Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5787

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/4617
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijderingsmaatregel; verblijf als Unieburger; art 8:12 Vb; heroïneverslaving; belangenafweging; hoorplicht; ogg;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/4617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.Th.A. Bos),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

In het besluit van 7 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.

In het besluit van 11 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is verschenen, [A] , partner van eiseres en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Betalingsonmacht

1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek toe te wijzen, gelet op de mondelinge verklaring ter zitting hierover.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is 31 jaar, komt uit Portugal en heeft de Portugese nationaliteit. Zij stelt 12 jaar geleden naar Nederland te zijn gekomen voor werk. De politie, eenheid Midden-Nederland, heeft specifieke aanwijzingen gehad om te twijfelen of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Eiseres leidt een zwervend bestaan. Sinds haar komst naar Nederland is zij regelmatig staande gehouden voor het plegen van overtredingen, zoals het plegen van overlast in verband met alcohol/drugs, overlast door zwerven, overlast door prostitutie, overtreding van de APV1 en het plegen van ruzie/twist. Ook is eiseres een aantal keren aangehouden wegens het plegen van misdrijven, waaronder winkeldiefstal en identiteitsfraude. De politie is daarom gaan twijfelen of eiseres voldoende middelen heeft om van te leven. Omdat er sprake was van redelijke twijfel, is de politie onderzoek gaan doen. Uit het onderzoek is gebleken dat eiseres per 30 augustus 2017 staat geregistreerd in de Basisregistratiepersonen als niet ingezetene, zij een BSN2 heeft, geen arbeid in loondienst verricht, dat zij een arbeidsverleden in Nederland heeft en dat haar laatst genoten inkomen dateert van 29 november 2015. In het kader van het onderzoek heeft de politie eiseres ook gehoord op 10 oktober 2019.

Standpunt verweerder

3. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder vastgesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres niet als economisch actieve, als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid van het Vb, en ook niet als economisch niet-actieve, als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb, kan worden aangemerkt. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres langer dan drie maanden in Nederland verblijft en dat zij geen arbeid in loondienst of als zelfstandige verricht. Eiseres heeft in het verleden een periode gewerkt via een uitzendbureau, maar het laatst genoten inkomen dateert van 29 november 2015. Daarna heeft eiseres niet meer gewerkt. Eiseres staat ingeschreven bij de [naam hostel] , een hostel voor drugsverslaafden. Tijdens het gehoor bij de politie heeft eiseres verklaard dat zij in de prostitutie werkt, per maand (zwart) 1000 euro verdient en dat zij af en toe geld krijgt van haar partner die ook verslaafd is. Niet is gebleken dat eiseres onvrijwillig werkloos is geworden. Ook is niet gebleken dat eiseres werkzoekende is en een reële kans op werk heeft. Verder is niet gebleken of aannemelijk gemaakt dat eiseres beschikt over voldoende middelen van bestaan om in haar onderhoud te voorzien. Omdat aan de vaststelling van de onrechtmatigheid van het verblijf een verwijderingsmaatregel is verbonden in de zin van de Verblijfsrichtlijn3, heeft verweerder een belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft verweerder het belang van de Nederlandse staat om eiseres te verwijderen uit Nederland zwaarder geacht dan het belang van eiseres om Nederland niet te hoeven verlaten.

Beroepsgronden eiseres

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder de verwijderingsmaatregel in redelijkheid niet heeft kunnen nemen. Volgens eiseres is het besluit in strijd met artikel 28, derde lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn, omdat zij als burger van de Unie de laatste 10 jaar in Nederland heeft verbleven. Eiseres stelt dat zij gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en zij daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft op grond van artikel 16, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Tussen 2011 en 2016 heeft eiseres gewerkt, heeft zij werk gezocht en is zij behandeld voor haar heroïneverslaving. Ter onderbouwing verwijst zij naar gegevens uit Suwinet en een verklaring van de [naam instelling] . Volgens eiseres valt haar heroïneverslaving onder het begrip ‘ernstige ziekte’ als bedoeld in artikel 16, derde lid van de Verblijfsrichtlijn, zodat het ononderbroken karakter van haar rechtmatig verblijf niet is beïnvloed. Het Unierecht lijkt geen definitie te kennen van het begrip ‘ziekte’. Eiseres verzoekt daarom de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) of een heroïneverslaving valt onder het begrip ‘ziekte’ van de Verblijfsrichtlijn.

Oordeel rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres van rechtswege is beëindigd.

Verblijf op grond van het Unierecht

6. De rechtbank stelt vast dat eiseres eerder aanvragen heeft ingediend tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burger van de Unie’. Deze aanvragen zijn bij besluit van 14 april 2017 en bij besluit van 24 september 2018 afgewezen, omdat niet was gebleken dat eiseres op dat moment vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Deze besluiten staan hier in rechte vast. Daarmee heeft eiseres niet aangetoond dat zij als burger van de Unie reeds vijf jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad op grond van de Verblijfsrichtlijn. Eiseres heeft ook niet op andere wijze aangetoond dat zij wel een duurzaam verblijfsrecht op grond van de Verblijfsrichtlijn heeft.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet heeft hoeven aanmerken als economisch actieve als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid onder a, van het Vb. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij werkzaam is in loondienst of als zelfstandige of dat zij werkzoekende is of een reële kans heeft op werk. Het zwart werken als prostituee valt daar niet onder. Eiseres heeft dat verder ook niet bestreden.

8. Het betoog dat eiseres moet worden aangemerkt als economisch-niet actieve als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Uit deze bepaling onder a, volgt dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet eindigt om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval.

9. In de verklaring van 7 juni 2017 van de verslavingsarts van de [naam instelling] staat dat eiseres sinds 5 februari 2013 cliënt is bij de [naam instelling] en zij dagelijks methadon komt ophalen. De rechtbank leidt uit die verklaring af dat de heroïneverslaving van eiseres al vier jaar duurt. Ter zitting is gebleken dat eiseres hulp mijdend is. Daargelaten het antwoord op de vraag of verslaving als ziekte dient te worden aangemerkt is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich gelet op het voorgaande niet ten onrechte op het standpunt stelt dat in de situatie van eiseres niet gesproken kan worden van een tijdelijke arbeidsongeschiktheid door ziekte als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb nu eiseres ook niet onder behandeling staat en zij al vier jaar in dezelfde situatie zit. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen of een heroïneverslaving onder het begrip ‘ziekte’ van de Verblijfsrichtlijn valt. De verwijzing ter zitting naar de arresten van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Dakneviciute4 en de zaak Saint Prix5 kunnen eiseres niet baten, reeds omdat in die arresten sprake was van zwangerschap en er in die zin uitgegaan werd van een tijdelijke situatie bij de vraag van behoud van de status van werknemer/zelfstandige. Immers die status werd behouden mits de betreffende vrouw binnen een redelijke termijn na de geboorte van haar kind haar werk weer opneemt, een andere zelfstandige activiteit opneemt of een nieuwe baan vindt.

Belangenafweging

10. Eiseres voert aan dat verweerder gelet op haar belangen had moeten afzien van de verwijderingsmaatregel. Eiseres vormt geen onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel omdat zij nooit een beroep gedaan op de bijstand6. Ook heeft eiseres al jaren een relatie met haar partner, van wie zij door het besluit noodgedwongen afscheid moet nemen. Verder is eiseres dakloos en verslaafd. Zij schaamt zich hiervoor en wil daarom niet terug naar Portugal. Eiseres beroept zich verder op artikel 7 en op artikel 45 van het Handvest van de EU 7 en op de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening, de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van de verwijderingsmaatregel. Uit vaste rechtspraak volgt dat een belangenafweging moet worden gemaakt als verweerder vaststelt dat een burger van de Unie geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden8. Dat heeft verweerder in dit geval gedaan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van eiseres minder zwaar wegen dan de belangen van de Nederlandse staat bij het verwijderen van eiseres. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat niet is gebleken van belemmeringen om de relatie met haar partner in Portugal voort te zetten. Dat eiseres is verslaafd en zij daardoor kwetsbaar is, zijn omstandigheden die verweerder niet doorslaggevend heeft hoeven achten.

12. Dat eiseres geen beroep doet op bijstand, heeft verweerder evenmin van doorslaggevend belang hoeven vinden. Uit de rechtspraak van de Afdeling9 volgt dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aan te tonen dat hij, als hij als economisch inactieve over geringe middelen van bestaan heeft beschikt, in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Eiseres heeft weliswaar tijdens haar gehoor met de politie verklaard dat zij door haar werk als prostituee in haar levensonderhoud kan voorzien, maar zij heeft dat niet met bewijsstukken onderbouwd. Bovendien betreffen dat geen rechtmatige inkomsten omdat het inkomsten uit zwart werk betreft. Daarnaast heeft eiseres in het verleden wel een bijstandsuitkering ontvangen. Het enkele feit dat eiseres thans geen beroep doet op publieke middelen maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiseres heeft tijdens dat gehoor ook verklaard dat zij af en toe wat geld krijgt van haar partner. De omstandigheid dat geen beroep doet op het sociale bijstandsstelsel vormt weliswaar een zelfstandig onderdeel bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, maar is geen apart vereiste. Verweerder heeft verder bij zijn belangenafweging waarde mogen toekennen aan het feit dat eiseres verslaafd is, zij haar geld besteedt aan drugs en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld, is van strijd met artikelen 7 en 45 van het Handvest of de Verordening van 13 april 2016 ook geen sprake.

Hoorplicht

13. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. Tijdens een hoorzitting had zij kunnen uitweiden over haar relatie en dat zij tijdens haar verblijf in Nederland geen beroep doet op bijstand.

14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor. Dat eiseres tijdens een hoorzitting had willen uitwijden over haar relatie en de omstandigheid naar voren had willen brengen dat zij geen beroep doet op de bijstand, maakt het voorgaande niet anders. Bovendien heeft zij in bezwaar niets aangevoerd over haar relatie. Omdat het bezwaarschrift voor verweerder geen aanleiding gaf om hierover nadere vragen te stellen, heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren.

Conclusie

15. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft besloten dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en dat zij daarom Nederland moet verlaten.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Algemene Plaatselijke Verordening.

2 Burgerservicenummer.

3 Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.

4 Arrest van 19 september 2019, C-544/18, ECLI:EU:C:2019:761.

5 Arrets van 19 juni 2014, C‑507/12, ECLI:EU:C:2014:2007.

6 Zij verwijst hiervoor naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Verblijfsrichtlijn (COM/2009/313).

7 Het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven en de vrijheid van verkeer en van verblijf.

8 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3368.

9 Zie de uitspraak van 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2504.