Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5822

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
C/09/607873 / JE RK 21-322
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en afwijzing verzoek ex artikel 1:262b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/607873 / JE RK 21-322

Datum uitspraak: 13 april 2021

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Afwijzing verzoek ex artikel 1:262b BW

in de zaak naar aanleiding van het op 16 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw]

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E. El-Sharkawi te Den Haag,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

alsmede

[pleegouders] ,

hierna: de pleegouders.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.

Op 6 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van de ouders (zaaknummer C/09/607557 / FA RK 21-1080) en het verzoek van de moeder tot vervanging van de gecertificeerde instelling (zaaknummer C/09/606115 / JE RK 21-62). Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de [vertegenwoordigers van de Raad] namens de Raad;

  • -

    de [vertegenwoordiger van de GI] met zijn collega als toehoorder namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de pleegouders.

Feiten

  • -

    [minderjarige] is erkend door de vader voornoemd.

  • -

    De rechtbank heeft bij beschikking van 13 april 2021 op grond van artikel 1:266, eerste lid onder a, Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk in een perspectiefbiedend pleeggezin.

  • -

    William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven op 7 augustus 2019, ertoe strekkende een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder één keer per 8 weken 1 uur begeleide omgang heeft met [minderjarige] . Om de bezoeken op te starten dient de moeder akkoord te gaan met de gestelde voorwaarden. Daartoe heeft de gecertificeerde instelling een plan van opbouw opgesteld dat op 16 juni 2020 aan de moeder is verstrekt.

Verzoeken en verweer

Het verzoek strekt er primair toe de na te melden schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren en een bezoekregeling vast te stellen en subsidiair om de kwestie te behandelen als een geschil in het kader van de ondertoezichtstelling (ex artikel 1:262b BW).

Aan de verzoeken ligt het volgende ten grondslag. Op 7 augustus 2019 heeft de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven. Op 20 januari 2021 heeft de moeder de gecertificeerde instelling aangeschreven met het verzoek om een omgangsregeling te bepalen en anders een nieuwe schriftelijke aanwijzing te geven, danwel de eerdere schriftelijke aanwijzing in te trekken c.q. te wijzigen. De gecertificeerde instelling heeft op 20 januari 2021 gereageerd dat ze hun best zullen doen om binnen twee weken een nieuwe schriftelijke aanwijzing te geven. Op 3 februari 2021 heeft de gecertificeerde instelling gemaild dat er geen nieuwe schriftelijke aanwijzing zal volgen.

De moeder stelt dat de mail van 3 februari 2021 een schriftelijke aanwijzing is waar de moeder tegen in beroep kan komen, omdat het een beslissing van de gecertificeerde instelling vastlegt inhoudende dat zij niet wil meewerken aan de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:265 lid 1 BW, omdat er verschillende procedures hebben plaatsgevonden over de omgang en er een concreet stappenplan voor contactherstel is. De moeder stelt dat dit stappenplan opgenomen dient te worden in een schriftelijke aanwijzing, zodat ze deze kan laten toetsen. De moeder en de jeugdbeschermer zijn in een impasse geraakt om stap 2, het opnemen van een videoboodschap. De moeder heeft meerdere malen aangegeven dat ze zich hier niet goed en comfortabel bij voelt. De moeder stelt dat de gecertificeerde instelling met de mail van 3 februari 2021 geen besluit neemt en dat dit op grond van artikel 1:265 lid 4 BW gelijkstaat aan een afwijzing van het verzoek van de moeder. Tot slot stelt de moeder dat er (formele) gebreken kleven aan het besluit van 3 februari 2021 en verzoekt daarom artikel 1:265f lid 2 BW toe te passen.

Op grond van het voorgaande verzoekt de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en zelfstandig een bezoekregeling vast te stellen. Subsidiair verzoekt de moeder om dit verzoek te behandelen als een geschil in het kader van de ondertoezichtstelling en een concrete omgangsregeling vast te stellen.

De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd tegen het verzochte en heeft verklaard dat eerst het stappenplan moet worden doorlopen, voordat fysieke omgang tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is. De kinderrechter heeft dit ook benoemd in de beschikking d.d. 20 augustus 2020 en de gecertificeerde instelling heeft dit opnieuw herhaald tegenover de moeder in de mail van 3 februari 2021. De gecertificeerde instelling heeft meerdere malen aan de moeder gevraagd waarom ze niet wil videobellen, maar krijgt hier geen duidelijk antwoord op en ziet niet in wat het verschil is met het sturen van een foto, waar zij geen bezwaar tegen heeft.

Beoordeling

Vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Ingevolge artikel 264 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.

Ingevolge artikel 1:265 lid 1 BW kan de gecertificeerde instelling, op verzoek van degene aan wie de aanwijzing is gericht, een schriftelijke aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk intrekken. Ingevolge lid 4 staat het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de gecertificeerde instelling gelijk met afwijzing van het verzoek.

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 BW kan de gecertificeerde instelling de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Deze beslissing geldt ingevolge lid 2 als een schriftelijke aanwijzing. Artikel 264 en artikel 265 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de mail van de gecertificeerde instelling van 3 februari 2021 niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing ex artikel 1:265f lid 1 BW. In de schriftelijke aanwijzing van 7 augustus 2019 is reeds besloten de omgang tussen de moeder en [minderjarige] te beperken. Op 16 juni 2020 heeft de gecertificeerde instelling een concreet stappenplan verstrekt aan de moeder ter uitvoering van die schriftelijke aanwijzing. De mail van 3 februari 2021 waarin de gecertificeerde instelling weigert een nieuwe schriftelijke aanwijzing te geven en vasthoudt aan de eerder vastgestelde omgangsregeling en het bijbehorende stappenplan, is niet gericht op rechtsgevolg en kan dan ook niet worden gezien als een nieuwe schriftelijke aanwijzing.

Over de stelling van de moeder dat sprake is van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:265 lid 1 BW, overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter heeft bij beschikking van 20 augustus 2020 reeds geoordeeld dat een concreet stappenplan tot opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder voorhanden is en dat het belangrijk is dat dit plan van de grond komt. Sindsdien is het de moeder niet gelukt om aan de voorwaarden te voldoen en is de situatie overigens niet veranderd. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat zich geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan, zodat de mail van 3 februari 2021 ook niet kan worden aangemerkt als het niet of niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing, dat ingevolge artikel 1:265 lid 4 BW gelijkgesteld moet worden met een afwijzing van het verzoek.

Tot slot wijst de kinderrechter het verzoek tot toepassing van 1:265f lid 2 BW af, omdat er, zoals blijkt uit het bovenstaande, geen sprake is van een schriftelijke aanwijzing ex artikel 1:265f lid 1 BW, waardoor toepassing van artikel 1:265f lid 2 BW geen doorgang vindt. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing en het opstellen van een bezoekregeling afwijzen.

Geschillenregeling

De kinderrechter heeft een vergelijk tussen de betrokkenen beproefd, maar stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is. De kinderrechter wijst het in het kader van artikel 1:262b BW ingediende verzoek tot vaststellen van een nieuwe omgangsregeling, af. Daartoe is redengevend dat de kinderrechter bij beschikking d.d. 20 augustus 2020 reeds heeft besloten dat er een concreet stappenplan tot opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder voorhanden is. Dit brengt met zich dat de omgangsregeling geldt zoals vastgesteld bij de schriftelijke aanwijzing van 9 augustus 2019, aangevuld met het plan van opbouw in de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . Sindsdien hebben zich zoals hiervoor is overwogen geen gewijzigde omstandigheden voorgedaan, waardoor de kinderrechter, geen redenen ziet om een nieuwe omgangsregeling vast te stellen. De kinderrechter benadrukt dat het aan de gecertificeerde instelling is om nadere uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling en verzoekt de moeder dringend om mee te werken aan het stappenplan. Gelet op de impasse die is ontstaan over de voorwaarde dat de moeder een videoboodschap moet sturen met als gevolg dat de bezoekregeling al lange tijd niet van de grond komt, geeft de kinderrechter de gecertificeerde instelling mee om, rekening houdende met de belangen van [minderjarige] , ook naar andere mogelijkheden te zoeken om het stappenplan te doorlopen en de bezoekregeling van de grond te laten komen.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing;

wijst af het in het kader van artikel 1:262b BW ingediende verzoek tot vaststellen van een nieuwe omgangsregeling;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.F. Mewe, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7juni 2021.

*Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet.

*(Opnemen in plaats van vorige tekstblok indien art. 1:265f van toepassing is)

*Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: *Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.