Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5651

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
19_3961
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijziing verzoek materiële en immateriële schadevergoeidng nav onrechtmatig besluit ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3961


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.D.W. Martens),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2018 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning van schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 28 maart 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via skype op 2 maart 2021. Eiseres heeft daaraan deelgenomen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen.

De gemachtigde van eiseres is in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen, die zijn ontvangen op 17 maart 2021. Van verweerder is een aanvullend verweerschrift ontvangen op 22 maart 2021. Vervolgens is het onderzoek met toestemming van partijen zonder nadere zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres was laatstelijk (op uitzendbasis) werkzaam als Personal Assistant bij [bedrijf] . Na een ziekmelding van eiseres heeft zij met haar toenmalige werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan haar dienstverband per

1 september 2012 is beëindigd.

2. Op 7 september 2012 heeft eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) aangevraagd. Verweerder heeft die aanvraag op 31 oktober 2012 afgewezen, waarbij eiseres werd verweten een benadelingshandeling te hebben gepleegd. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 maart 2013 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 28 augustus 2013 (13/3435) ongegrond verklaard. Vanaf januari 2014 is haar eerst bijstand door de gemeente en vervolgens door verweerder een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend. In het kader van de WIA-uitkering werd zij volledig arbeidsongeschikt geacht.

3. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft bij uitspraak van 27 mei 2015 de onder 2 bedoelde uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Overwogen is dat verweerder de ZW-uitkering ten onrechte blijvend geheel heeft geweigerd. Eiseres heeft weliswaar haar aanspraak op loon prijsgegeven door in te stemmen met beëindiging van haar dienstverband terwijl zij arbeidsongeschikt was, maar eiseres kan daarvan niet in overwegende mate een verwijt worden gemaakt omdat de arbeidsverhouding ernstig verstoord was en een vruchtbare samenwerking evident niet meer voor de hand lag. Een maatregel van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden was passend en geboden geweest. Verweerder is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. In deze uitspraak is tevens het verzoek om verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen ZW-uitkering toegewezen.

4. Op 8 september 2015 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar tegen afwijzing van de aanvraag om een ZW-uitkering beslist. Bij dit besluit is het besluit van 31 oktober 2012 herroepen en is aan eiseres alsnog een ZW-uitkering toegekend over de periode van

1 september 2012 tot 11 juni 2014. Verweerder heeft een nabetaling gedaan van ongeveer

€ 50.000,- (bruto). Dat bedrag is aan de gemeente Den Haag overgemaakt, omdat eiseres op dat moment (tot 2018) in een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject zat.

5. Eiseres heeft verweerder bij brieven van 23 februari 2018 en 3 april 2018 gevraagd om toekenning van schadevergoeding wegens geleden materiële en immateriële schade van totaal € 47.000,- als gevolg van het onrechtmatige besluit van 31 oktober 2012.

6. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gaat om schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom en dat vergoeding daarvan bestaat in wettelijke rente (op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, BW). Met vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade te zijn voldaan. Dit volgt uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:3558 en ECLI:NL:CRVB:2018:2932).

7. Eiseres heeft daartegen in beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- Eiseres heeft naast vergoeding van wettelijke rente recht op een schadevergoeding op grond van de artikelen 6:162 BW en 6:106 lid 1 BW. Verweerder heeft onrechtmatig gehandeld en zijn zorgplicht geschonden, door niet te voorkomen dat eiseres niet over een inkomen kon beschikken op grond van het stelsel van sociale voorzieningen. Verweerder wist dat eiseres wegens ziekte niet in staat was om te werken. De menselijke maat ontbrak in de besluitvorming. Eiseres heeft bovendien jarenlang premie betaald om in een geval als dit te kunnen beschikken over inkomen.

- De gevorderde materiële schadevergoeding bedraagt € 42.000 en ziet op de volgende twee posten. 1) Eiseres heeft haar woning in 2006 gekocht voor € 142.500,- en in 2013 bij executoriale verkoop moeten verkopen voor € 78.057,05. Er rustte een hypotheek op van

€ 163.750,-, zodat een restschuld ontstond van € 79.666,50. De woning zou op dit moment bij verkoop € 30.000,- meer opgebracht hebben, gelet op vergelijkbare woningen op funda. Eiseres vordert € 30.000,- omdat deze waardestijging haar is ontnomen.

2) Eiseres heeft na haar ontslag in juli 2012 een ontslagvergoeding van € 12.000,- netto gehad, die zij vanwege het uitblijven van een ZW-uitkering heeft moeten gebruiken voor schulden en vaste lasten, terwijl dit bedrag bedoeld was voor leuke dingen of om te sparen. Daarom vordert eiseres € 12.000,-. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:HR:2017:18, ECLI:NL:HR:2016:1112, en ECLI:NL:CRVB:2017:1103.

- De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt € 5.000,-. Eiseres kreeg nadat de uitkering (onrechtmatig) is geweigerd een acuut financieel probleem, waardoor zij haar huis met verlies heeft moeten verkopen, gedurende negen maanden dakloos is geweest en alles is kwijtgeraakt. Ook heeft ze carrièreschade opgelopen. De stress die dit alles veroorzaakte heeft mogelijk het herstel van haar nek- en rughernia vertraagd. Als gevolg van het onrechtmatige besluit was dan ook sprake van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als aantasting van de persoon. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216 en ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1

Tussen partijen is in geschil of er naast vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaalde uitkering, grond bestaat voor toewijzing van verdere vergoeding van (materiële en immateriële) schade in verband met het onrechtmatige besluit van 31 oktober 2012.

8.2

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Het onrechtmatige besluit dateert van voor die datum, zodat het vóór die datum geldende recht van toepassing is.

8.3

Voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, dient volgens vaste jurisprudentie in het bestuursrecht zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dat geldt voor zowel materiële als immateriële schade (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169).

Materiële schade

8.4

In het burgerlijk recht is bepaald dat bij een te late betaling van een geldbedrag alleen de wettelijke rente voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 6:119 BW bepaalt dat schadevergoeding die is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad en CRvB (bijvoorbeeld: ECLI:HR:2005:AR0220 en ECLI:NL:CRVB:2012:BY6015) brengt de strekking van deze bepaling mee dat de daarin aangewezen gefixeerde hoogte van de schade niet opzij kan worden gezet op de grond dat de rechthebbende meer schade heeft geleden dan overeenkomt met de wettelijke rente. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. Dit dient de rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht op dit punt. Enerzijds hoeft de schuldeiser niet te bewijzen enige schade te hebben geleden, anderzijds kan geen hogere vergoeding gevorderd worden indien de schade meer dan het fixum zou belopen. Het voorgaande geldt ook indien het gaat om de te late betaling van een uitkering waarop iemand voor zijn levensonderhoud is aangewezen (ECLI:NL:CRVB:2018:2932).

8.5

De vordering van eiseres die ziet op het mislopen van een gestelde waardestijging van haar woning nadat deze executoriaal moest worden verkocht, hangt samen met het gemis aan financiële middelen om tijdig de hypotheeklasten te kunnen betalen. De gestelde schade - wat daar verder ook van zij - is ontstaan door vertraging in de betaling van de uitkering. Uit overweging 8.4 volgt dat deze schade naast de reeds toegekende wettelijke rente, niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt. Immers normeert artikel 6:119 BW de omvang en duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Datzelfde geldt voor de gevorderde schadevergoeding die ziet op de in 2012 ontvangen ontslagvergoeding. Dat eiseres die ontslagvergoeding bij tijdige toekenning en ontvangst van een uitkering wellicht anders had kunnen en willen besteden, maakt niet dat er in deze procedure ruimte is om de in verband daarmee gevorderde schadevergoeding toe te wijzen. Ook ten aanzien van deze vordering geldt dat die - los van wat daar verder van zij - betrekking heeft op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, zodat deze naast vergoeding van wettelijke rente niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komt. De grond dat eiseres naast wettelijke rente recht heeft op een schadevergoeding op grond van de artikel 6:162 BW slaagt niet.

8.6

Niet gezegd kan worden dat op verweerder een zorgplicht rust die zover gaat dat een aanvraag om een ZW-uitkering van iemand die wegens ziekte niet in staat is om te werken niet kan worden afgewezen, louter omdat daardoor een nijpende financiële situatie zou ontstaan. Dat verweerder in dit geval een besluit heeft genomen dat achteraf onrechtmatig bleek te zijn, maakt - gelet op voornoemde vaste jurisprudentie - niet dat er aanleiding bestaat om een ander beoordelingskader toe te passen dan onder 8.4 is vermeld.

8.7

De door eiseres aangevoerde rechtspraak kan het voorgaande niet anders maken. Die rechtspraak ziet niet op een vertraging in de betaling van een geldsom, maar op een onterechte weigering aan een werkgever van een ontslagvergunning (ECLI:NL:HR:2017:18), het verlenen van vergunningen waaraan gebreken kleefden (ECLI:NL:HR:2016:1112) en het vergoeden van belastingschade (ECLI:NL:CRVB:2017:1103). Deze rechtspraak mist daardoor relevantie en zal verder onbesproken worden gelaten.

Immateriële schade

8.8

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bestaat er voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding in de gevallen die in dat artikel zijn genoemd, waaronder het geval waarin de benadeelde in zijn eer of goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de benadeelde.

8.9

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij na de verkoop van haar woning in 2013 negen maanden dakloos is geweest en in die periode is opgevangen door vrienden. Zij was ziek vanwege een hernia en kon in die periode niet aan haar herstel werken. Eiseres vindt dat haar onrecht is aangedaan in de periode waarin zij volgens verweerder geen recht op een uitkering had. Vanaf eind 2019 staat zij op een wachtlijst voor behandeling bij een psycholoog. Vanwege corona is nog geen behandeling gestart. Mogelijk heeft zij ptss, maar dit is nog niet vastgesteld.

8.10

De rechtbank overweegt hieromtrent dat evident is dat eiseres door het onrechtmatige besluit tot weigering van een ZW-uitkering problemen heeft ondervonden en dat de omstandigheden waarmee eiseres te maken heeft gehad (tot haar vanaf 2014 eerst bijstand en vervolgens een WIA-uitkering werden toegekend) ingrijpend en zwaar voor haar moeten zijn geweest. In dit geval is echter niet met stukken onderbouwd en geconcretiseerd dat sprake is geweest van een situatie waarin moet worden vastgesteld dat eiseres zodanig heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige besluit tot weigering van de uitkering, dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten. Er zijn geen stukken overgelegd van een psycholoog of psychiater waaruit het bestaan van geestelijk letsel en de ernst daarvan blijkt. Verweerder heeft daarom terecht beslist dat er geen grond is voor vergoeding van immateriële schade.

8.11

Uit de door eiseres genoemde uitspraak met vindplaats ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169 volgt dat ook een ingrijpende aantasting van een fundamenteel recht kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de in van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, zonder dat nodig is dat geestelijk letsel is vastgesteld. In deze uitspraak is geoordeeld dat de onrechtmatige weigering van het verlenen van toegang tot de maatschappelijke opvang (op grond van de Wet maatschappelijke opvang) geen ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 van het EVRM oplevert en is de gevraagde immateriële schadevergoeding afgewezen. In het onderhavige geval heeft eiseres niet gesteld (en aannemelijk gemaakt) dat sprake is van schending van een fundamenteel recht, zoals bijvoorbeeld van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat, zonder nadere onderbouwing, niet gezegd kan worden dat het onrechtmatig genomen besluit maakt dat sprake is van schending van een fundamenteel recht. Het alleen noemen van deze uitspraak is daartoe onvoldoende.

In de andere door eiseres genoemde uitspraak, met vindplaats ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216, is overwogen dat geestelijk letsel onder omstandigheden kan worden aangemerkt als aantasting van de persoon die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. De CRvB heeft vermeld dat daarvan niet snel sprake zal zijn. In die zaak is betrokkene, nadat zij onrechtmatig uit haar functie was ontheven, onder behandeling geweest van een psycholoog en heeft zij zich ziek gemeld. Geoordeeld is dat zij er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zodanig leed is ondervonden als gevolg van het onrechtmatige besluit dat sprake was van geestelijk letsel. Deze uitspraak leidt niet tot een ander oordeel dan onder 8.10 is vermeld.

Conclusie

8.12

Het voorgaande betekent dat verweerder het verzoek om toekenning van schadevergoeding terecht heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. de Keuning, rechter, in aanwezigheid van

W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.