen van het aantal appartementen van zes naar vijf overweegt de rechtbank dat deze wijzigingen inpandige wijzigingen betreffen en geen gevolgen hebben voor de ruimtelijke uitstraling van het gebouw. Zij dienen daarom naar het oordeel van de rechtbank als wijzigingen van ondergeschikte aard te worden aangemerkt.2 De verwijzing ter zitting naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 13 augustus 2020 ter onderbouwing van de stelling dat het terugbrengen van zes naar vijf appartementen geen wijziging van ondergeschikte aard is, kan verweerder niet baten. In die zaak veranderde met het gewijzigde bouwplan de ruimtelijke uitstraling wezenlijk doordat er een onderbreking in de rij van dakopbouwen ontstond. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat het laten vervallen van de dakopbouw, het verplaatsen van de gevel tot twee meter van de erfgrens en het aanpassen van de gevel geen wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. De rechtbank acht daarbij van belang dat het wegnemen van deze beletselen een heel nieuw ontwerp vergt. Met name de aanpassing van de gevel dient immers zodanig te zijn, dat in het nieuwe ontwerp wel sprake is van kleur- en materiaalgebruik dat passend is in het straatbeeld.

Hoor en wederhoor

5.5

De grond van eiser dat het advies van de Welstandscommissie niet zonder hoor en wederhoor aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd, slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het welstandsadvies een deskundigenadvies is bij de totstandkoming waarvan eiser niet is betrokken. Van schending van het beginsel van hoor- en wederhoor kan geen sprake zijn. Bovendien heeft eiser op het aanvraagformulier aangegeven en desgevraagd ter zitting bevestigd dat hij het bouwplan niet mondeling wil toelichten voor de Welstandscommissie.

Behoefte en effect op de leefomgeving

5.6

In reactie op de overweging in het bestreden besluit dat het toevoegen van nog meer kleine woningen aan de wijk een te grote invloed op de fysieke en sociale leefomgeving heeft, stelt eiser dat er een grote behoefte bestaat aan appartementen in Den Haag. Hij licht toe dat het beoogde appartementencomplex in lijn is met de Woonagenda 2019-2023 (Woonagenda) en in het dichtbevolkte centrum van Den Haag past. De toevoeging van zes kleine woningen is, gelet op het woningbestand in de buurt, volgens eiser niet zodanig ingrijpend dat van een negatief effect op de leefomgeving - een aspect genoemd in de Woonagenda - sprake is.

5.7

De rechtbank overweegt dat blijkens hoofdstuk 4 van de Woonagenda in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de leefbaarheid van een wijk, zowel in positieve als in negatieve zin. Daarbij wordt blijkens pagina 21 van de Woonagenda betrokken of de nieuwbouw aansluit bij de bestaande bouwstijl in de bestaande omgeving. Ten aanzien van kleine woningen wordt vermeld dat hier vraag naar is, maar dat de gemeente ook flexibel moet kunnen zijn met het oog op de toekomst en dat in centrumgebieden een bovengrens geldt ten aanzien van de hoeveelheid kleine woningen. Bij een te eenzijdig aanbod van kleine woningen bestaat het risico dat bewoners hier passanten worden zonder binding met de omgeving, hetgeen een negatieve invloed op de leefbaarheid heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat de motivering van verweerder in strijd is met dit beleid.

De Haagse bezonningsnorm

5.8

Eiser stelt dat de Haagse bezonningsnorm niet van toepassing is omdat het beoogde appartementencomplex niet hoger is dan 25 meter en niet tenminste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. Tussen partijen is niet in geschil dat deze stelling van eiser juist is. Indien echter sprake is van kleinere hoogten, zoals dakopbouwen, dient ingevolge de Haagse bezonningsnorm de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) per situatie na te gaan of sprake is van te verwachten schaduwhinder. De rechtbank is van oordeel dat, nu in het voorliggende bouwplan sprake is van een dakopbouw, een onderzoek door de DSO geboden is. Op grond van de Haagse bezonningsnorm wordt, als de dakopbouw niet in het bestemmingsplan past, door de DSO gekeken naar de specifieke stedenbouwkundige situatie ter plaatse. De DSO gaat na of de gevels van woningen op 19 februari (en 21 oktober), bij een zonhoogte van meer dan 10 graden, minimaal 2 uur zon ontvangen. De DSO heeft geconcludeerd dat als gevolg van het huidige bouwplan de aan de overzijde van de straat gelegen benedenwoningen in de winterperiode niet meer de vereiste twee uur bezonning ondervinden. Eiser heeft geen argumenten aangedragen waarom de conclusie van de DSO niet juist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat zonder wijziging van het aangevraagde bouwplan aan de Haagse bezonningsnorm kan worden voldaan. Het feit dat de in opdracht van eiser verrichte bezonningsstudie op basis van de voorgestane aanpassing van het bouwplan blijkt dat ruimschoots voldaan zal worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm, doet niet af aan het voorgaande. Ook de vergelijking met de toegestane extra bouwlaag op de hoek van de [straat] kan eiser niet baten, nu iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning op zijn eigen merites wordt beoordeeld.

6. Eiser heeft zijn stelling dat aan de geluidseis van 27dB voor de gevel uit het Bouwbesluit 2021 zal worden voldaan niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:950; ABRvS 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:34; ABRvS 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7253.

2 Vergelijk ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1770.