Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB 21/773
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie.

Voor een verblijfsrecht op grond van het arrest K.A. dienen, overigens evenals het geval is voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, eerst de identiteit en nationaliteit van eiser te worden aangetoond. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser met de door hem overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond. De zogenoemde Application Form Verification en een Nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in Brussel zijn op basis van eigen verklaringen opgesteld. Hij heeft een paspoort aangevraagd maar niet ontvangen. Eiser heeft zijn nationaliteit en identiteit ook niet met ondersteunend bewijs aannemelijk gemaakt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 21/773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 5 februari 2021 heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.S. Sewman als waarnemer van gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1968 en de Somalische nationaliteit te hebben.

1.1.

Eiser verblijft al geruime tijd in Nederland en is al eerder door verweerder in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vergunning is later ingetrokken.1 Vervolgens heeft eiser verscheidene opvolgende aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De laatste opvolgende aanvraag dateert van 12 december 2018. Die aanvraag heeft eiser op 8 oktober 2020 ingetrokken.

1.1.

Eiser beoogt verblijf bij zijn dochter [referente] , geboren op
[datum] 2002. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Sinds haar aankomst in Nederland verblijft referente bij haar moeder. Op 19 juni 2020 heeft eiser de aanvraag die hier aan de orde is ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez2 van 10 mei 2017 van het Hof van Justitie.

Aan de aanvraag heeft eiser verschillende stukken ten grondslag gelegd, waaronder:

- een zogenoemd Application Form Verification van de Somalische ambassade in Brussel van 11 november 2019;

- een Nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in Brussel van
26 oktober 2020.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat referente ouder is dan achttien jaar. Aangezien zij niet meer minderjarig is, komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Daarnaast is het arrest K.A.3 van het Hof van Justitie van 8 mei 2018 niet van toepassing ten aanzien van referente als meerderjarige Unieburger. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit niet aangetoond, de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente is niet aangetoond en niet gebleken is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en referente op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden, aldus verweerder.

Meerderjarigheid en het arrest Chavez-Vilchez

3. Eiser voert aan dat referente ten tijde van het indienen van de aanvraag minderjarig was en gedurende de behandeling van de aanvraag meerderjarig is geworden. Daarom is het arrest Chavez-Vilchez wel van toepassing. Daarnaast is het verblijfsrecht dat volgt uit het arrest Chavez-Vilchez declaratoir en bezat eiser dit recht, zonder tussenkomst van verweerder, al sinds de minderjarigheid van referente. Daarom is ten onrechte aan eiser geen verblijfsdocument verleend.

3.1.

Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van EU-burger ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kinderen, die staatsburger zijn van die lidstaat en te zijnen laste komen, verblijven. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.4

3.2.

De rechtbank stelt vast dat referente op [datum] 2020 achttien jaar oud is geworden en dus niet langer minderjarig is. Dat betekent dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez en op die grond geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van de VWEU. Dat referente gedurende de aanvraag meerderjarig is geworden doet daar niet aan af. Verweerder moet immers, gezien het declaratoire karakter van het recht, beoordelen of eiser ten tijde van het nemen van het besluit voldoet aan de voorwaarden. Zelfs al zou moeten worden aangenomen dat eiser aanspraak zou kunnen maken op een aan het arrest Chavez-Vilchez ontleend verblijfsrecht ten tijde van de minderjarigheid van referente, dan nog geldt dat dat verblijfsrecht tijdelijk is en op het moment dat referente meerderjarig werd, te weten op [datum] 2020, van rechtswege als geëindigd is. De afgifte van een verblijfsdocument op grond van het arrest Chavez-Vilchez is immers een declaratoire handeling die alleen het recht erkent en niet toekent. Dit wordt ook bevestigd door de uitspraak van 23 september 20205 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling):

‘4.2. Uit de jurisprudentie van het Hof volgt dat een Chavez-Vilchez verblijfsrecht een afgeleid verblijfsrecht is dat als doel heeft om te voorkomen dat een burger van de Unie geen gebruik kan maken van de rechten die horen bij het Unieburgerschap. Het verblijfsrecht van [appellant] is daarmee alleen gebaseerd op de afhankelijkheidsrelatie met zijn minderjarige Nederlandse kind. Hoewel [appellant] terecht betoogt dat het verblijfsrecht lang kan voortduren, eindigt dit in beginsel zodra het kind meerderjarig wordt of zodra het kind niet langer afhankelijk is van de zorg van [appellant]. Op voorhand staat dus vast dat het verblijfsrecht een tijdelijk karakter heeft, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen.’

De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest K.A.

4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de aanvraag die hier aan de orde is getoetst aan de vraag of eiser een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest K.A.

4.1.

Voor een verblijfsrecht op grond van het arrest K.A. dienen, overigens evenals het geval is voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, eerst de identiteit en nationaliteit van eiser te worden aangetoond. Dat verweerder deze eis mag stellen volgt uit het arrest Oulane van het Hof van Justitie van 17 februari 20056:

‘21. Hieruit volgt dat een lidstaat van ontvangers van diensten die onderdaan van een andere lidstaat zijn, het bewijs van hun identiteit en hun nationaliteit mag verlangen indien zij op zijn grondgebied wensen te verblijven.

(…)

25. Indien de betrokkene geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart overlegt, maar zijn nationaliteit niettemin ondubbelzinnig kan aantonen met andere middelen, mag de lidstaat van ontvangst zijn verblijfsrecht niet betwisten op de enkele grond dat de betrokkene niet een van bovengenoemde documenten heeft overgelegd.’

De Afdeling heeft dit in haar uitspraak van 24 februari 20217 ook bevestigd. Dit betekent dat de bewijslast op eiser rust om, ongeacht of sprake is van bewijsnood ten aanzien van officiële identiteitsdocumenten, zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig moet aantonen. Pas dan wordt toegekomen aan de beoordeling of de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente is aangetoond en of sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en referente dat hieruit een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU kan ontstaan.

Identiteit

5. Eiser voert aan dat hij voor het overleggen van een paspoort of identiteitsdocument in bewijsnood verkeert. Somalische documenten kunnen niet als bewijs dienen zolang het regime daar internationaal niet wordt erkend. Daarnaast kent het gemeenschapsrecht een vrije bewijsleer, waarbij eiser in staat is om met ieder bewijsstuk zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. De twee stukken die al zijn overgelegd, zijn eenduidig en wijzen erop dat eiser de identiteit en nationaliteit bezit die hij stelt. Bovendien heeft verweerder eiser eerder in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. En in het kader van de nareisprocedure die de moeder van referente heeft ingediend, heeft eiser een toestemmingsverklaring getekend. Ook in die procedure is het van belang dat de identiteit en nationaliteit van de achterblijvende ouder vast komt te staan en verweerder heeft die in het kader van die verklaring kennelijk aangenomen. Daarmee heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit aangetoond, aldus eiser.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser met de door hem overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig heeft aangetoond. De twee documenten die eiser heeft overgelegd zijn afgegeven via de Somalische ambassade in Brussel. Omdat er geen internationaal erkend centraal gezag is in Somalië, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de door de Somalische autoriteiten afgegeven documenten niet erkend worden. Bovendien heeft verweerder terecht opgemerkt dat uit de nationaliteitsverklaring niet blijkt welk onderzoek de ambassade heeft gedaan, deze verklaring niet gelegaliseerd is en de gegevens blijkens die verklaring zijn overgenomen van het Nederlands rijbewijs van eiser. Dit betekent dat de nationaliteitsverklaring kennelijk enkel op basis van eisers eigen verklaringen is opgesteld, zodat daar niet de waarde aan kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Verder merkt verweerder terecht op dat de Application Form Verification een aanvraag voor een paspoort inhoudt. Alleen het overleggen van deze aanvraag is onvoldoende, omdat dit geen indicatie geeft van de identiteit en nationaliteit van eiser. In het Algemeen Ambtsbericht over Somalië van 2019 staat dat bij de aanvraag een interview en centrale controle aan voorafgaat.8Het paspoort zelf heeft eiser, zo heeft hij op zitting verklaard, nog niet ontvangen, ondanks dat meerdere maanden zijn verstreken sinds die aanvraag.

Eiser heeft ook zijn nationaliteit en identiteit niet met ondersteunend bewijs aannemelijk gemaakt. Hierbij speelt mee dat de eerder aan eiser verstrekte verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingetrokken, omdat hij onjuiste gegevens had verstrekt. Hieraan lag ten grondslag dat eiser voor zes gezinsleden een aanvraag tot een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis had ingediend. De identificerende interviews van deze zes gezinsleden verschilden op essentiële onderdelen met de verklaringen van eiser die tot zijn vergunningverlening hebben geleid.9 Gelet hierop kan ook geen waarde worden toegekend aan de toestemmingsverklaring die eiser in de nareisprocedure van referente heeft getekend. De beroepsgrond slaagt niet.

Overige gronden

6. Omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de gronden die zijn aangevoerd ten aanzien van de familierechtelijke relatie en de beoordeling of gebleken is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat eiser en referente op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden.

Horen in de bezwaarprocedure

7. Eiser betoogt dat door verweerder niet nader is onderzocht welke positie eiser inneemt in het leven van referente en wat de impact op referente is als eiser Nederland dient te verlaten. Daarom had verweerder eiser en referente moeten horen.

7.1.

Van het horen in bezwaar mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank is, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat verweerder daarom van horen heeft kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

8. Samenvattend heeft verweerder niet ten onrechte de aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.M van den Assem, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 juni 2021.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie zaaknummer: AWB 13/16689 (niet gepubliceerd)

2 ECLI:EU:C:2017:354.

3 ECLI:EU:C:2018:308.

4 ECLI:EU:C:2017:354.

5 ECLI:NL:RVS:2020:2272.

6 ECLI:EU:C:2005:95.

7 ECLI:NL:RVS:2021:356.

8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/ambtsberichten/2019/03/19/algemeen-ambtsbericht-zuid--en-centraal-somalie-2019

9 Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:3504.