Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5807

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/09/611734 / JE RK 21-1114
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing 1:265b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/611734 / JE RK 21-1114

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Beschikking van de kinderrechter

Machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 10 mei 2021 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021,

hierna te noemen: [minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

met een BRP-adres te [woonplaats] feitelijk verblijvende te [verblijfplaats] ,

advocaat: mr. M.F. Laning, te Voorschoten.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 10 mei 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 10 mei 2021 tot 21 mei 2021 en is de behandeling voor het overige aangehouden tot deze zitting.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook voornoemde beschikking d.d. 10 mei 2021.

Op 19 mei 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [de man] , de vader van de moeder, als toehoorder.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 1 februari 2022.


Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Het was lastig om een passende vervolgplek voor de moeder en [minderjarige] te vinden. Uiteindelijk is het gelukt om een plek te krijgen bij [verblijfplaats] en heeft de moeder de kans gekregen om te laten zien dat ze voor [minderjarige] kan zorgen. Samen met de moeder waren er voorwaarden opgesteld waar ze zich aan moest houden om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De afgelopen periode hebben we signalen gekregen dat het de moeder niet was gelukt om zich aan deze voorwaarden te houden. Uit het rapport van de politie en Veilig Thuis blijkt dat de moeder vreemde mannen de woning zou hebben binnengelaten en onder invloed was van alcohol en lachgas. [minderjarige] is toen met spoed uit huis geplaatst en verblijft momenteel in een pleeggezin. Daarnaast verliep de communicatie met de moeder de afgelopen periode moeizaam en heeft ze niet laten zien dat ze in staat is om afspraken te maken en voor [minderjarige] te zorgen. Er moet eerst sprake zijn van stabiliteit en veiligheid bij de moeder en ze moet laten zien dat ze bereid is om te werken aan haar verslavingsproblematiek voordat het mogelijk is om [minderjarige] weer bij de moeder te laten wonen. De komende periode zal de omgang tussen de moeder en [minderjarige] langzaamaan worden opgebouwd en is het van belang dat de moeder initiatief en inzicht toont.

De moeder heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd. De moeder heeft aangegeven dat een aantal dingen die de gecertificeerde instelling zegt niet klopt. De moeder heeft de afgelopen periode contact gehad met het consultatiebureau en heeft dit ook gecommuniceerd naar de gecertificeerde instelling. Ze heeft een plan van aanpak gemaakt en wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. De advocaat heeft naar voren gebracht dat de moeder niet meer is teruggevallen sinds [minderjarige] uit huis is geplaatst en dat er met [verblijfplaats] een plan van aanpak is gemaakt om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Er is contact gezocht met de vader van de moeder om te kijken of een netwerkplaatsing mogelijk is en de moeder heeft binnenkort een gesprek bij de Brijder. De moeder is bereid om te werken aan haar problematiek en heeft positieve stappen gezet. Met het oog op de hechting en de aanvaardbare termijn is het van belang dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de moeder wordt geplaatst. De moeder verzoekt daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur toe te wijzen dan verzocht.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.

Daarbij overweegt de kinderrechter dat de moeder kampt met verslavingsproblematiek en de afgelopen periode een terugval heeft gehad waardoor ze [minderjarige] in onveilige situaties heeft gebracht. De moeder heeft aangegeven dat ze bereid is om te werken aan haar problematiek en staat open voor de hulpverlening. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de aanvaardbare termijn is het van belang dat zo snel mogelijk wordt gekeken of het mogelijk is om [minderjarige] weer bij de moeder te plaatsen. Hierbij moet de moeder de komende periode eerst laat zien dat ze [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedsituatie kan bieden. De moeder moet initiatief tonen om te werken aan haar problematiek en bewijzen dat ze zich aan de gemaakte afspraken kan houden en in staat is om duidelijk te communiceren met de hulpverlening. De kinderrechter vindt het - omdat snel duidelijkheid moet komen over het toekomstperspectief - belangrijk om een vinger aan de pols te houden, ook om een situatie te voorkomen dat bij een nadere zitting de aanvaardbare termijn al goeddeels is verstreken. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen voor de duur van drie maanden en de behandeling voor het overige deel aanhouden.

Ter gelegenheid van de nader te bepalen zitting dient van de zijde van de gecertificeerde instelling een plan te worden overgelegd waarin de volgende vragen zijn beantwoord:
1. Wordt er gewerkt aan thuisplaatsing?

1.a Zo nee, waarom is thuisplaatsing (nog) niet aan de orde?
1.b Zo ja, hoe ziet dat traject er uit?
2. Welke hulpverlening aan wordt (hierbij) ingezet?

3. Hoe ziet de omgangsregeling er uit?
4. Is er een perspectiefbiedende oplossing en hoe ziet die eruit?
5. Is een netwerkplaatsing overwogen; zo nee waarom niet?
6. Indien niet gekozen is voor een gezinsomgeving, waarom niet?

Indien vorenbedoeld plan niet op de nader te bepalen zitting aanwezig is, gaat de kinderrechter ervan uit dat in ieder geval de vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling zelf op de zitting aanwezig zal zijn om een mondelinge toelichting te geven op het plan met beantwoording van de hierboven vermelde vragen.

Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 21 mei 2021 tot 21 augustus 2021;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 21 augustus 2021;

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te bepalen zitting voornoemd plan, alsmede een update van de ontwikkelingen, aan de kinderrechter en de overige belanghebbenden over te leggen;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

  • -

    Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;

  • -

    de moeder.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021 door mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 7 juni 2021.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.