Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
NL21.5381
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom de door eiser opgegeven nationaliteit niet wordt gevolgd. Uit het terugkeerbesluit blijkt naar welk land eiser moet terugkeren. Ongegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.5381

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.5382, plaatsgevonden op 29 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ablet. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 november 2019 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Hij heeft daarbij verklaard de Chinese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [1970].

2. Eiser heeft -samengevat weergegeven - aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij China heeft verlaten nadat hij een aantal keer is benaderd door de Chinese veiligheidsdienst en hem daarbij is gevraagd om als spion te werken om Kazachse en Oeigoerse mensen voor de Chinese autoriteiten in de gaten te houden. Eiser heeft dit steeds geweigerd. Eiser woonde sinds 2017 in Kazachstan en heeft in 2019 vanwege de steeds dreigender wordende situatie Kazachstan verlaten.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. nationaliteit, identiteit en herkomst;

  2. problemen met de Chinese autoriteiten.

Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit niet geloofwaardig geacht. Daarbij is meegewogen dat eiser een per 19 februari 2019 ongeldig gemaakt Chinees paspoort heeft overgelegd en een vals bevonden Chinese geboorteakte. Eiser heeft verder een Kazachse identiteitskaart overgelegd. Eiser heeft in het aanmeldgehoor zelf verklaard dat hij in juni of juli 2018 een echt Kazachs paspoort heeft gekregen, die is ingenomen door een tussenpersoon met wie hij naar Nederland reisde. Volgens verweerder is het toerekenbaar dat eiser dit paspoort niet heeft overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij het Kazachse paspoort heeft gekregen door ervoor te betalen, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij het Kazachse paspoort onrechtmatig heeft verkregen en dat hij niet daadwerkelijk de Kazachse nationaliteit bezit. Uit de Kazachse nationaliteitswetgeving blijkt dat etnische Kazachen via een vereenvoudigde procedure Kazachs staatsburgerschap kunnen verkrijgen. Op grond van de Chinese nationaliteitswetgeving verliest iemand de Chinese nationaliteit indien een andere nationaliteit is verkregen. Het feit dat in het Chinese paspoort van eiser staat dat het paspoort ongeldig is, is hiermee in overeenstemming. Nu ervan uit wordt gegaan dat eiser de Kazachse nationaliteit heeft, heeft verweerder de gestelde problemen met de Chinese autoriteiten niet getoetst. Verder is niet gebleken dat eiser in Kazachstan in de negatieve belangstelling heeft gestaan van de Kazachse autoriteiten of te vrezen heeft voor derden waartegen de Kazachse autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.

4. Eiser voert in beroep aan dat hij niet op zorgvuldige wijze is gehoord omdat hij niet is gehoord in de taal van zijn voorkeur, terwijl dit wel het uitgangspunt is. Dit volgt uit artikel 38 van de Vw en de wetsgeschiedenis.1 Pas als er geen tolk in de voorkeurstaal beschikbaar is, wordt er gekeken naar een andere taal die de aanvrager redelijkerwijs wordt geacht te spreken. In het geval van eiser is gesteld noch gebleken dat aan zijn verzoek om in zijn voorkeurstaal te worden gehoord niet kon worden voldaan. Verweerder heeft eiser bovendien misleid tijdens het aanmeldgehoor door hem te bewegen toch het gehoor in het Mandarijn af te leggen. Verweerder heeft er actief aan bijgedragen dat eiser niet juist op de hoogte is gebracht van zijn rechten. Er is gesteld dat het om een eenvoudig gehoor gaat, terwijl 'eenvoudig' een subjectief begrip is. Dat eiser Mandarijn spreekt maakt bovendien niet dat hij zich in die taal het beste kan uitdrukken. De verklaring van eiser over zijn nationaliteit kan niet ten grondslag worden gelegd aan het besluit. Uitgegaan moet worden van de aanvullingen en correcties die op dit punt op het aanmeldgehoor naar voren zijn gebracht. Eiser heeft in het aanmeldgehoor ook verklaard dat hij voor Kazachse paspoort heeft betaald. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiser de Kazachse nationaliteit heeft. De beschikking is daarom onvoldoende gemotiveerd.

5. Tijdens het aanmeldgehoor van 29 november 2019 en het eerste gehoor van 8 oktober 2020 is gebruik gemaakt van een tolk Mandarijn. Uit het rapport van het aanmeldgehoor blijkt dat eiser voor het gehoor op de gang bij de hoorambtenaar kenbaar heeft gemaakt dat hij Oeigoers wenst te spreken. In reactie daarop heeft de hoorambtenaar uitgelegd dat het om een eenvoudig en kort gesprek gaat en is eiser gevraagd of hij voldoende Mandarijn spreekt. Deze vraag is door eiser bevestigend beantwoord. Vervolgens

1. TK 2014-2015, 34088, nummer 3

is het aanmeldgehoor afgenomen in het Mandarijn. In het eerste gehoor is nogmaals gebruik gemaakt van een tolk Mandarijn, waarbij kort de verklaringen in het aanmeldgehoor zijn doorgenomen en daarover vragen zijn gesteld. Ook zijn de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor besproken. Het nader gehoor van 12 oktober 2020 heeft vervolgens plaatsgevonden met behulp van een tolk Oeigoers.

6. De rechtbank stelt vast dat in geschil is of verweerder in het aanmeldgehoor en eerste gehoor gebruik heeft mogen maken van een tolk Mandarijn. Uit artikel 15, derde lid onder c, van de Procedurerichtlijn volgt dat gebruikt dient te worden gemaakt van de taal waaraan de verzoeker de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. Artikel 38 van de Vw is hiervan een implementatie. In paragraaf C1/2.11 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is vervolgens nader uitgewerkt welke uitgangspunten er gelden bij het inschakelen van een tolk in de voorkeurstaal of talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. Uit de wettelijke bepalingen en het beleid volgt niet de verplichting voor verweerder om in alle gevallen in de voorkeurstaal van de vreemdeling te horen. Er dient immers gebruik te worden gemaakt van de voorkeurstaal, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt. Uit de wetsgeschiedenis waar eiser naar heeft verwezen volgt verder – voor zover van belang - dat er naar wordt gestreefd om de verzoeker zo veel mogelijk te horen in de taal van zijn eigen voorkeur. De rechtbank leest ook hierin geen verplichting voor verweerder om een vreemdeling te horen in de voorkeurstaal.

7. De rechtbank is van oordeel dat het Mandarijn een taal is waarin eiser in het aanmeldgehoor en in het eerste gehoor mocht worden gehoord. De rechtbank volgt verweerder dat het in het aanmeldgehoor en eerste verhoor gaat om vragen van eenvoudige aard. Voor het aanmeldgehoor schatte eiser in dat hij het Mandarijn voldoende beheerst om deze vragen te kunnen beantwoorden. Tijdens het aanmeldgehoor en eerste gehoor is aan eiser gevraagd of hij alles heeft begrepen en of hij de tolk goed heeft verstaan. Eiser heeft hierop bevestigend geantwoord. De gehoorambtenaar heeft tijdens het aanmeldgehoor eiser ook nog apart verzocht meteen aan te geven als hij de tolk niet goed verstaat of begrijpt. Eiser heeft dit niet aangegeven. Hiermee kan worden vastgesteld dat de inschatting van eiser dat hij het Mandarijn voldoende beheerst om antwoord te geven op de gestelde vragen, juist was. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij zou zijn misleid. Verweerder heeft verder terecht belang gehecht aan de omstandigheid dat eiser in China is geboren en hij daar heeft gewoond tot 2017. Verder heeft eiser hoger onderwijs in [plaats] gevolgd, heeft hij 15 jaar in China als bankmedewerker gewerkt en heeft hij hiervoor een staatsexamen afgelegd. De rechtbank stelt gelet op het vorenstaande vast dat verweerder niet in strijd met artikel 38 van de Vw en paragraaf C1/2.11 van de Vc heeft gehandeld door het aanmeldgehoor en het eerste gehoor niet af te nemen in de voorkeurstaal van eiser, maar in een taal waarvan vastgesteld kan worden dat hij die voldoende beheerst om op de gestelde vragen antwoord te geven. Verweerder heeft niet onzorgvuldig gehandeld. Verweerder heeft het aanmeldgehoor en eerste gehoor ook wat betreft de verklaringen van eiser omtrent zijn nationaliteit aan het besluit ten grondslag mogen leggen.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom uitgegaan wordt van de door eiser in het aanmeldgehoor afgelegde verklaringen omtrent het hebben van de Kazachse nationaliteit. Op pagina 3 van het bestreden besluit heeft verweerder twee passages van de verklaringen van eiser aangehaald waaruit volgens hem blijkt dat eiser het verschil kent tussen het hebben van een paspoort en het verkrijgen van de nationaliteit. Eiser heeft verklaard de Kazachse nationaliteit te bezitten en de rechtbank volgt verweerder dat

uit de verklaringen kan worden opgemaakt dat hij dit kan onderscheiden van het hebben van een paspoort. De rechtbank is het verder eens met verweerder dat de correcties en aanvullingen zo wezenlijk van de verklaringen verschillen dat deze verschillen niet kunnen worden uitgelegd op grond van eisers beheersing van het Mandarijn. Ten aanzien van de ongeloofwaardig geachte nationaliteit van eiser heeft verweerder zich verder ook niet alleen beperkt tot zijn verklaringen, maar ook de documenten die eiser heeft overgelegd en de landeninformatie van China en Kazachstan bij de beoordeling betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser voert verder aan dat hij weliswaar beschikte over een echt Kazachs paspoort, maar dat hij het door corruptie heeft verkregen en dat hij niet daadwerkelijk de Kazachse nationaliteit bezit. Eiser verwijst naar het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in Centraal-Azië van september 2012, waaruit volgt dat om in aanmerking te komen voor het Kazachse staatsburgerschap de oude nationaliteit moet worden verloren. Omdat de procedure als lang en bureaucratisch wordt gekenmerkt zijn deze mensen vaak staatloos. Ook kunnen er problemen zijn met bureaucratie bij lokale overheden. Dit past binnen het algemene en meer recente beeld van grote corruptie binnen Kazachstan, waar eiser al op heeft gewezen. Bovendien maakt het enkele feit dat er een vereenvoudigde procedure bestaat nog niet dat aannemelijk is dat eiser daarmee ook de nationaliteit heeft verkregen. Hierbij zijn in het bijzonder ook de verklaringen van belang waarin eiser heeft aangegeven dat hij de documenten tegen betaling van een derde heeft verkregen en zich voor verkrijging van de documenten niet tot de autoriteiten heeft gewend. Gelet hierop is onvoldoende aannemelijk dat eiser de Kazachse nationaliteit heeft. Het besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een algemene verwijzing naar een corruptieprobleem in Kazachstan nog niet aannemelijk maakt dat eiser zijn Kazachse paspoort via omkoping heeft verkregen. Verder heeft verweerder niet alleen tegengeworpen dat er een vereenvoudigde procedure bestaat voor het verkrijgen van de Kazachse nationaliteit en dat daarmee aannemelijk is dat eiser op deze wijze ook de nationaliteit heeft verkregen; verweerder heeft onder andere ook meegewogen dat op basis van de Chinese nationaliteitwetgeving het verkrijgen van een andere nationaliteit betekent dat van rechtswege de Chinese nationaliteit wordt verloren, en dat dit ook past bij het feit dat in het Chinese paspoort van eiser staat dat het paspoort ongeldig is geworden. Ook is meegewogen dat eiser door middel van zijn verklaringen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Kazachse nationaliteit niet bezit. Gelet op de hiervoor besproken tegenwerpingen heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom hij de door eiser opgegeven Chinese nationaliteit ongeloofwaardig acht en aanneemt dat eiser de Kazachse nationaliteit heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Eiser voert tot slot aan dat het terugkeerbesluit niet voldoet aan de eisen die uit de Terugkeerrichtlijn voortvloeien, omdat het niet uitdrukkelijk het land bevat waar hij naar terug moet keren, dan wel waarnaar hij uitgezet zal worden. Dit is wel een vereiste, eiser verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 14 mei 2020.2 Nu het terugkeerbesluit in strijd met de eisen uit de richtlijn moet worden beschouwd komt ook het inreisverbod voor vernietiging in aanmerking.

2 ECLI:EU:C:2020:367

12. De rechtbank overweegt als volgt. Uit rechtsoverweging 115 van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waar eiser naar heeft verwezen volgt dat een terugkeerverplichting niet voorstelbaar is zonder het opnemen van een bepaalde bestemming. Hoewel in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk is vermeld dat eiser dient terug te keren naar Kazachstan, kan geen twijfel bestaan naar welk land eiser moet terugkeren. Dit omdat verweerder aanneemt dat eiser alleen de Kazachse nationaliteit heeft, is getoetst of eiser naar Kazachstan kan terugkeren en is geoordeeld dat de situatie voor eiser in Kazachstan niet te herleiden is tot het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Chinese nationaliteit heeft en om die reden heeft te vrezen voor terugkeer naar China. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

14. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op

14 mei 2021

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.