Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5834

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
19_7181
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag planschadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7181


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder(gemachtigde: mr. S. Bakker).

Procesverloop

In het besluit van 29 april 2019 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor planschadevergoeding afgewezen.

In het besluit van 15 juli 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 19 april 2021. Eiser is verschenen. Zijn echtgenote was ook bij de zitting aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend [kadastrale plaats] , [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] .

2. Bij besluit van 3 november 2016 heeft de gemeenteraad van Nieuwkoop het bestemmingsplan “Landelijk gebied Nieuwkoop” vastgesteld. Aan de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] is in dit bestemmingsplan – in tegenstelling tot wat vóór de vaststelling van dit bestemmingsplan het geval was – geen bouwvlak toegekend.

3. Eiser heeft tegen het vaststellingsbesluit beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De Afdeling heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 20 maart 2019 (vindplaats: ECLI:NL:RVS:2019:898) ongegrond verklaard.

4. Op 2 april 2019 heeft eiser een aanvraag bij verweerder ingediend voor het verkrijgen van planschadevergoeding. In de aanvraag is onder meer vermeld dat de waarde van het bouwvlak, met een omvang van 15.000 vierkante meter, € 375.000,- bedroeg. Onder het bestemmingsplan “Landelijk gebied Nieuwkoop” bedraagt de waarde van deze grond volgens eiser nog € 90.000,-. Daarmee komt de schade – zo is vermeld in de aanvraag – neer op een bedrag van € 285.000,-.

5. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit van 29 april 2019 afgewezen en het bezwaar van eiser tegen dit primaire besluit bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de terinzagelegging van het voorontwerp van het bestemmingsplan op 3 augustus 2015 de schade te voorkomen of te beperken. Daarmee heeft eiser volgens verweerder het risico op de beperking van de bebouwingsmogelijkheden aanvaard. De planschade dient daarom – aldus verweerder – op grond van artikel 6.3 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor rekening van eiser te komen.

6. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Volgens eiser was de tijd voor hem om de schade te beperken te kort. Tussen de publicatie van het voorontwerp van het bestemmingsplan en de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan zat een periode van 22 weken. Dat is volgens eiser niet voldoende om een goed plan uit te kunnen werken. Daar zijn – aldus eiser – 28 weken voor nodig. Daar komt bij dat verweerder hem niet in kennis heeft gesteld van het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen. Daardoor kwam eiser – ook omdat hij niet meer in Nieuwkoop woont – pas vier en een halve week na de publicatie van het voorontwerp achter het voornemen van de gemeente om het bestemmingsplan te wijzigen. Hij had daarmee nog slechts een periode van 17 weken. Eiser heeft verder met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012 (vindplaats: ECLI:NL:RVS:2012:BW3878) aangevoerd dat hij onder het oude planologische regime wel een poging heeft gedaan om bouw- en gebruiksmogelijkheden te realiseren. Eiser heeft in dat verband gewezen op een door hem ingediende aanvraag op 15 november 2004 voor het bouwen van een hooi- en stroberging en schapenstal. Deze aanvraag is afgewezen. Eiser heeft er voorts op gewezen dat er op het perceel een schuilschuur aanwezig is, waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden bij de procedure bij de Afdeling. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat er – met het niet langer opnemen van het bouwvlak – sprake is van diefstal en een inbreuk op zijn eigendomsrecht door de gemeente.

7. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Wettelijk kader

7.1.

Op grond van artikel 6.1 van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt als gevolg van – onder meer – een bepaling van een bestemmingsplan op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

7.2.

Op grond van artikel 6.3 van de Wro betrekken burgemeester en wethouders bij hun beslissing met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak en de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.

Het bestemmingsplan

7.3.

De rechtbank stelt voorop dat de door eiser gestelde schade voortvloeit uit de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Nieuwkoop”. Dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk geworden. Voor zover eiser heeft willen betogen dat met het bestemmingsplan een inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht geldt dat op grond van vaste rechtspraak met het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de rechtmatigheid is gegeven. Het bestemmingsplan zelf en het feit dat er op de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] niet langer een bouwvlak aanwezig is, staan in deze procedure dus niet meer ter discussie.

7.4.

Dat er een schuilschuur aanwezig is op de percelen waarmee tijdens de procedure bij de Afdeling geen rekening is gehouden, maakt dat niet anders. Met de wijziging van het bestemmingsplan is de mogelijkheid beperkt om nieuwe bouwwerken op te richten. Aan de schuilschuur die er al stond, komt in dat verband geen betekenis toe.

7.5.

Het gaat dus alleen nog om de vraag of het college verplicht is om eiser vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Nieuwkoop” een tegemoetkoming toe te kennen.

Risico-aanvaarding?

7.6.

Het gaat er in deze zaak met name om of eiser het risico dat hij niet langer kon bouwen op de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] passief heeft aanvaard. Als dat zo is, komt de door eiser gestelde schade voor zijn rekening.

7.7.

Passieve risico-aanvaarding van een nadelige verandering van het bestemmingsplan doet zich voor 1) als sprake is van voorzienbaarheid en 2) als vanaf het moment van voorzienbaarheid geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van bouwmogelijkheden die onder het oude bestemmingsplan nog wel mogelijk waren, maar onder het nieuwe bestemmingsplan niet meer, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar wel mocht worden verwacht (zie de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2567).

Voorzienbaarheid

7.8.

In de eerste plaats moet dus beoordeeld worden of, en zo ja, vanaf wanneer de nadelige wijziging van het bestemmingsplan voor eiser voorzienbaar was. Daarbij moet op grond van vaste rechtspraak rekening worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat die beleidsvoornemens een formele status hebben (zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582). Van belang is dat de eigenaar van de inhoud ervan kan kennisnemen en dat een redelijk denkende en handelende eigenaar kan begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft en wat de zakelijke inhoud ervan is (uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3715).

7.9.

Niet in geschil is dat het voorontwerp van het bestemmingsplan kan worden aangemerkt als een concreet beleidsvoornemen. Het voorontwerp was vanaf 3 augustus 2015 in te zien op de website www.ruimtelijkeplannen.nl, op de website van de gemeente www.nieuwkoop.nl en in het Klant Contact Centrum in Nieuwveen. Dat het voorontwerp op de betreffende locaties was in te zien, is onder meer bekendgemaakt in de Staatscourant van 29 juli 2015 en in het Gemeenteblad van de gemeente Nieuwkoop van eveneens 29 juli 2015. Daarmee heeft eiser de gelegenheid gehad om van het voorontwerp kennis te kunnen nemen. Verder is niet in geschil dat het voor een redelijk denkende en handelende eigenaar mogelijk was om uit het voorontwerp op te maken dat de mogelijkheid zou vervallen om op de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te bouwen.

7.10.

Daarmee was het voor eiser vanaf 3 augustus 2015 voorzienbaar dat het bestemmingsplan in negatieve zin voor hem zou wijzigen. De rechtbank kan begrijpen dat eiser het op prijs had gesteld wanneer hij persoonlijk was ingelicht, maar voor de vraag of er sprake is van voorzienbaarheid gaat het erom of het concrete beleidsvoornemen openbaar is gemaakt. Eiser kon door deze openbaarmaking vanaf 3 augustus 2015, ook al woonde hij zelf inmiddels niet meer in Nieuwkoop, op de hoogte zijn van de mogelijke planologische wijziging.

Concrete poging

7.11.

Vervolgens is de vraag of eiser onder het oude planologische regime concrete pogingen heeft gedaan tot realisering van de toen nog bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVSL2013:811).

7.12.

Bij het beantwoorden van deze vraag gaat het om de periode die loopt vanaf het moment van voorzienbaarheid (zie r.o. 7.7.). Aan de aanvraag van eiser die hij heeft ingediend in 2004 komt daarom geen betekenis toe.

7.13.

Niet in geschil is dat eiser vanaf 3 augustus 2015 geen aanvraag heeft ingediend om bouwplannen te realiseren. Eiser heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hem dat niet kan worden verweten omdat de periode die hij daarvoor had – 17 weken – te kort was.

7.14.

Eiser kon tot 4 januari 2016, het moment waarop het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage werd gelegd, een concrete poging doen tot realisering van de toen nog bestaande bouwmogelijkheden. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestaat een concrete poging uit het indienen van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat het in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2567).

7.15.

Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij maar 17 weken de tijd had. Gelet op het moment van voorzienbaarheid, komt de periode waarin hij nog niet op de hoogte was van het beleidsvoornemen, maar het al wel openbaar was gemaakt, voor zijn rekening. Het moet er daarom voor worden gehouden dat eiser 22 weken de tijd heeft gehad om een concrete poging te ondernemen.

7.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd waaruit blijkt dat een periode van 22 weken te kort was om een voldoende concreet bouwplan in te dienen voor wat eiser had willen realiseren, een vakantiewoning en een stal voor fokmerries. Nog los van het feit dat wat eiser voor ogen had onder de bestemming ‘agrarisch’ in het oude bestemmingsplan niet mogelijk was geweest, heeft eiser niet toegelicht dat hij heeft geprobeerd om een bouwplan op te (laten) stellen, maar dat de tijd te kort bleek. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat eiser onvoldoende tijd had om een concrete poging te ondernemen om de bouwmogelijkheden op de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te benutten. Het kan eiser daarmee worden toegerekend dat hij de betreffende periode niet heeft benut voor het ondernemen van een concrete poging door een bouwplan in te dienen dat voldoet aan de in overweging 7.14 besproken eisen.

7.17.

Gelet op het voorgaande staat vast dat sprake is van voorzienbaarheid en dat eiser geen concrete pogingen heeft gedaan tot realisering van bouwmogelijkheden, terwijl dit wel van hem als redelijk denkende en handelende eigenaar mocht worden verwacht. Daarmee is de conclusie dat hij het risico op het vervallen van de mogelijkheden om op de percelen [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 2] te bouwen passief heeft aanvaard. Voor zover er sprake is van schade, behoort deze daarom voor rekening van eiser te blijven.

7.18.

Eiser heeft tot slot aangevoerd dat artikel 6.3 van de Wro neerkomt op rigide wetgeving waarmee de burger wordt benadeeld. Dit argument, wat daar ook van zij, kan hem in deze procedure echter niet baten. Verweerder en ook de rechtbank zijn gehouden om eiser zijn verzoek om planschade in het licht van de geldende regels en jurisprudentie te beoordelen.

7.19.

Het beroep is ongegrond.

7.20.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2021.

De griffier is verhinderd mede te ondertekenen.

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.