Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5720

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB 20/2670
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan, evenmin duurzaam verblijfsrecht. Beroep op Benelux-overeenkomst slaagt niet. Belangenafweging juist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/2670

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen

[Naam1], eiser,

V-nummer: [Nummer 1]

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de vaststelling dat hij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft, kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Gebdatum 1] en bezit de Belgische nationaliteit. Sinds 17 april 2014 staat hij in Nederland ingeschreven in de BRP.1

2. Werkplein Hart van West-Brabant heeft aan verweerder gemeld dat eiser met ingang van 29 juni 2018 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Verweerder heeft daarop bij brief van 20 september 2018 aan eiser meegedeeld dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar de rechtmatigheid van zijn verblijf in Nederland. Eiser heeft op 3 oktober 2018 op deze mededeling gereageerd.

3. Bij besluit van 14 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser tussen 17 april 2014 en 31 december 2015 in drie korte periodes rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad wegens het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid. Van 31 december 2015 tot 30 juni 2016 was er sprake van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.12, tweede lid, onder c, van het Vb.2 Niet gebleken is echter dat eiser in de periodes daartussen of vanaf 30 juni 2016 heeft gewerkt, werkzoekende is geweest met een reële kans op werk, of beschikte over voldoende middelen van bestaan. Vanaf 29 juni 2018 was daar sowieso geen sprake meer van, omdat hij een bijstandsuitkering ontving en daarmee een belasting vormde voor het sociale bijstandsstelsel in Nederland. Daarom is het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland geëindigd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer overwogen dat eiser van 4 februari 2019 tot 30 juni 2019 reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht voor de gemeente Roosendaal, zodat er ook in die periode sprake was van rechtmatig verblijf. Volgens verweerder is het rechtmatig verblijf van eiser echter op 30 juni 2019 geëindigd.

5. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. In de periode dat hij bij zijn moeder woonde, kon hij worden aangemerkt als een familielid van een gemeenschapsonderdaan die voldoet aan de voorwaarden onder artikel 8.12, eerste lid, van het Vb. Zij had geen bijstandsuitkering zoals door verweerder wordt gesteld, maar een Belgische Ziekenkasuitkering. Hij is gestopt met zijn werk voor de gemeente Roosendaal als gevolg van ziekte. Bovendien heeft het UWV een Indicatie Banenafspraak aan eiser toegekend. Door zijn arbeidshandicap kunnen aan hem niet dezelfde eisen worden gesteld als aan een persoon zonder beperkingen, het beleid is volgens eiser discriminatoir. Ook stelt eiser dat hij geen onevenredige belasting voor het sociale bijstandsstelsel heeft gevormd, de beëindiging van zijn verblijfsrecht is dan ook geen evenredig middel. Tot slot stelt eiser dat verweerder ambtshalve had moeten toetsen of hij in aanmerking kwam voor rechtmatig verblijf op grond van de Benelux-overeenkomst3 zoals geïmplementeerd in artikel 8.5 en 8.6 van het Vb.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verblijfsrecht

6. De inwoner van de Europese Unie die langer dan drie maanden wil verblijven in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden staan in de Verblijfsrichtlijn.4 In Nederland zijn deze voorwaarden overgenomen in artikel 8.7 tot en met 8.25 van het Vb.

In artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb is neergelegd dat de vreemdeling langer dan drie maanden na inreis rechtmatig in Nederland verblijft indien hij in Nederland werknemer is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Op grond van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb heeft de vreemdeling langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland indien hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. Vast staat dat eiser sinds 30 juni 2019 geen reële en daadwerkelijke arbeid meer heeft verricht. De stelling dat hij is uitgevallen als gevolg van ziekte heeft hij niet met stukken onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat hij sindsdien een reële kans op werk heeft gehad. Hieruit volgt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde om als economisch actieve gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb aangemerkt te worden. Eisers stelling dat sprake is van discriminatoir beleid omdat hij een arbeidshandicap heeft, wordt niet gevolgd. Zoals verweerder niet ten onrechte heeft gesteld, maakt deze handicap niet dat eiser niet in staat is om werkzaamheden te verrichten. Dit blijkt ook uit het feit dat hij in het verleden reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Bovendien wordt hij geholpen bij het vinden van een passende baan in het kader van de Indicatie Banenafspraak. Hij kan daarom niet gelijkgesteld worden met de persoon die tijdelijk dan wel blijvend arbeidsongeschikt is.5

8. Verder heeft eiser ter zitting verklaard dat hij sinds 20 april 2019 bij zijn vriendin woont. Sinds 30 juni 2019 leven zij samen van haar bijstandsuitkering. Hieruit volgt dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Daarom kan eiser evenmin worden aangemerkt als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid onder b, van het Vb. Verweerder heeft dan ook kunnen vaststellen dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft.

Duurzaam verblijfsrecht

9.
Op grond van artikel 8.17, eerste lid onder a, van het Vb heeft de vreemdeling die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Eiser stelt dat daar in zijn geval sprake van is.

10. Vast staat dat eiser van 29 juni 2018 tot 4 februari 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet heeft ontvangen. In die periode voldeed hij dan ook niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8.12 van het Vb en was er dus geen sprake van rechtmatig verblijf. Hieruit volgt ook dat er voorafgaand aan het bestreden besluit geen sprake is geweest van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft gesteld, kan wat eiser heeft aangevoerd over de rechtmatigheid van zijn verblijf in de periode voordat hij deze bijstandsuitkering ontving dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank laat de beroepsgronden die daarop zien daarom onbesproken.

Benelux-overeenkomst

11. Eiser heeft een beroep gedaan op de Benelux-overeenkomst, geïmplementeerd in artikel 8.5 en 8.6 van het Vb. Die artikelen zijn hier echter niet van toepassing. In het bestreden besluit is immers slechts vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan meer heeft. Er is geen sprake van het weigeren van toegang op grond van artikel 8.5 van het Vb, dan wel het afwijzen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8.6, eerste lid, van het Vb. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Belangenafweging

12. De Afdeling6 heeft in twee uitspraken van 7 november 20187 geoordeeld dat ingevolge artikel 14, derde lid en punt 16 van de considerans van de Verblijfsrichtlijn een belangenafweging moet worden gemaakt als verweerder vaststelt dat de burger van de Europese Unie geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft of heeft gehad, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit kenbaar alle door eiser aangevoerde omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Daarbij heeft verweerder ook de duur van eisers verblijf in Nederland en de duur, frequentie en omvang van het beroep dat hij op de algemene middelen heeft gedaan betrokken. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot die uitkomst heeft kunnen komen. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom de belangenafweging niet juist zou zijn.

Slotsom

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 1 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Basisregistratie personen.

2 Vreemdelingenbesluit 2000.

3 Overeenkomst van 19 september 1960 inzake de tenuitvoerlegging van de artikelen 55 en 56 van het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.

4 Richtlijn 2004/38/EG.

5 Als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid onder a, en 8.17, vierde lid onder c, van het Vb.

6 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7 ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585.