Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5673

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
NL21.4291
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, art. 59 lid 1 onder a, aanleiding vragen id-document, medische omstandigheden meegewogen, zicht op uitzetting, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4291

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-Nummer]

(gemachtigde: mr. M. Terpstra), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.F. Zuidwijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Liberiaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1990].

2. Eiser voert allereerst aan dat uit het proces-verbaal van aanhouding niet duidelijk blijkt op welke grond hij naar zijn identiteitsdocument is gevraagd. Het is dan ook niet duidelijk dat hiervoor een strafrechtelijke aanleiding is geweest.

3. De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van aanhouding staat vermeld dat de verbalisanten op 17 maart 2021 omstreeks 22:30 de opdracht kregen om te gaan naar de Markengouw om Handhaving te ondersteunen bij het controleren van een persoon op zijn identiteitsbewijs. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij navraag heeft gedaan naar de reden van dit verzoek om ondersteuning en vervolgens een email heeft ontvangen waaruit blijkt dat de reden voor het vragen naar het identiteitsbewijs het overtreden van de avondklok betrof. Verweerder heeft na de zitting de email overgelegd van ‘CityControl

interventie’ waarin de datum en tijd ‘17-03-2021 22:26’ staat vermeld en bij situatie ‘COVID-19’. Uit het proces-verbaal blijkt vervolgens dat eiser geen identiteitsbewijs had. Op basis van de naam die eiser opgaf, bleek uit de politiesystemen dat eiser nog een boete had openstaan van 309 euro en dat hij moest worden aangehouden indien dit niet direct kon worden betaald. Eiser is vervolgens aangehouden, omdat hij die boete niet direct kon betalen.

4. De rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal in combinatie met de toelichting van verweerder volgt dat er niet een vreemdelingrechtelijke reden was om eiser te vragen om een legitimatiebewijs. Er was vervolgens sprake van een strafrechtelijke aanhouding. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Daartoe moet men zich wenden tot de voor toetsing van strafrechtelijk optreden aangewezen rechter of tot een rechter met algemene bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder in zijn belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische omstandigheden van eiser. Hij heeft namelijk hartproblemen en krijgt hiervoor medicatie. De omstandigheden in detentie, mede door het strengere coronaregime, zijn niet goed voor hem. Hij moet namelijk gezond eten, genoeg bewegen en hij moet zo min mogelijk stress hebben.

8. De rechtbank overweegt dat verweerder in de maatregel van bewaring heeft gemotiveerd dat in het detentiecentrum voldoende zorg voor eiser aanwezig is en dat deze zorg vergelijkbaar is met de zorg in de vrije maatschappij. Verder heeft verweerder contact

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

opgenomen met een GGD-arts en die heeft medegedeeld dat er geen bezwaar was tegen de insluiting van eiser. Verweerder heeft de belangen van eiser dan ook voldoende meegewogen en eiser terecht detentiegeschikt geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert ten slotte aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Hij heeft namelijk al eerder in bewaring gezeten en er zijn al vaker trajecten voor de aanvraag van een laissez passer (LP) opgestart die niet tot uitzetting hebben geleid. Verweerder heeft niet voldoende gemotiveerd waarom de maatregel van bewaring deze keer wel tot uitzetting zal leiden en waarom er zicht op uitzetting is.

10. De rechtbank overweegt het volgende. Verweerder stelt dat door Liberia in 2013 weliswaar een non-statement is afgegeven, maar dat de LP-trajecten met Ghana en Sierra Leone in 2015 en respectievelijk 2013 zijn afgebroken vanwege onvoldoende aanknopingspunten. Sindsdien is een aantal jaar verstreken en de omstandigheden kunnen zijn gewijzigd. Verweerder heeft verder uitgelegd dat de regievoerder onderzoek doet bij welk land het LP-traject gaat worden opgestart. Verweerder stelt zich hierbij terecht op het standpunt dat van eiser een actieve en volledige medewerkingsplicht aan zijn uitzetting wordt verwacht en dat hij in het gehoor voor de inbewaringstelling ook heeft verklaard dat hij zijn eigen terugkeer kan regelen. De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

02 april 2021

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.