Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4277
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een ambtelijk verzuim begaan en kon daarom niet meer navorderen. De navorderingsaanslag en de rentebeschikking moeten dan ook worden vernietigd.

Aan eiseres is ook een vergoeding voor immateriële schade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 2-8-2021
V-N Vandaag 2021/1897
FutD 2021-2506
NTFR 2021/2729 met annotatie van mr. I. van Wijk
NLF 2021/1629
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/4277

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: O. Tuzla MSc LLB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de navorderingsaanslag). Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking) en een vergrijpboete opgelegd (de boetebeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 april 2020 de navorderingsaanslag en de rentebeschikking verminderd en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 16 maart 2021 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Aan eiseres is met dagtekening 16 januari 2012 een voorlopige aanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een te ontvangen bedrag van € 5.791.

2. Eiseres heeft in haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 een gift aan de Islamitische Universiteit Europa (IUE) in aanmerking genomen. De giftenaftrek bedroeg (vóór toepassing van de drempel) € 3.000. In haar aangifte heeft eiseres tevens aanspraak gemaakt op een aftrek voor kosten voor levensonderhoud van kinderen van € 1.180. Ook heeft eiseres aangegeven dat de eigenwoningschuld in 2012 € 185.338 bedraagt en heeft zij

over deze schuld een rentebedrag van € 11.159 in aftrek gebracht.

3. Verweerder heeft op basis van de aangifte met dagtekening 5 juli 2013 een voorlopige aanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een nader te ontvangen bedrag van € 1.182.

4. De aanslag IB/PVV 2012 is vervolgens conform de aangifte opgelegd.

5. Verweerder heeft op 31 augustus 2017 een kennisgeving aan eiseres gezonden dat hij een navorderingsaanslag en boetebeschikking zal opleggen waarbij de in 2 vermelde aftrekposten worden gecorrigeerd.

6. Met dagtekening 11 november 2017 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd. Bij de navorderingsaanslag is € 1.030 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 569.

7. Bij de uitspraak op bezwaar is gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiseres, in die zin dat de aftrekbare hypotheekrente is vastgesteld op € 8.423. De in rekening gebrachte belastingrente is overeenkomstig verminderd. De bij de aanslag IB/PVV 2012 opgelegde vergrijpboete is gehandhaafd.

Geschil
8.Ten aanzien van de vergrijpboete heeft verweerder zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat deze moet komen te vervallen. Thans is tussen partijen nog in geschil

of verweerder de navorderingsaanslag heeft mogen opleggen en of de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht.

9. Eiseres stelt primair dat verweerder niet gerechtigd is de navorderingsaanslag op te leggen, omdat geen sprake is van een nieuw feit of kwade trouw als bedoeld in artikel

16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Verweerder heeft ondanks de uitworpredenen de aangifte niet aan een nader onderzoek onderworpen en heeft daarmee een ambtelijk verzuim begaan. Subsidiair stelt eiseres dat enkel ten aanzien van de giftenaftrek sprake is van een nieuw feit. Verder stelt eiseres dat zij de gift daadwerkelijk heeft gedaan, dat zij ter zake van de door haar gemaakte opvangkosten voor haar kind recht heeft op een aftrek voor extra gezinshulp in plaats van een aftrek voor kosten voor levensonderhoud van kinderen en dat de aftrekbare hypotheekrente vanwege de betaalde rente op de tweede hypotheek vastgesteld dient te worden op € 11.159. Eiseres heeft voorts nog gesteld dat het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de hypotheekrenteaftrek is geschonden en verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

10. De resultaten van het FIOD-onderzoek naar giften aan de IUE vormen volgens verweerder een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Het FIOD-rapport gaf aanleiding de giftenaftrek in twijfel te trekken en daardoor was er ook reden te twijfelen aan de overige aftrekposten. Subsidiair stelt verweerder dat sprake is van kwade trouw van eiseres. Eiseres heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op de giftenaftrek, de aftrek voor kosten voor extra gezinshulp en de renteaftrek ter zake van de tweede hypotheek. Volgens verweerder is het vertrouwensbeginsel niet geschonden.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

11. Eiseres is in beroep gekomen tegen de beschikking van 12 mei 2020. Dit is de cijfermatige uitwerking van de uitspraak op bezwaar van 23 april 2020. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 22 juni 2020 en is dus niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de uitspraak op bezwaar van 23 april 2020 ingediend. De rechtbank ziet echter geen aanleiding het beroepschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de termijnoverschrijding eiseres niet kan worden toegerekend. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De uitspraak op bezwaar van 23 april 2020 bevat een rechtsmiddelverwijzing waarin het volgende is vermeld: “Het bedrag van de aanslag kunt u lezen op het aanslagbiljet wat binnenkort aan u wordt toegestuurd door het computercentrum in Apeldoorn”. De rechtsmiddelverwijzing verwijst verder naar de bijlage bij de uitspraak op bezwaar. In die bijlage staat onder meer het volgende: “U kunt beroep instellen tegen het bedrag van de aanslag, tegen de eventueel in rekening gebrachte of te ontvangen heffings- of belastingrente (beschikking heffings- of belastingrente) en/of tegen een eventueel opgelegde boete (boetebeschikking).” Eiseres heeft op grond van die formuleringen kunnen en mogen menen dat zij beroep moest aantekenen tegen een nog te ontvangen aanslagbiljet.

Ambtelijk verzuim

12. In het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 20181 is onder meer het volgende overwogen:

“2.3.2. Uit de parlementaire behandeling van het in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR opgenomen voorschrift moet worden afgeleid dat het begrip ‘fout’ in deze bepaling neutraal en ruim is bedoeld, en dat daaronder moet worden verstaan elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.

De wetgever heeft met de introductie van deze regeling echter niet willen breken met de voorheen ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak houdt in dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan niet op basis van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was (zie HR 27 juni 2014, nr. 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529, BNB 2014/202, onderdeel 2.3.1).

2.3.3. De vastgestelde feiten houden in dat de Inspecteur al bij de aanslagregeling een melding had gekregen die hem aanleiding had behoren te geven voor onderzoek naar hetgeen in de aangifte was vermeld en van belang was voor het al dan niet toekennen van ‘ondernemersfaciliteiten’. Bij een behoorlijke taakvervulling had dat onderzoek niet beperkt mogen zijn tot de vraag of belanghebbende in aanmerking kwam voor de zelfstandigen- of de startersaftrek, maar zou de Inspecteur tevens hebben behoren vast te stellen of de met toekenning van die zelfstandigenaftrek rechtstreeks verband houdende iack terecht was verleend.

2.3.4. Het achterwege blijven van dat onderzoek moet worden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur dat niet met toepassing van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR kan worden hersteld.”

13. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat voor de aangifte van eiseres de uitworpredenen “de aftrek giften, hoge aftrek levensonderhoud en beoordeling hoge hypotheekrenteaftrek 2012” waren, maar dat deze signalen zijn uitgezet om doelmatigheidsredenen. De signalen zijn daarom bij het opleggen van de aanslag niet behandeld. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2018 af dat verweerder daarmee een ambtelijk verzuim heeft begaan en daarom niet meer kon navorderen. Dat in het daar behandelde geval de uitworpreden wel was behandeld maar niet alle vanzelfsprekende gevolgen van die beoordeling waren gecorrigeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Zie in dit kader ook overweging 3.21 van de conclusie van A-G Niessen van 25 november 20202. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat de navorderingsaanslag en de rentebeschikking moeten worden vernietigd. Hetgeen eiseres voor het overige nog heeft aangevoerd behoeft daarom geen beoordeling meer.

Vergoeding immateriële schade

14. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op

27 december 2017 en deze uitspraak is een periode van drie jaar en afgerond vijf maanden verstreken. Dit is meer dan de redelijk te achten termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen. Daardoor bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Die vergoeding bedraagt € 500 per half jaar (naar boven afgerond) waarmee de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding is in dit geval volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase. Gelet hierop zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van eiseres van € 1.500.

Proceskosten

15. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat eiseres de tante is van de gemachtigde, onvoldoende is om te veronderstellen dat geen sprake zou zijn van kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2012, de rentebeschikking en de

boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres van € 1.500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te tekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 ECLI:NL:HR:2018:797

2 ECLI:NL:PHR:2020:1121