Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5549

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
SGR 20/4536
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderbijslag. Gronden van eiseres hebben betrekking op besluiten die al in rechte zijn komen vast te staan en betreffen niet het bestreden besluit. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/4536


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: W. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat het niet mogelijk is het bedrag van € 3.780,31 aan teveel betaalde kinderbijslag aan eiseres te laten verrekenen met de kinderbijslag uit België.

Bij besluit van 27 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 20 april 2021. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 28 mei 2013 kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor haar dochter [dochter] , geboren op [geboortedag] 2013. Bij besluit van 3 juni 2013 heeft verweerder deze kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2013 toegekend.

2. Op 9 januari 2017 heeft eiseres aan verweerder medegedeeld dat zij en haar dochter naar België zijn verhuisd. Bij besluit van 14 januari 2019 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij per 1 december 2013 niet meer verzekerd is voor de AKW, omdat zij per 18 november 2013 werkzaam is in België. Bij besluiten van 14 januari en 29 januari 2019 heeft verweerder een bedrag van € 3.578,08 aan te veel ontvangen kinderbijslag van eiseres teruggevorderd. Op 29 januari 2019 heeft verweerder met eiseres een betalingsregeling afgesproken.

3. Bij besluit van 27 mei 2019 heeft verweerder het terug te betalen bedrag gewijzigd naar € 3.780,31, omdat verweerder abusievelijk ook over het vierde kwartaal van 2018 nog kinderbijslag aan eiseres heeft betaald.

4. Op 2 december 2020 heeft verweerder het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 3.981,36. Verweerder heeft toegelicht dat uit onderzoek bleek dat de kinderbijslag die was verstrekt in het tweede kwartaal van 2018 nog niet bij eiseres was teruggevorderd. Na herziening gaat het om een bedrag van € 201,05 dat is opgeteld bij het bedrag dat is medegedeeld in het besluit van 27 mei 2019.

5. Bij brief van 12 maart 2021 heeft verweerder aan eiseres uitstel van betaling gegeven. De achtergrond voor dit uitstel is het feit dat eiseres zich bij de Belastingdienst heeft gemeld als gedupeerde van de zogenoemde kinderopvangtoeslagaffaire. Gedurende het onderzoek van de Belastingdienst hoeft eiseres de schuld nog niet af te lossen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1. Uit het dossier blijkt dat het startpunt van deze procedure een telefoongesprek is geweest dat plaatsvond op 4 juli 2019 van eiseres met een medewerker van verweerder. In dat telefoongesprek heeft eiseres gevraagd of het mogelijk was om het terug te betalen bedrag te verrekenen met de kinderbijslag uit België. Verweerder heeft vervolgens een besluit genomen – het primaire besluit – waarin verweerder heeft beslist dat dit niet kon en dat de huidige betalingsregeling bleef gelden.

6.2. Het bezwaar en ook het beroep van eiseres hebben geen betrekking op de betalingsregeling. Eiseres heeft uitsluitend gronden aangevoerd die betrekking hebben op haar recht op kinderbijslag. In beroep heeft eiseres daartoe aangevoerd dat zij vanaf oktober 2013 tot en met november 2014 wel recht heeft op kinderbijslag omdat haar man in deze periode in Nederland heeft gewoond en gewerkt en ook zij sinds juli 2013 een Nederlands burger is. Het terug te betalen bedrag bedraagt daarom volgens eiseres € 2.855,99.

6.3. Eiseres stelt haar recht op kinderbijslag in voornoemde periode ter discussie en daarmee het bedrag waarop de te veel ontvangen kinderbijslag door eiseres is vastgesteld. Dat is in deze procedure niet meer mogelijk. Bij besluiten van 14 januari, 29 januari en 27 mei 2019 en vervolgens op 2 december 2020 is door verweerder bepaald hoeveel er door eiseres moet worden terugbetaald. Eiseres heeft tegen die besluiten geen bezwaar gemaakt. Dat betekent dat deze besluiten in rechte zijn komen vast te staan; de besluiten kunnen in deze procedure niet meer worden aangevochten.

6.4. De gronden die betrekking hebben op haar recht op bijstand in de periode van oktober 2013 tot en met november 2014 kunnen daarom niet leiden tot een geslaagd beroep.

6.5. In dit verband verdient aandacht dat eiseres naar voren heeft gebracht dat de communicatie met verweerder moeizaam is verlopen. Het was voor haar niet duidelijk in hoeverre haar man wel voor kinderbijslag in aanmerking kwam. Ook was niet duidelijk in hoeverre verweerder in samenspraak met de Belgische instanties het recht op kinderbijslag in zowel Nederland als België zou vaststellen, waarbij een verschil in recht op kinderbijslag zou worden gecompenseerd.

6.6. Voor zover eiseres wordt gevolgd in haar betoog dat er door verweerder onduidelijk is gecommuniceerd over haar recht op kinderbijslag, ligt het op haar weg om in haar ogen onterecht genomen besluiten aan te vechten. Zoals verweerder heeft toegelicht, is onderaan ieder van de genoemde besluiten een bezwaarclausule opgenomen. Eiseres is dus gewezen op de mogelijkheid van bezwaar, waarmee – indien eiseres van die mogelijkheid gebruik had gemaakt – ook de weg naar rechtsbescherming bij de bestuursrechter zou zijn geopend. Zij had van deze mogelijkheid destijds gebruik moeten maken; dat is nu niet meer mogelijk.

6.7. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat deze uitspraak niet van invloed is op het door verweerder verleende uitstel van betaling en het onderzoek dat plaatsvindt door de Belastingdienst in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire.

7 Het beroep is ongegrond.

8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.