Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5548

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
SGR 20/5198
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending inlichtingenplicht. Eigendom onroerende zaak in het buitenland. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/5198


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen

1
1. [eiser] , eiser,

2. [eiseres], eiseres,

beiden te [woonplaats] ,

gezamenlijk: eisers

(gemachtigde: mr. M.S. Aziz),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

(gemachtigde: mr. L. de Wit).

Procesverloop

In het besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken en de vanaf 1 januari 2003 tot en met 30 september 2019 aan eisers betaalde bijstand teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 261.226,- aan algemene bijstand en een bedrag van € 4.100,- aan bijzondere bijstand.

In het besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook hebben eisers verzocht om een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van 22 december 2020 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Door de gemeente Gouda is in 2016 een projectmatig onderzoek gestart naar grensoverschrijdend vermogen. In het kader van dit project heeft verweerder aan SOZA XPERT B.V. (hierna: SOZA XPERT) opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de vermogenspositie van eisers in het buitenland.

3. In het door SOZA XPERT op 1 april 2019 opgeleverde onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat eiser in Marokko voor 35/36e deel eigenaar is van twee appartementen. Het Marokkaanse bedrijf ICOTEX heeft in opdracht van SOZA XPERT de waarde van de appartementen getaxeerd op 1.950.000 Marokkaanse Dirham, wat neerkomt op € 179.724,- op basis van de wisselkoers op 1 april 2019. Het aandeel van eiser in de appartementen vertegenwoordigt daarmee – zo is vermeld in het rapport – een bedrag van € 174.731,67.

4. Verweerder heeft op basis van deze bevindingen vervolgens onderzoek gedaan naar het vermoeden dat door eisers de inlichtingenplicht is geschonden door geen melding te maken van de eigendom van de appartementen in Marokko. In dat verband heeft verweerder aan eisers verzocht gegevens te verstrekken, waaronder een eigendomsbewijs van de onroerende zaak en een schriftelijk bewijs van de waarde hiervan. Nadat eisers de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijnen hebben aangeleverd, heeft verweerder zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapport van 17 december 2019. Nadien heeft nog een aantal gesprekken plaatsgevonden tussen eisers en verweerder, waarbij eisers enkele stukken hebben overgelegd.

5. Naar aanleiding van voornoemd onderzoek heeft verweerder bij het primaire besluit de bijstand van eisers met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken en de aan eisers vanaf die datum betaalde bijstand teruggevorderd. In het bestreden besluit heeft verweerder dit primaire besluit gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers niet hebben voldaan aan hun inlichtingenplicht. Als gevolg van deze schending kan volgens verweerder het recht op bijstand vanaf 1 januari 2003 niet worden vastgesteld.

6. Eisers zijn het niet eens met het besluit van verweerder om het recht op bijstand in te trekken en de betaalde bijstand terug te vorderen. Eisers hebben toegelicht dat de eigendom van de appartementen deels voortvloeit uit de erfenis van de in 2003 overleden moeder van eiser. Omdat er ook mede-erfgenamen waren, was het voor eisers onduidelijk welk deel van de erfenis aan eiser toekwam en of de vermogensgrens die geldt in het kader van het recht op bijstand was overschreden. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat de schoonmoeder van eiser in zijn naam de andere erfgenamen heeft uitgekocht. Daarvoor is eiser een schuld aangegaan bij zijn schoonmoeder. Zijn aandeel was dus weliswaar vergroot, maar daar stond een corresponderende geldschuld tegenover. Aangezien het niet lukte om deze geldschuld af te betalen, is op verzoek van de schoonmoeder de eigendom in augustus 2019 op naam gezet van de minderjarige dochter van eisers. Verder hebben eisers naar voren gebracht dat eiser lijdt aan ernstige psychische stoornissen. Gelet hierop was het verzoek om gegevens van verweerder, zeker gelet op de omvang daarvan, onevenredig bezwarend voor eisers. Eisers hebben ook betoogd dat het bezit in Marokko niet kan worden verkocht omdat (de curator van) een mede-erfgenaam, de in Nederland wonende zus van eiser, de daarvoor vereiste medewerking weigerde te verlenen. Het onroerend goed kon daarom niet in geld worden omgezet. Met een verwijzing naar de ‘Handreiking voor grensoverschrijdend onderzoek bij recht op bijstand’ hebben eisers betoogd dat het in dit geval gaat om achteraf verkregen middelen, die niet moeten worden gerekend tot het vermogen van eisers. Tot slot had het volgens eisers op de weg van verweerder gelegen om aannemelijk te maken op welk moment de vrije vermogensgrens was overschreden.

7 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7.1.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie.

7.2.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2003 tot en met 18 februari 2020, de datum van het intrekkingsbesluit.

7.3.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet (hierna: Pw) in werking getreden. Sindsdien verschaft de Pw de formele bevoegdheidsgrondslag voor het toekennen, herzien, intrekken en terugvorderen van bijstand. Deze bevoegdheid heeft, vanwege het ontbreken van overgangsrecht, ook betrekking op de periode vóór 1 januari 2015.

7.4.

De rechten en verplichtingen van eisers over de te beoordelen periode moeten echter wel worden beoordeeld naar de materiële wetgeving zoals die destijds gold. Dit betekent dat de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 moet worden beoordeeld aan de hand van de Algemene bijstandswet. Voor de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2015 is de Wet werk en bijstand het toepasselijke kader en voor de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met 18 februari 2020 geldt de Pw. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan zijn besluitvorming enkel de Pw ten grondslag heeft gelegd. Hieraan verbindt de rechtbank geen gevolgen, aangezien de hier van toepassing zijnde wetsartikelen gelijkluidend zijn, zodat eisers niet zijn benadeeld.

Schending inlichtingenplicht?

7.5.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw (en de gelijkluidende bepalingen in de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand) moet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.

7.6.

Niet in geschil is dat eiser in de te beoordelen periode eigenaar is geweest van een aandeel in de betreffende onroerende zaak in Marokko en dat eisers hiervan in de te beoordelen periode geen melding van hebben gemaakt bij verweerder. De rechtbank overweegt dat de eigendom van een onroerende zaak, ook wanneer deze zich in het buitenland bevindt, onmiskenbaar een feit is waarvan het een bijstandsgerechtigde redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Dat eisers hebben aangevoerd dat zij niet wisten voor welk deel eiser precies eigenaar was, maakt dit niet anders. Op grond van de inlichtingenplicht moeten immers feiten en omstandigheden worden gemeld die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover eisers worden gevolgd in hun stelling dat zij de precieze omvang van eiser zijn deel in de appartementen niet kenden, benadrukt de rechtbank dat dit de relevantie voor hun recht op bijstand niet wegneemt, hetgeen vervolgens aan verweerder is om te beoordelen. In dat verband verdient opmerking dat verweerder gedurende de te beoordelen periode verschillende keren door middel van formulieren heeft gevraagd of eisers in het bezit waren van onroerende zaken. Dat eisers, zoals zij ter zitting hebben toegelicht, de formulieren door anderen hebben laten invullen, komt voor hun rekening. Zij blijven immers zelf verantwoordelijk voor het aandragen van juiste en volledige informatie.

7.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat psychische problemen van eiser eraan in de weg stonden om aan de inlichtingenplicht te voldoen, leidt dit niet tot een andere conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers immers niet aannemelijk gemaakt dat eiser ten gevolge van psychische problemen in het geheel niet in staat was aan de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw te voldoen. Bovendien betreft de inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting. Het gaat dus niet om de vraag of eisers een verwijt treft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3195). Beoordeeld moet worden of eisers inlichtingen hadden moeten geven en dit hebben nagelaten. Dit laatste is het geval.

7.8.

Eisers hebben tevens betoogd dat de omvang van de gevraagde gegevens strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel. Het gaat om de gegevens die verweerder in het kader van zijn rechtmatigheidsonderzoek heeft opgevraagd bij eisers (zie rechtsoverweging 4). Toen eisers deze gegevens niet binnen de gestelde termijnen hebben verstrekt, heeft verweerder de bijstand opgeschort op basis van artikel 54, eerste lid, van de Pw. Dat besluit van 23 september 2019 ging aan het primaire besluit vooraf en ligt in deze procedure niet aan de rechtbank voor. De rechtbank benadrukt in dit verband dat de thans in geding zijnde intrekking ook niet is gebaseerd op de bevoegdheid als genoemd in artikel 54, vierde lid, van de Pw en dus niet is gebaseerd op het niet (tijdig) aanleveren van de gegevens waar in rechtsoverweging 4 aan wordt gerefereerd. Dit betekent dat de evenredigheid van hetgeen verweerder in dat eerdere stadium heeft verzocht, in deze procedure geen rol kan hebben en deze beroepsgrond daarom geen doel treft.

Intrekking

7.9.

Vervolgens is de vraag of verweerder – op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw – tot intrekking van het recht op bijstand mocht overgaan.

7.10.

Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1081). Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht zou hebben gehad op volledige dan wel aanvullende bijstand. Indien ondanks schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dan dient het bijstandverlenende orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak over te gaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:875). Er is in dat geval geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

7.11.

Eisers worden gelet op voornoemde rechtspraak niet gevolgd in hun stelling dat verweerder moest duiden op welk moment de vermogensgrens is overschreden. Nu eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden, ligt het juist op hun weg om te onderbouwen dat zij – ondanks schending van hun inlichtingenplicht – toch recht op bijstand hadden.

7.12.

In dat verband hebben eisers in de eerste plaats aangevoerd dat de onroerende zaak niet tot het vermogen van eisers moet worden gerekend omdat zij hier niet over konden beschikken; (de curator van) de zus van eiser, die voor een deel mede-eigenaar is van het appartement, weigerde immers volgens eisers medewerking te verlenen aan de verkoop.

7.13.

Niet in geschil is dat eiser in een officieel eigendomsregister – het kadaster van Marokko – staat geregistreerd als eigenaar van een deel van de onroerende zaak. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3030) rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak op naam van een betrokkene staat geregistreerd in een officieel eigendomsregister de vooronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Daarin zijn eisers naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie waaruit volgt dat het enkele feit dat een derde mede-eigenaar is van het appartement niet betekent dat eisers het aandeel in het appartement niet op enigerlei wijze te gelde konden maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 augustus 2013, ECLI:NL: CRVB:2013:1394). Dat eiser in de te beoordelen periode niet de gehele eigendom had van de onroerende zaak, maar ‘slechts’ een deel daarvan, is zonder nadere onderbouwing, dus niet genoeg om te concluderen dat zij niet over hun aandeel daarin konden beschikken. Dat er serieuze pogingen zijn gedaan om het aandeel in de onroerende zaak te verkopen en dat de zus van eiser, dan wel haar curator, hieraan in de weg zouden hebben gestaan, is door eisers niet met verifieerbare stukken of andere gegevens onderbouwd. Uit de toelichting van eisers ter zitting is juist gebleken dat het voor eisers nog niet mogelijk is gebleken om over de mede-eigendom van de appartementen contact te hebben met de zus van eiser of haar curator. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het ervoor dat het aandeel in het appartement in de te beoordelen periode tot het vermogen van eisers moet worden gerekend.

7.14.

Eisers hebben verder naar voren gebracht dat er weliswaar sprake was van eigendom van (een aandeel in) de onroerende zaak, maar dat hier een schuld aan de schoonmoeder van eiser tegenover stond. Op grond van vaste rechtspraak worden positieve bestanddelen van het vermogen evenwel slechts gesaldeerd met schulden waarvan het bestaan voldoende aannemelijk is gemaakt en waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:BZ9702). Eisers hebben het bestaan of de omvang van deze schuld echter niet met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd.

7.15.

Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat het aandeel in de onroerende zaak in augustus 2019 op naam van de dochter van eisers is gezet. In een brief van de zijde van eisers aan verweerder, gedateerd 29 januari 2020, is vermeld dat uit de bijgevoegde notariële akte blijkt dat op 8 augustus 2019 de onroerende zaak op naam van de dochter van eisers was gezet. In tegenstelling tot wat in de brief staat, is de notariële akte niet overgelegd. Verder zijn er ook geen verifieerbare stukken overgelegd waaruit blijkt dat de onroerende zaak op 8 augustus 2019 aan de dochter van eisers is overgedragen. Los daarvan wordt voor het vaststellen van het recht op bijstand het vermogen van het gezin in aanmerking genomen. Onder het gezin wordt op grond van de Pw begrepen: de ouders en de tot hun last komende kinderen. De overdracht van de onroerende zaak naar de (destijds) minderjarige en inwonende dochter zou daarom geen verschil maken voor het recht op bijstand.

7.16.

Ook anderszins hebben eisers – nadat zij daar meerdere keren door verweerder toe in de gelegenheid zijn gesteld – niet de gegevens overgelegd op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat zij toch recht op bijstand hadden vanaf 1 januari 2003. Er is daardoor niet gebleken dat zij niet over het onroerend goed konden beschikken en ook niet dat de waarde van de onroerende zaak onder de vermogensgrens lag. Eisers hebben immers geen gegevens overgelegd waaruit de waarde(ontwikkeling) van de onroerende zaak blijkt sinds 2003.

7.17.

Verweerder heeft aan zijn besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Hierin kan verweerder gelet op het voorgaande deels worden gevolgd. Deels omdat het voor verweerder vanaf de periode van 1 januari 2003 tot 1 april 2019 niet mogelijk was om het recht op bijstand vast te stellen vanwege een gebrek aan concrete informatie op basis waarvan de waarde van de onroerende zaak in Marokko kon worden vastgesteld. De waarde van de onroerende zaak is echter getaxeerd. De taxatiewaarde is opgenomen in een onderzoeksrapport, gedateerd 1 april 2019. Op basis van deze taxatie, die niet gemotiveerd is bestreden, was het vanaf 1 april 2019 mogelijk om vast te stellen dat er voor eisers geen recht op bijstand bestond. Verweerder heeft dit ten onrechte niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd (zie 7.10.). Voor eisers maakt het materieel geen verschil welke grondslag wordt gebruikt; de conclusie is hetzelfde. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld en daarin ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

Terugvordering en dringende redenen

7.18.

Voor wat betreft de terugvordering geldt het volgende. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van onder meer de inlichtingenplicht, neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Pw. De rechtbank wijst erop dat deze wetsbepaling tot 1 juli 2013 slechts een bevoegdheid en geen verplichting voor het bijstandverlenende orgaan inhield. Op 1 juli 2013 is deze bepaling gewijzigd, maar daarbij is door de wetgever niet in overgangsrecht voorzien. Daarom geldt dat deze wijziging onmiddellijk in werking is getreden en dus ook van toepassing is op bestaande rechtsposities en -verhoudingen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2018:875). Verweerder was dus verplicht om over de gehele te beoordelen periode tot terugvordering over te gaan.

7.19.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dergelijke dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

7.20.

De rechtbank onderkent dat het in dit geval gaat om een erg groot bedrag en dat het voor eisers – zoals zij ter zitting hebben toegelicht – belastend is dat een dergelijke schuld boven hun hoofd hangt, ook omdat eiser kampt met (ernstige) psychische problemen. Echter, de financiële gevolgen doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat verband kunnen eisers als schuldenaars rekenen op de bescherming die de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hen bieden. Verder is van belang dat verweerder heeft toegelicht dat eisers uit coulance opnieuw bijstand is toegekend zodat zij in hun levensonderhoud kunnen blijven voorzien. Van deze bijstand wordt maandelijks met inachtneming van de beslagvrije voet een bedrag van € 76,- ingehouden ter aflossing van de schuld. Zonder afbreuk te willen doen aan de emotionele impact van een vordering van deze omvang, is de rechtbank van oordeel dat de terugvordering – in het licht van het voorgaande – voor eisers geen sociaal of financieel onaanvaardbare gevolgen heeft. De rechtbank ziet dan ook geen dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering moet afzien.

7.21.

Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond.

7.22.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Pereth, voorzitter, mr. R.H. Smits en mr. O.M. Harms, leden, in aanwezigheid van G. Murega, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2021.

De griffier is verhinderd mede te ondertekenen.

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.