Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5835

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20_4642
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4642

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eiseres per 13 maart 2020 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toe te kennen.

Bij besluit van 25 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus hebben beide partijen de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven om het beroep op basis van de stukken schriftelijk af te handelen. Bij brief van 29 maart 2021 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat op 6 april 2021 uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.1.

Eiseres heeft voorafgaand aan haar werkloosheid gewerkt bij de [compagny] ( [compagny] ). Op 23 april 2020 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een WW-uitkering per 13 maart 2020.

1.2.

In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat eiseres niet aan de daarvoor geldende eis voldoet dat zij in de 36 weken voordat zij werkloos werd tenminste 26 weken heeft gewerkt (wekeneis). In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

2. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en betoogt dat wel degelijk aan de wekeneis wordt voldaan. Zij heeft van 10 december 2018 tot en met 13 juli 2019 77 uur per week gewerkt. Op 13 juli 2019 eindigde haar tijdelijke arbeidsovereenkomst en eiseres heeft per 14 juli 2019 haar vakantiedagen laten uitbetalen. Zij heeft vervolgens van 14 juli 2019 tot 15 oktober 2019 niet gewerkt. Weliswaar was eiseres deze drie maanden niet in dienst, maar deze periode moet volgens eiseres worden aangemerkt als betaald verlof. Eiseres licht toe dat [compagny] alleen contracten voor bepaalde tijd aangaat en eiseres veel verlofdagen opbouwt. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat zij wel aan de 26 weken-eis zou zijn gekomen als haar contract vanwege het coronavirus niet een maand eerder (12 maart 2020) zou zijn beëindigd dan de bedoeling (15 april 2020) was.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.

3.2.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of eiseres heeft voldaan aan de eis dat zij in de 36 kalenderweken voorafgaand aan 13 maart 2020, dat wil zeggen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 10 maart 2020, in tenminste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres van 13 juli 2019 tot 15 oktober 2019 niet gewerkt heeft omdat geen sprake was van een dienstverband. Partijen verschillen van mening over de vraag of deze niet-gewerkte weken gelijkgesteld kunnen worden met de weken waarin eiseres wel heeft gewerkt om te voldoen aan de eis dat eiseres in tenminste 26 kalenderweken één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad.

3.3.

Ingevolge artikel 17a, tweede lid, van de WW worden voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 kalenderweken arbeidsuren in een kalenderweek slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

3.4.

De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld1 dat uit de tekst en de strekking van artikel 17a van de WW voortvloeit dat slechts voor gelijkstelling in aanmerking komen de niet-gewerkte weken waarin vakantiedagen zijn genoten en de vakantiereservering is uitbetaald, die gelegen zijn binnen de dienstbetrekking waaruit de betrokken werknemer werkloos is geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat de weken waarin de vakantiereservering is uitbetaald niet zijn gelegen binnen de dienstbetrekking waaruit eiseres werkloos is geworden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de eis dat in tenminste 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid sprake is van tenminste één arbeidsuur per kalenderweek.

3.5.

De omstandigheid dat de dienstbetrekking waaruit eiseres werkloos is geworden in verband met het corona-virus een maand eerder is beëindigd dan voorzien, kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat het contract van eiseres expliciet voorzag in de mogelijkheid dat het een maand eerder werd beëindigd, kan de door eiseres gestelde omstandigheid niet leiden tot verlenging of verschuiving van de referteperiode van 36 weken. De WW voorziet slechts in een beperkt aantal uitzonderingen op de in artikel 17 WW neergelegde hoofdregel. De door eiseres bedoelde situatie valt daar niet onder.

4. Gelet op bovenstaande heeft verweerder terecht geweigerd om eiseres per 13 maart 2020 een WW-uitkering toe te kennen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, rechter, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 CRvB 3 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB5563 en 8 december 2010, ECLI:NL:2010:BO7247.