Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4630
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om tegemoetkoming planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4630

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J. Kuik),

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen, verweerder

(gemachtigde: P. Kruijk).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus hebben beide partijen de rechtbank desgevraagd toestemming gegeven om de zaak op basis van de stukken schriftelijk af te handelen. Bij brief van 30 maart 2021 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten en dat op 19 april 2021 uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1. Eisers zijn eigenaar van het pand gelegen aan de Passage [nummer] in het voormalige winkelcentrum ‘De Passage’ in Waddinxveen. Op 28 april 2016 hebben eisers een aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan “De Passage” indirecte planschade wordt geleden in de vorm van waardevermindering van het pand, gederfde huurinkomsten, herstelkosten, makelaarskosten en advocaatkosten in verband met het afhandelen van het huurcontract. Het bestemmingsplan “De Passage” is op 30 juli 2015 in werking getreden en inmiddels onherroepelijk.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie, het verzoek van eisers afgewezen. Aan het besluit ligt een advies van de Antea Group (Antea) van 26 januari 2017 ten grondslag. Antea heeft een planologische vergelijking gemaakt tussen het oude planologische regime, het bestemmingsplan “Van station tot hefbrug”, en het nieuwe planologische regime, het bestemmingsplan “De Passage”. Antea concludeert dat de planologische wijziging heeft geleid tot beperking van de gebruiksmogelijkheden voor de gronden gelegen rondom het perceel van eisers, doordat het gebruik met de bestemming detailhandel daar niet meer is toegestaan. Uitgaande van de voor eisers meest nadelige planologische invulling onder het oude planologische regime waren op de omliggende gronden verschillende gebruiksfuncties, niet zijnde detailhandel, gevestigd. Bij de meest nadelige invulling waren alle gronden onder het oude planologische regime in gebruik als kantoren, (maatschappelijke) dienstverlening, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten en wonen. Dit betreft functies die ook onder de werking van het nieuwe bestemmingsplan “De Passage” nog steeds mogelijk zijn. Hiervan uitgaande is het perceel van eisers door het nieuwe planologische regime (waar de gebruiksmogelijkheid detailhandel is geschrapt) niet in een planologisch nadeliger positie komen te verkeren.

3. Eisers betogen dat zij wel degelijk in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren. Zij voeren aan dat de beperking van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen leidt tot een beperking van het gebruik van hun pand voor detailhandel. Zij wijzen op het dalende aantal bezoekers, de dalende huurprijzen van winkelruimte en de waardedaling van het betreffende vastgoed. In verband hiermee is het huurcontract met de voorlaatste huurder op 19 november 2015 door de kantonrechter ontbonden en huurt de nieuwe huurder vanaf augustus 2016 het pand voor een lagere huurprijs. Eisers stellen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat alle vastgoedeigenaren onder de werking van het oude planologische regime gekozen zouden hebben voor een andere invulling dan detailhandel voor hun vastgoed.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, van de Wro.

4.2.

Uit vaste jurisprudentie1 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen het planologische regime na de inwerkingtreding van de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, met het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologisch regime. In die vergelijking wordt in beginsel uitgegaan van het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime. Indien het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, bestaat aanleiding voor afwijking van dit uitgangspunt. In de vergelijking tussen het oude en nieuwe planologische regime zijn alleen de objectief te verwachten ruimtelijke gevolgen van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat onder het oude planologische regime de betreffende gronden waren bestemd voor kantoren, dienstverlening, wonen en aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten en detailhandel. De maximale, meest ongunstige invulling van de mogelijkheden van het oude planologische regime houdt voor eisers in dat deze gronden voor andere functies dan detailhandel zouden worden gebruikt.

4.4.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of realisering van de maximale, meest ongunstige invulling van de mogelijkheden van het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten. Indien dit het geval is, speelt – bij uitzondering – de feitelijke situatie een rol bij de planvergelijking. Tussen partijen is niet in geschil dat de feitelijke situatie behelst dat eisers financieel nadeel ondervinden als gevolg van het beleid van de gemeente om het voormalige winkelcentrum ‘De Passage’ te ontmantelen en elders een nieuw winkelcentrum te realiseren. In dit kader heeft de gemeente een aantal winkeleigenaren in De Passage een vergoeding verstrekt in ruil voor het instemmen met het wegbestemmen van de bestemming detailhandel.

4.5.

Eisers stellen dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat eigenaren van vastgoed op omliggende percelen onder de werking van het oude planologische regime gekozen zouden hebben voor een andere invulling dan detailhandel voor hun vastgoed. Zij stellen voorts dat in ieder geval kan worden uitgesloten dat alle vastgoedeigenaren voor een andere functie dan detailhandel zouden hebben gekozen. Eisers lichten toe dat de bestemming detailhandel onder het oude planologische regime vanuit financieel oogpunt de meest interessante bestemming was. Het feit dat het merendeel van de winkeleigenaren in het plangebied van het bestemmingsplan “De Passage” een aanzienlijke financiële vergoeding heeft ontvangen in ruil voor het instemmen met het laten vervallen van de bestemming detailhandel wijst hier volgens eisers op.

De stellingen van eisers komen erop neer dat, naar hun mening, de voorkeur van de (meeste) eigenaren van de omliggende percelen onder het oude planologische regime zou uitgaan naar gebruik ten behoeve van detailhandel. Daarmee gaan eisers er echter aan voorbij dat, zoals is overwogen in 4.2, dergelijke subjectieve elementen geen rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, zodat de door eisers gestelde voorkeur van eigenaren om vanuit financieel oogpunt detailhandel op hun percelen te vestigen, niet in de vergelijking tussen het oude en nieuwe planologische regime wordt betrokken. Aldus waren onder het oude planologische regime bij de meest nadelige invulling alle gronden rondom het perceel van eisers bestemd voor gebruik ten behoeve van kantoren, (maatschappelijke) dienstverlening, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten en wonen. Daarin is met het nieuwe planologische regime geen wijziging gekomen; het betreft immers functies die ook onder de werking van het nieuwe bestemmingsplan ‘De Passage’ nog steeds mogelijk zijn. De rechtbank ziet daarom, in navolging van verweerder, geen grond voor het oordeel dat eisers door het nieuwe planologische regime in een planologisch nadeliger positie zijn komen te verkeren.

5. Het voorgaande betekent dat verweerder het verzoek om tegemoetkoming in planschade terecht heeft afgewezen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 De rechtbank verwijst naar de overzichtsuitspraak ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 en de uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:2099.