Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5613

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
09/842142-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek India 19: fatale steekpartij op 21 december 2019 in Den Haag waarbij slachtoffer om het leven is gekomen. De rechtbank spreekt een 16-jarige verdachte vrij van openlijke geweldpleging. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte enige wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de tegen slachtoffer gepleegde geweldshandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Jeugdstrafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/842142-20

Datum uitspraak: 4 juni 2021

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

[geboortedag] 2004 [geboorteplaats] ,

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 juni 2020, 10 december 2020 (beide regie) en de terechtzitting van 14 mei 2021 en 21 mei 2021 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Kortekaas, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.R. Rens, naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest en daarnaast tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden: toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering en een contactverbod met verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 december 2019 te 's-Gravenhage, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de kruising Rijswijkseweg en Goudriaankade , in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het:

  • -

    duwen en/of trekken en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of

  • -

    (meermalen) roepen (vertaald) "steek hem", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

  • -

    een of meerdere malen steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de zij, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft gehad, althans zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel te weten een of meerdere steekverwonding(en) in het gezicht en/of in de zij, althans in het lichaam voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

3 De bewijsbeslissing

3.1.

Inleiding

In de vroege avond van 21 december 2019 is de 20-jarige [slachtoffer 1] bij een vechtpartij bij de tramhalte Goudriaankade in Den Haag twee keer gestoken. Hij is ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.

De aanleiding voor die vechtpartij was een incident dat kort daarvoor had plaatsgevonden tussen een neef van [slachtoffer 1] , [neef slachtoffer] , en een groep jongens, grotendeels afkomstig uit het Schipperskwartier. De groep van ongeveer twintig jongens had in de middag op het dak van winkelcentrum Megastores een drillrap videoclip (clipshoot) opgenomen. Bij de clipshoot waren - voor zover hier van belang - [medeverdachte 1] , de [verdachte] ) en zijn broer [medeverdachte 4] ) aanwezig. Op de terugweg van de clipshoot hebben enkele jongens uit de groep ter hoogte van de Haagse Hogeschool een woordenwisseling gehad met de voorbijrijdende [neef slachtoffer] . Daarbij is [neef slachtoffer] door [medeverdachte 1] op zijn achterhoofd geslagen.

[neef slachtoffer] heeft vervolgens een snapchatbericht verzonden in een groepsapp, inhoudende “We gaan vechte, Haagse, 5/6 negers, Doen biggie, Hun hebbe shenk”. Ook heeft [neef slachtoffer] zijn neef [slachtoffer 1] gebeld en hem gezegd dat hij problemen had en dat hij bang was. Hij heeft [slachtoffer 1] gevraagd om te komen. [slachtoffer 1] is vervolgens uit zijn woning naar buiten gerend en zijn broer [naam 1] is achter hem aangerend. Bij de tramhalte Goudriaankade trof [slachtoffer 1] de groep jongens die de clipshoot had opgenomen. Samen met [naam 2] , een jongen die onderweg met hem mee was gerend, liep [slachtoffer 1] naar de groep jongens en vroeg hij wie zijn neefje had geslagen. Nadat [medeverdachte 1] had geantwoord dat hij dat had gedaan, sloeg [slachtoffer 1] [medeverdachte 1] . Daarop ontstond chaos en een schermutseling bij de tramhalte, waarbij meerdere jongens betrokken zijn geweest. In een tijdspanne van zestien seconden, zo blijkt uit de camerabeelden, verplaatste een groep zich vechtend vanaf de tramhalte naar een aan de Rijswijkseweg geparkeerde auto. Daar viel de groep uiteen en renden personen weg.

[slachtoffer 1] werd twee keer gestoken: in zijn linkerzij en in zijn linkerwang. Vervolgens is hij een stukje weggelopen van de geparkeerde auto en is hij op straat gaan zitten. Een toevallig voorbijkomende vriend, een kennis en een voor [slachtoffer 1] onbekende voorbijganger zijn bij hem gaan zitten, hebben hem vastgehouden en hebben geprobeerd hem te helpen. In de daarna gearriveerde ambulance is [slachtoffer 1] tevergeefs gereanimeerd; hij overleed ter plaatse. Gebleken is dat de steekverwonding in de wang dodelijk is geweest. De steekverwonding in de zij was niet dodelijk, maar kan het overlijden van [slachtoffer 1] hebben versneld.

Er is die avond ter plaatse een grote aanloop geweest van bekenden en familie van [slachtoffer 1] . Ook na deze avond is er veel aandacht geweest voor het overlijden van [slachtoffer 1] en is er, zo blijkt uit de vele getuigenverklaringen, veel gesproken over wat er gebeurd zou zijn, zowel in de wijk, in het wijkcentrum, tussen vrienden en bekenden onderling alsook op social media.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte, [verdachte] , onderdeel heeft uitgemaakt van het tegen [slachtoffer 1] gepleegde geweld en zo ja, welke bijdrage hij aan dat geweld heeft geleverd.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met dien verstande dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheden als genoemd in het tweede lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

3.4.

Vrijspraak

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, van het ‘in vereniging’ plegen van geweld in de zin van de strafbaarstelling van artikel 141 Sr sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. De bijdrage hoeft op zichzelf niet te bestaan in een gewelddadige handeling, maar kan bijvoorbeeld ook een vocale of intellectuele bijdrage zijn. Voorwaarde is dat de bijdrage in sterke mate bijdraagt aan een sfeer van ontremming waarin anderen tot gewelddadige handelingen overgaan.

Geweld bij de tramhalte

De rechtbank stelt voorop – en is met de officier van justitie van oordeel – dat voor de verklaring van [verdachte] dat hij en zijn broer [medeverdachte 4] direct via de tramhalte zijn doorgelopen richting huis en derhalve niet aanwezig waren bij de tramhalte op het moment dat er ruzie ontstond en het daaropvolgende geweld plaatsvond, geen begin van aannemelijkheid bestaat en dat deze verklaring op punten zelfs kennelijk leugenachtig is. Immers, meerdere getuigen hebben verklaard dat [verdachte] en zijn broer wel degelijk aanwezig waren bij de tramhalte op het moment dat de confrontatie met [slachtoffer 1] plaatsvond. Daarnaast is de verklaring van [verdachte] niet te verenigen met de camerabeelden, waarop te zien is dat de groep jongens, waar [verdachte] ook volgens zijn eigen verklaring deel van uitmaakt, aan komt lopen bij de tramhalte en is niet te zien dat hiervandaan jongens weglopen voordat [slachtoffer 1] daar enkele minuten later arriveert. De rechtbank stelt dan ook op basis van getuigenverklaringen in combinatie met de uitgekeken camerabeelden vast dat [verdachte] zich bij de tramhalte bevond en onderdeel uitmaakte van één van de twee groepen waartussen ruzie ontstond.

Op basis van het dossier kan voorts worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] kwam aanlopen en bij de tramhalte de eerste klap uitdeelde aan [medeverdachte 1] , waarna ter plaatse chaos en een schermutseling ontstond, waarbij [slachtoffer 1] werd vastgepakt en vastgehouden door [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt vast dat de vele verklaringen in het dossier over de schermutseling, waarbij meerdere jongens betrokken waren, zeer algemeen van aard zijn en onvoldoende duidelijkheid geven over de vraag wie welke (gewelds)handelingen zou hebben verricht bij de tramhalte. De verdachte heeft ontkend enige bijdrage te hebben geleverd aan het geweld jegens [slachtoffer 1] . Ook de camerabeelden bieden - reeds vanwege het ontbreken van voldoende helder zicht op de tramhalte - geen nadere duidelijkheid over de vraag wie met welke (gewelds)handelingen een bijdrage leverde aan de vechtpartij aldaar. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het voornoemde door [medeverdachte 1] gepleegde geweld, volstrekt onduidelijk gebleven welke (gewelds)handelingen bij de tramhalte zijn uitgeoefend, door wie en tegen wie die handelingen zouden zijn uitgeoefend, laat staan dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] een bijdrage heeft geleverd aan het geweld tegen [slachtoffer 1] .

Geweld richting/bij de geparkeerde auto

Kort na de confrontatie is op de camerabeelden te zien dat een aantal jongens zich verplaatst van de tramhalte richting een geparkeerde auto, waar [slachtoffer 1] twee keer is gestoken met een mes. Met betrekking tot de vraag of [verdachte] tijdens deze verplaatsing en bij de auto geweld tegen [slachtoffer 1] heeft uitgeoefend, overweegt de rechtbank dat de vele verklaringen in het dossier over de gebeurtenissen op dit moment uiteenlopen en dat een aantal getuigen hierover bovendien wisselende verklaringen heeft afgelegd. De camerabeelden bieden ten aanzien van dit moment geen nadere duidelijkheid over de vraag of [verdachte] deel uitmaakte van de groep die zich richting de geparkeerde auto verplaatste Anders dan waar de officier van justitie van uitgaat, is op de camerabeelden niet te zien dat alle jongens die bij de tramhalte stonden meebewegen naar de auto. Op de camerabeelden is wel te zien dat meerdere personen met [slachtoffer 1] richting de auto bewegen en dat meer dan twee personen bij [slachtoffer 1] bij de auto staan, maar niet is vast te stellen dat [verdachte] één van deze personen is.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] één van de jongens was die met [slachtoffer 1] meebewoog naar de auto en evenmin dat hij bij de auto ter plaatse was toen aldaar de (gewelds)handelingen tegen [slachtoffer 1] plaatsvonden. Derhalve blijkt niet van enige wezenlijke bijdrage van [verdachte] aan dit geweld tegen [slachtoffer 1] .

Dip hem

Op basis van de verklaringen in het dossier kan voorts worden vastgesteld dat tijdens de confrontatie meermaals “dip hem, dip hem” (dat betekent: steek hem) is geroepen, maar er bevinden zich geen aanwijzingen in het dossier dat [verdachte] dit heeft geroepen, zodat ook op dit punt niet blijkt van enige bijdrage van [verdachte] aan het geweld.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Wel maakte hij onderdeel uit van de groep die bij de clipshoot aanwezig was en waarbij - ook door hemzelf - messen zijn getoond, was hij hierna met een aantal jongens uit deze groep aanwezig bij de tramhalte waar de schermutseling ontstond en bevinden zich aanwijzingen in het dossier dat hij [naam 2] hierbij heeft geslagen. Op basis van het dossier is echter niet komen vast te staan dat [verdachte] aan de geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] enige wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, levert de kennelijk leugenachtige verklaring van [verdachte] geen bewijsmiddel op voor openlijke geweldpleging. Het feit dat [verdachte] heeft gelogen over zijn aanwezigheid bij de tramhalte is immers nog geen redengevende omstandigheid voor de bewezenverklaring van het gebruik van geweld tegen [slachtoffer 1] door [verdachte] . Dat uit een OVC-gesprek van [medeverdachte 1] op 30 januari 2020 zou blijken dat [verdachte] vreemde geluiden zou hebben gemaakt na het steken van [slachtoffer 1] en dus aanwezig moet zijn geweest toen het geweld tegen [slachtoffer 1] werd uitgeoefend, wordt - nog daargelaten de vraag of hieruit blijkt van een wezenlijke bijdrage - niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank zal de verdachte, [verdachte] , dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde.

4 De beslissing

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.K. Spros, voorzitter,

mr. B. Martinez-Hammer, kinderrechter,

mr. R.E. Perquin, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Holsteijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2021.