Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5805

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/09/609998 / FA RK 21-2296
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag artikel 1:266 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: FA RK 21-2296 / C/09/609998

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Beschikking van de Enkelvoudige Kamer

Beëindiging gezag

in de zaak naar aanleiding van het op 31 maart 2021 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2005 te [geboorteplaats 1] Brazilië,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de man] en [de vrouw] ,

de ouders,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,

de gecertificeerde instelling:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

de beoogd voogd.


De rechtbank merkt als informanten aan:

[pleegouders] ,

hierna: de pleegouders.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, waaronder her raadsrapport d.d. 24 maart 2021;

  • -

    de brief van de advocaat van de ouders d.d. 17 mei 201.

Op 19 mei 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

  • -

    [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    [minderjarige] , bijgestaan door zijn coach van Jeugdformaat [coach]

  • -

    de pleegouders.

[minderjarige] is op 19 mei 2021 ook in raadkamer gehoord in het bijzijn van zijn coach.

De vader en de moeder zijn conform de wettelijke vereisten opgeroepen. In de brief van de advocaat is vooraf aangegeven dat zij niet zouden verschijnen..

Feiten

  • -

    De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd.

  • -

    De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

  • -

    De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 21 juli 2020 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 21 juli 2020 tot 21 juli 2021, alsmede voor dezelfde duur machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder

  • -

    De kinderrechter heeft bij beschikking d.d. 7 januari 2021 machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, met daarop aansluitend een machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.

  • -

    [minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin.

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt het gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden te benoemen tot voogd over [minderjarige] .

Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. [minderjarige] woont al bijna een jaar niet meer bij de ouders, omdat er al lange tijd spanningen zijn in de opvoedsituatie die onder andere te maken hebben met het feit dat hij geadopteerd is. De ouders hebben zich de afgelopen periode teruggetrokken van [minderjarige] in plaats van dat zij open stonden voor contactherstel. Ze staan achter de beëindiging van het gezag en het is niet de verwachting dat de verstandhouding tussen de ouders en [minderjarige] binnen de aanvaardbare termijn hersteld gaat worden. Ook [minderjarige] staat achter het verzoek. Hij heeft op dit moment geen contact met de ouders en wil niet meer bij de ouders wonen. Hij ontwikkelt zich goed binnen het netwerkpleeggezin en de pleegouders hebben aangegeven dat hij daar kan blijven. Het is van belang dat er duidelijkheid komt voor [minderjarige] en hij rust en stabiliteit krijgt om zijn verleden te verwerken.

De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling betreurt hoe de samenwerking met de ouders is verlopen. De ouders hebben geen vorm van contact, inzet of betrokkenheid getoond tegenover de hulpverlening.

De ouders hebben bij monde van hun advocaat laten weten dat zij de maatregel zelf wensen, maar dat er anderzijds alleen maar verliezers zijn. Ouders hebben altijd hun best gedaan, ervaren veel pijn en een gebrek aan respect. Er is te makkelijk en te veel met de beschuldigende vinger naar ouders gewezen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de ouders niet langer de verzorging en opvoeding van [minderjarige] uitvoeren en in die zin niet langer het gezag uitoefenen. [minderjarige] is een jongen die al veel heeft meegemaakt. Hij werd op zeer jonge leeftijd geadopteerd en er zijn vermoedens van een hechtingsstoornis. Er zijn lange tijd spanningen geweest in de opvoedsituatie bij de ouders waardoor [minderjarige] nu al bijna een jaar niet meer thuis woont. Er is sprake van een gebrek aan begrip tussen ouders en [minderjarige] waarbij onder meer zijn adoptie een belangrijke rol speelt. Inmiddels rapporteert een gedragsdeskundige trauma gerelateerde klachten. Zowel de ouders als [minderjarige] staan achter de beëindiging van het gezag. [minderjarige] ontwikkelt zich goed binnen het netwerkpleeggezin en er is geen reële verwachting dat het contact tussen de ouders en [minderjarige] binnen de aanvaardbare termijn zal worden hersteld, laat staan dat er mogelijkheden worden gezien voor terugplaatsing. Het is in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt en hij de stabiliteit en rust krijgt die hij nodig heeft om zijn te verleden te kunnen verwerken. De rechtbank zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders daarom toewijzen.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De gecertificeerde instelling heeft zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden. Daarbij overweegt de kinderrechter dat de gecertificeerde instelling als neutrale partij de ouders op de hoogte kan houden indien dit nog gepast en gewenst is door [minderjarige] . Ook kan de gecertificeerde instelling [minderjarige] en de pleegouders ondersteunen en het contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] begeleiden als zij hier in de toekomst voor openstaan. De rechtbank zal Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden daarom benoemen tot voogd over [minderjarige] .

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van

de vader: [de man] , geboren op [geboortedag 2] 1961 te [geboorteplaats 2] , België,

en

de moeder: [de vrouw] , geboren op [geboortedag 3] 1963 te [geboorteplaats 3] ,

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2005 te [geboorteplaats 1] Brazilië,

benoemt tot voogd over voormelde minderjarige:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021 door mr. E.J. Stalenberg, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van V.A.H. Schoorl als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 3 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.