Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5672

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
NL21.4370
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, art. 59 lid 1 onder a Vw, zicht op uitzetting, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.4370

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Chbab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1964].

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit.

Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser betwist de zware grond onder 3d en de lichte grond onder 4d. De overige gronden betwist eiser niet.

4. De rechtbank overweegt dat de zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3i en de lichte gronden onder 4a en 4c, in onderlinge samenhang bezien, de maatregel van bewaring kunnen dragen. Wat eiser over de overige gronden heeft aangevoerd, hoeft daarom niet besproken te worden. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert verder aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Eiser is namelijk in 2016 ook in bewaring gesteld en dit heeft niet tot zijn uitzetting geleid. Eiser voert aan dat nu in feite misbruik wordt gemaakt van het opleggen van de maatregel van bewaring.

6. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. De vorige maatregel van bewaring is op 15 februari 2017 opgeheven wegens een belangenafweging. Dit betekent echter niet dat eiser niet opnieuw in bewaring kan worden gesteld of dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de regievoerder een laissez passer (LP) gaat aanvragen. Verweerder stelt terecht dat hij hiervoor de tijd moet krijgen en dat het niet op voorhand duidelijk is dat de Marokkaanse autoriteiten deze LP niet zullen afgeven. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder misbruik maakt van zijn bevoegdheid door een maatregel van bewaring op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

02 april 2021

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.