Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3654
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door eiser aangegeven omzet terecht verhoogd en de door eiser opgevoerde administratiekosten terecht niet in aftrek toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-6-2021
V-N Vandaag 2021/1610
FutD 2021-2085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/3654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: W.D. Roos),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.000, en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 30.000. Tegelijkertijd is bij afzonderlijke beschikkingen bij de aanslag IB/PVV € 196 en bij de aanslag Zvw € 42 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij verminderingsbeschikking van 8 april 2020 (verminderingsbeschikking) de aanslag Zvw en de daarbij opgelegde beschikking belastingrente verminderd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 april 2020 (uitspraak op bezwaar) de aanslag IB/PVV en de daarbij opgelegde beschikking belastingrente verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser exploiteert sinds 1 oktober 2008 een eenmanszaak onder de naam Juwelier [kantoor] . Volgens de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten van de onderneming uit het importeren, exporteren en verkopen van elektronische artikelen, sieraden en edelmetalen, industriële goederen, food en non-food en overige consumentenproducten, alsmede het geven van computerles en het uitvoeren van projecten voor de civiele bouw en openbare werken.

2. Op 16 oktober 2015 heeft eiser aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil.

3. Op 19 juli 2017 heeft eiser een herziene aangifte IB/PVV (herziene aangifte) voor het jaar 2014 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € -/- 7.158, bestaande uit een verlies uit onderneming van € 8.323. Daarbij heeft eiser € 1.165 aan

MKB-winstvrijstelling in aanmerking genomen. Het verlies is als volgt samengesteld:

Omzet € 6.803

Overige opbrengsten € 2.509

Af: inkoop € 1.500

Af: huisvestingskosten € 11.314

Af: verkoopkosten € 4.564

Af: schulden € 763

Bij: buitengewone baten € 506

Verlies € 8.323

4. Op 16 november 2017 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2016 en omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.

5. Lopende het onderzoek heeft verweerder op 7 april 2018 ter behoud van rechten de onderhavige aanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd.

6. De uitkomsten van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een tot de gedingstukken behorend controlerapport van 29 november 2018 (het controlerapport). In het controlerapport is – voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“4.1.2 Stortingen op ING Bank rekeningnummer (…)

Volgens de bankafschriften van rekeningnummer (…) is er in het jaar 2014 in totaal

€ 15.110 gestort. (…) De belastingplichtige heeft verklaard dat al het kasgeld werd gestort op de bank. Deze stortingen zijn niet meegenomen bij het bepalen van de omzet (zie ook rubriek 4.1.3).

4.1.3

Omzet

De omzet wordt gegenereerd door middel van contante ontvangsten en pinbetalingen. Belastingplichtige heeft aangegeven de omzet te hebben berekend aan de hand van de verkopen per dag. Alle verkopen zijn volgens hem bijgehouden in het elektronisch kassasysteem. Uit de uitdraaien van het kassasysteem blijkt niet dat de contante ontvangsten zijn geboekt in het kassasysteem. Hierdoor kan de volledigheid van de omzet niet gecontroleerd worden. Verder heeft de belastingplichtige verklaard dat al het kasgeld werd gestort op de bank. Deze stortingen van in totaal € 15.110 in 2014 zijn niet meegenomen bij het bepalen van de omzet. Omdat er geen rekening is gehouden met deze bedragen vind er een correctie plaats. De omzet wordt voor het jaar 2014 gecorrigeerd met 100/121 x € 15.110 = € 12.488.

(…)

4.2

Administratiekosten

De belastingplichtige heeft in het gecontroleerde tijdvak administratiekosten die betaald zijn aan Administratiekantoor [kantoor] aangegeven van respectievelijk€ 3.588 (…). Deze administratiekantoor werd gedreven tot 03-04-2017 door mevrouw [B] . Op 1 februari 2018 heb ik een derden-onderzoek aangekondigd bij mevrouw [B] . Mevrouw [B] heeft diverse keren de afspraak verzet en uiteindelijk niets aangeleverd. Er is geen administratie aangetroffen die samengesteld zou zijn. Ook is niet gebleken dat er diensten zijn verricht en dat er facturen zijn uitgeschreven door mevrouw [B] . Omdat de zakelijkheid van de kosten niet is aangetoond, worden de kosten die in het gecontroleerd tijdvak in aftrek zijn gebracht, niet in aftrek toegelaten. Ik corrigeer de administratiekosten voor 2014 met € 3.588 (…).

(…)”

7. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 6.667. Verweerder heeft daarbij de in 6 vermelde contante stortingen van in totaal € 12.488 als omzet aangemerkt en de door eiser in de herziene aangifte in aftrek gebrachte administratiekosten van € 3.588 niet geaccepteerd. Voor het overige heeft verweerder de herziene aangifte gevolgd.

8. Bij verminderingsbeschikking heeft verweerder de aanslag Zvw verminderd tot op een bijdrage-inkomen van € 6.667.

Geschil
9.In geschil is of verweerder de door eiser aangegeven omzet terecht heeft verhoogd met € 12.488. Daarnaast is in geschil of verweerder de door eiser opgevoerde administratiekosten van € 3.588 terecht niet in aftrek heeft toegelaten.

10. Eiser stelt dat de contante stortingen ten onrechte als omzet zijn aangemerkt, omdat het geld afkomstig is uit de verhuur van onroerend goed in Irak. Daarnaast is volgens eiser sprake van etnisch profileren. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de in aftrek gebrachte administratiekosten ten onrechte zijn geweigerd en dat alle facturen van administratiekantoor [kantoor] naar verweerder zijn gestuurd.

11. Verweerder stelt dat de contante stortingen zijn aangemerkt als omzet en als

zodanig in de heffing over 2014 zijn betrokken. Ter zitting heeft verweerder betwist dat aan de belastingdienst (afschriften van) facturen van administratiekantoor [kantoor] zijn verstrekt.

Beoordeling van het geschil

Mededeling Bijdrage zorgverzekeringswet van 11 april 2020

12. Voor zover eiser beroep heeft ingesteld tegen de bij het beroepschrift overgelegde “Mededeling Bijdrage zorgverzekeringswet” van 11 april 2020 (de mededeling), overweegt de rechtbank dat die brief niet kan worden aangemerkt als een voor beroep vatbaar besluit als bedoeld in artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het beroep zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Aanslag Zvw 2014

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de verminderingsbeschikking uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dit heeft tot gevolg dat in de verminderingsbeschikking een onjuist rechtsmiddel is vermeld nu niet is aangegeven dat bij de Rechtbank Den Haag beroep ingesteld moet worden. De termijn voor het indienen voor het rechtsmiddel is wel juist vermeld, te weten 20 mei 2020. Nu eiser, ondanks de onjuiste rechtsmiddelverwijzing, op 22 mei 2020 digitaal beroep heeft ingesteld bij de rechtbank en niet voordien (ook) nog bij verweerder is het niet tijdig ingediend. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop moet het beroep voor zover het is gericht tegen de verminderingsbeschikking niet‑ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toe komt aan een inhoudelijke beoordeling van de aanslag Zvw 2014.

Aanslag IB/PVV 2014

14. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat van omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake is. Dit betekent dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast zal worden beoordeeld of de reeds verminderde aanslag IB/PVV tot het juiste bedrag is opgelegd. Hierbij geldt dat bij een verhoging van de omzet verweerder de betreffende correctie aannemelijk dient te maken. Op eiser rust de bewijslast om de door hem in aftrek gebrachte administratiekosten aannemelijk te maken.

Omzetcorrectie

15. Nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat in het jaar 2014 een bedrag van in totaal € 15.110 is gestort op de zakelijke bankrekening van eiser, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aan zijn bewijslast voldaan dat de contante stortingen tot de omzet van de eenmanszaak van eiser behoren. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de contante stortingen geen omzet betreffen, maar huurinkomsten zijn. Eiser heeft in dit verband in het Arabisch opgestelde stukken en een door hem in het Arabisch opgesteld Excel-overzicht overgelegd. Nu niet beoordeeld kan worden wat in deze stukken staat vermeld, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank

niet aannemelijk gemaakt dat de contant gestorte bedragen voortvloeiden uit de verhuur van onroerend goed in Irak. Ook voor de stelling van eiser dat de huurinkomsten via een advocaat door verschillende personen naar Nederland werden gebracht en dat voor de overdracht van het geld werd getekend, is geen enkele vorm van bewijs overgelegd. Voorts is niet in geschil dat van deze personen, voor zover zij bekend zijn bij eiser, geen verklaringen zijn ingebracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat, nu ook rekening is gehouden met de omzetbelasting, de omzet in zoverre terecht is gecorrigeerd door verweerder.

Administratiekosten

16. De rechtbank overweegt dat in onderhavig dossier geen facturen zijn aangetroffen die betrekking hebben op de door eiser in aftrek gebrachte administratiekosten. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op de opgevoerde aftrek. Daar komt bij dat het voor de rechtbank onduidelijk is gebleven waar de werkzaamheden van

[B] (de ex-partner) op hebben gezien, nu ter zitting door eiser is verklaard dat haar werkzaamheden betrekking hadden op het drijven van de eenmanszaak tijdens zijn afwezigheid. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de aftrekpost administratiekosten dan ook terecht gecorrigeerd.

17. Hetgeen overigens nog door eiser is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De stelling dat sprake is van etnisch profileren heeft eiser niet nader onderbouwd.

18. Eiser heeft tegen de rentebeschikking geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd en ook anderszins is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel in rekening is gebracht.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2014 ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de mededeling van

11 april 2020;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de

verminderingsbeschikking van 8 april 2020;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar

van 11 april 2020.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2021.

De griffier is verhinderd

te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.