Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5526

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
AWB 18/7883
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met terugwerkende kracht; Gezinsherenigingsrichtlijn: toepassing nationaal of Unierechtelijk openbare-orde-criterium; intrekking mogelijk op grond van artikel 3.86, tiende lid, Vb 2000; evenredigheidstoets en individuele beoordeling ex artikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn. Artikel 8 EVRM. Inreisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/7883

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (hiermee worden ook zijn voorgangers bedoeld), de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover van belang, eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Bij besluit van 27 september 2018 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover van belang, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit, voor zover daarin het bezwaar van eiser ongegrond is verklaard, beroep ingesteld. De gronden van beroep dateren van 21 november 2018. Bij brief van 29 april 2019 is het beroep nader aangevuld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Eiser is naar de zitting gekomen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek aan het einde van de zitting gesloten.

Bij brief van 27 juni 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met de prejudiciële vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met haar verwijzingsuitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1738, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft gesteld.

Bij brief van 2 december 2020 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het arrest van het Hof van 12 december 2019, ECLI:EU:C:2019:1072 (het arrest G.S.), en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2068.

De staatssecretaris heeft bij brief van 10 december 2020 gereageerd en eiser heeft bij brief van 13 december 2020 gereageerd.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 19 maart 2021 medegedeeld dat zij het niet nodig vindt om een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om binnen twee weken te laten weten als zij wél een nadere zitting wensen. Daarop hebben partijen laten weten geen nadere zitting te willen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is op [geboortedatum] in Nederland geboren. Zijn nationaliteit is niet bekend. Maar de staatssecretaris gaat ervan uit dat eiser de nationaliteit heeft van Bosnië-Herzegovina. Eiser heeft sinds 27 maart 1994 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gehad.

Eiser heeft in de GBA en de BRP ingeschreven gestaan met een woonadres. Sinds 13 november 2015 is hij in de BRP geregistreerd als ‘Niet-Ingezetene’.

Uit informatie van de Justitiële Informatiedienst is de staatssecretaris gebleken dat eiser meerdere keren is veroordeeld voor verschillende misdrijven. Die veroordelingen zijn onherroepelijk geworden. Het gaat onder meer om veroordelingen wegens het medeplegen van opzetheling, (poging tot) diefstal met geweld gepleegd in vereniging, opzetheling, handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie, diefstal door middel van braak en diefstal in vereniging.

Naar aanleiding van die veroordelingen heeft de staatssecretaris op 31 maart 2017 bij aangetekende brief een voornemen naar eiser gestuurd om zijn verblijfsvergunning in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Die brief heeft de staatssecretaris op 11 mei 2017 retour ontvangen. Op 8 juni 2017 heeft de staatssecretaris geprobeerd het voornemen aan eiser te laten uitreiken door de politie, maar het voornemen kon niet worden uitgereikt. Eiser is niet gehoord over het voornemen omdat hij onvindbaar bleek, waardoor een hoorzitting feitelijk onmogelijk was.

De staatssecretaris heeft op 16 augustus 2017 het primaire besluit genomen en heeft daarna geprobeerd dat besluit aan eiser uit (te laten) te reiken, maar (aanvankelijk) zonder resultaat.

Op 20 november 2017 is in de Staatscourant het volgende gepubliceerd: “Bij beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, d.d. 17 juni 2017, onder nummer [nummer] , is de vreemdeling [eiser] , geboren op [geboortedatum] , nationaliteit: onbekend, met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, jo. 6.5a, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit, een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland daadwerkelijk heeft verlaten.”

Op 22 januari 2018 is het primaire besluit alsnog aan eiser uitgereikt.

Eiser is op 3 mei 2018 naar Bosnië-Herzegovina vertrokken en hij is later weer teruggekeerd naar Nederland.

De besluiten van de staatssecretaris

2. Bij het primaire besluit, dat in het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft de staatssecretaris eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd – met toepassing van artikel 19, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 3.86, vierde, vijfde, zesde en tiende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) – met ingang van 1 juli 2012 ingetrokken. Daarnaast heeft de staatssecretaris tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Ook heeft de staatssecretaris aan eiser – met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 – een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Volgens de staatssecretaris zijn de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden onvoldoende bijzonder om het inreisverbod achterwege te laten of de duur ervan te verkorten. Ook zijn er volgens de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van het toepasselijke beleid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Verder is volgens de staatssecretaris in dit geval geen sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

Toepassing nationaal of Unierechtelijk openbare-orde-criterium

3. Eiser heeft betoogd dat vanwege zijn lange verblijfsduur zijn verblijfsvergunning alleen kan worden ingetrokken als hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijke openbare-orde-criterium). Eiser heeft verder aangevoerd dat Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) op hem van toepassing is omdat hij in het kader van gezinshereniging bij zijn ouders in Nederland een verblijfsvergunning heeft gekregen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat het Unierechtelijke openbare-orde-criterium van toepassing is, gewezen op de arresten van het Hof van 15 februari 2015 (ECLI:EU:C:2015:84, arrest J.N.) en van 11 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:377, arrest Z.ZH. en I.O.) die weliswaar niet over de Gezinsherenigingsrichtlijn gaan, maar volgens eiser toch van toepassing zijn omdat niet valt in te zien dat van een ander openbare-orde-criterium moet worden uitgegaan. Eiser heeft in dit verband ook gewezen op het arrest H.T. van 24 juni 2015 (ECLI:EU:C:2015:413) waarin het Hof heeft overwogen dat een uniforme uitleg moet worden gegeven van het begrip openbare orde in de verschillende richtlijnen. Verder heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 30 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:4553) en de prejudiciële verwijzingsuitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1738) waarin de Afdeling heeft overwogen dat naar haar voorlopig oordeel uit het Unierecht volgt, gelet op de arresten Z.Zh. en I.O., H.T.

en J.N., dat de staatssecretaris moet motiveren of het persoonlijk gedrag van het desbetreffende gezinslid een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Deze overwegingen impliceren volgens eiser dat de staatssecretaris moet motiveren of het persoonlijk gedrag van het desbetreffende gezinslid een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, zolang de prejudiciële vragen niet zijn beantwoord. Eiser heeft voornamelijk strafbare feiten in de jaren 2012 en daarvoor gepleegd. De laatste feiten die eiser heeft gepleegd zijn uit 2017. De staatssecretaris had volgens eiser moeten motiveren waarom er sprake is van een daadwerkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

4. De rechtbank stelt naar aanleiding van wat tijdens de zitting is besproken vast dat eiser vanaf 1994 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft gehad voor verblijf bij zijn ouders. Toen hij meerderjarig werd, heeft hij voortgezet verblijf op niet-humanitaire gronden gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Gezinsherenigingsrichtlijn op eiser van toepassing is. De rechtbank heeft de zaak daarom aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof op de prejudiciële vragen van de Afdeling over welk openbare-orde-criterium van toepassing is in zaken die vallen onder de reikwijdte van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

5. Op 12 december 2019 heeft het Hof die vragen beantwoord in het arrest G.S., ECLI:EU:C:2019:1072. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2068, vervolgens uitspraak gedaan in de zaak waarin de prejudiciële vragen waren gesteld. In die uitspraak heeft de Afdeling als volgt overwogen:

“(…)

Arrest G.S.

8. Het Hof heeft, voor zover van belang, in het arrest G.S. overwogen:

(…)

70 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag in zaak C‑381/18 en op de tweede en de derde vraag in zaak C‑382/18 worden geantwoord dat artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2003/86 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale praktijk volgens welke de bevoegde autoriteiten om redenen van openbare orde, ten eerste, een op deze richtlijn gebaseerd verzoek om toegang en verblijf kunnen afwijzen op grond van een strafrechtelijke veroordeling die is uitgesproken tijdens een eerder verblijf op het grondgebied van de desbetreffende lidstaat en, ten tweede, een op deze richtlijn gebaseerde verblijfstitel kunnen intrekken of de verlenging ervan kunnen weigeren wanneer de aanvrager een voldoende zware straf is opgelegd ten opzichte van de duur van het verblijf, voor zover deze praktijk alleen van toepassing is indien de inbreuk die de betrokken strafrechtelijke veroordeling rechtvaardigt voldoende ernstig van aard is om vast te stellen dat het noodzakelijk is het verblijf van deze aanvrager uit te sluiten en deze autoriteiten de in artikel 17 van dezelfde richtlijn bedoelde individuele beoordeling uitvoeren, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

9. Uit deze punten van het arrest G.S. volgt dat artikel 6, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarbij een verblijfstitel van een gezinslid wordt ingetrokken of verlenging van de geldigheidsduur daarvan wordt geweigerd om redenen van openbare orde als het desbetreffende gezinslid een voldoende zware straf is opgelegd ten opzichte van de duur van zijn verblijf en dat daarbij niet is vereist dat wordt vastgesteld dat de persoonlijke gedragingen van die vreemdeling een daadwerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Wel moeten de nationale autoriteiten rekening houden met het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het in het kader van de openbare orde noodzakelijk moet zijn om het verblijf van de desbetreffende vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat uit te sluiten. Dat betekent dat indien een intrekking van een verblijfstitel van een gezinslid of weigering van verlenging van de geldigheidsduur daarvan alleen is gebaseerd op een veroordeling voor een strafbaar feit, het strafbare feit dat aan die veroordeling ten grondslag ligt zo ernstig moet zijn of van dien aard dat het noodzakelijk is om het verblijf van die vreemdeling op het grondgebied van de lidstaat uit te sluiten. Daarnaast moeten de nationale autoriteiten volgens artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een individuele beoordeling verrichten van de situatie van de desbetreffende vreemdeling, waarbij rekening moet worden gehouden met de aard en de hechtheid van de gezinsband, de duur van het verblijf in de lidstaat en met het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met het land van herkomst.

(…)”

6. Dit betekent dat de staatssecretaris bij de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser niet hoefde te toetsen aan het Unierechtelijke openbare-orde-criterium, maar terecht heeft beoordeeld of eisers verblijfsvergunning kon worden ingetrokken op grond van artikel 3.86 van het Vb 2000, de (nationale) glijdende schaal. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Intrekking mogelijk op grond van artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000

7. Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat intrekking van zijn verblijfsvergunning na een verblijfsduur langer dan tien jaar mogelijk is, gelet op artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000 (rechtbank: lees: tiende lid). Mede gelet op het feit dat eiser destijds als minderjarige niet kon worden veroordeeld tot zes of twaalf jaar gevangenisstraf voor de straatroven, kan van een gepleegd misdrijf in de zin van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) geen sprake zijn.

Eiser vindt subsidiair dat hij geen ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft gemaakt. Het slaan in het gezicht is niet in elk geval zonder meer een inbreuk op de lichamelijke integriteit. Dat is door de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verder heeft eiser in dit verband aangevoerd dat de staatssecretaris niet is ingegaan op een aantal uitspraken in vergelijkbare zaken waar hij in bezwaar op had gewezen.

Verder vindt eiser dat de glijdende schaal niet bij de beoordeling van de intrekking van zijn verblijfsvergunning kon worden betrokken. In dit verband heeft eiser naar het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) van 5 februari 2018 verwezen.

8. In artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 staat – voor zover van belang – dat de aanvraag niet wordt afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het WvSr of een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.

9. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris heeft mogen vinden dat de minderjarigheid van eiser en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid door de strafrechter zijn betrokken bij de strafoplegging tot 150 dagen jeugddetentie en dat hij in zijn besluitvorming hiervan kan uitgaan. Ook heeft de staatssecretaris in zijn beoordeling mogen betrekken dat de strafrechter in het vonnis van 8 februari 2008 heeft overwogen dat eiser de strafbare feiten in betrekkelijk korte tijd heeft gepleegd en dat de strafrechter die feiten ernstig heeft geacht, gezien de jonge leeftijd van eiser. De staatssecretaris heeft in dit verband ook mogen verwijzen naar de opmerking van psycholoog Van Soest in het vonnis dat “sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en er een antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling is. Voor zijn leeftijd is zijn gedrag zorgwekkend omdat er veel geweld en forse doodsbedreigingen zijn toegepast. (…) De psycholoog acht hem in verminderde mate toerekeningsvatbaar en acht de kans op recidive aanwezig.”

Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat een minderjarige niet kan worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, wijst de rechtbank erop dat het er bij artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000 niet om gaat tot welke straf iemand feitelijk is veroordeeld, maar om de strafbedreiging die in het WvSr op een bepaald misdrijf is gesteld. Niet in geschil is dat in het WvSr op het plegen van diefstal met geweld in vereniging een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is gesteld.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit als bedoeld in artikel 22b van het WvSr. De staatssecretaris heeft er in dit verband op kunnen wijzen dat eiser is veroordeeld voor meerdere (pogingen tot) diefstallen met geweld in vereniging - maatschappelijk te classificeren als straatroof. De strafrechter oordeelde dat eiser veel geweld en forse doodsbedreigingen heeft toegepast. Hiermee is voldoende gemotiveerd dat deze delicten een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers hebben gehad. Anders dan in de zaken waar eiser naar heeft verwezen, is er in dit geval door eiser wél fysiek geweld toegepast. Alleen al hierom kan de verwijzing naar die zaken niet worden gevolgd. De rechtbank overweegt verder dat de strafrechter in het vonnis heeft vermeld dat de slachtoffers van ongeveer dezelfde leeftijd als eiser waren en dergelijk gedrag ertoe kan leiden dat kinderen zich op straat onveilig gaan voelen en gevoelens van angst krijgen.

De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit ook gereageerd op het door eiser aangehaalde ACVZ-advies. De staatssecretaris heeft de aanbevelingen van de ACVZ niet overgenomen, maar toetst wel of individuele omstandigheden van de vreemdeling aan verblijfsbeëindiging in de weg staan aan de hand van nationale en Europese wet- en regelgeving en rechtspraak. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat die reactie van de staatssecretaris niet toereikend is. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Evenredigheidstoets en individuele beoordeling op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn

10. Uit het arrest G.S. en de hierboven weergegeven uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020 blijkt dat bij de beoordeling of het verblijf van een vreemdeling op grond van de openbare orde kan worden beëindigd rekening moet worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en een individuele beoordeling op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet plaatsvinden.

11. Eiser heeft in zijn reactie op het arrest G.S. en de Afdelingsuitspraak aangevoerd dat hij vindt dat die evenredigheidstoets en individuele beoordeling in zijn geval niet heeft plaatsgevonden. Volgens eiser heeft de staatssecretaris geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser voornamelijk strafbare feiten heeft gepleegd in de jaren 2012 en daarvoor en dat hij de laatste misdrijven in 2017 heeft gepleegd. Eiser was toen minderjarig of net achttien jaar. Ook vindt eiser dat de staatssecretaris niet voldoende rekening houdt met de omstandigheid dat hij in Nederland is geboren en zijn hele leven hier heeft doorgebracht. Zijn hele familie woont in Nederland. Hij heeft geen banden met Bosnië.

12. De staatssecretaris heeft zich in zijn reactie op het standpunt gesteld dat die evenredigheidstoets en individuele beoordeling wél hebben plaatsgevonden. Naast de vaststelling dat is voldaan aan de norm van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000, heeft de staatssecretaris vastgesteld dat eiser is veroordeeld voor meerdere (pogingen tot) diefstallen met geweld in vereniging, die maatschappelijk worden gekwalificeerd als straatroof. De strafrechter oordeelde dat eiser hierbij veel geweld en forse doodsbedreigingen heeft toegepast, waaruit evident blijkt van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit. De staatssecretaris vindt dat daarom wel is voldaan aan artikel 3.86, tiende lid, van het Vb 2000, ondanks een verblijfsduur van achttien jaar en twee maanden.

13. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris met het vorenstaande voldoende heeft gemotiveerd dat aan het evenredigheidsbeginsel is voldaan. In de besluiten is de staatssecretaris voldoende gemotiveerd ingegaan op de jonge leeftijd waarop eiser de strafbare feiten heeft gepleegd. Ook is de staatssecretaris in de besluiten in het kader van artikel 8 van het EVRM gemotiveerd ingegaan op de aard en de hechtheid van de gezinsband, de duur van het verblijf in de lidstaat en het bestaan van familiebanden en culturele of sociale banden met het land van herkomst. De staatssecretaris heeft daarmee een individuele beoordeling in de zin van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn gemaakt, bedoeld in punt 68 van het arrest G.S. Dat de staatssecretaris die motivering heeft gegeven bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en niet in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn, neemt – zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 september 2020 – niet weg dat de inhoud van die motivering deugdelijk is. Anders dan eiser heeft aangevoerd, is de staatssecretaris hierbij wél ingegaan op de door hem aangevoerde punten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Intrekking met terugwerkende kracht

14. Eiser heeft ook aangevoerd dat zijn verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken. Hij heeft daarbij verwezen naar het artikel ‘Wat is de ruimte voor intrekking van verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht?’, van P. Boeles (AM&R 2019/3).

15. Uit de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1547, en van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2460, volgt dat de Afdeling bij intrekking van een verblijfsvergunning uitgaat van de pleegdatum van het misdrijf dat intrekking mogelijk maakt. In dit geval is die datum terecht vastgesteld op 1 juli 2012. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om daar anders over te denken. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

16. Eiser heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Volgens eiser heeft de staatssecretaris niet kunnen concluderen dat er meer gewicht moet worden toegekend aan het belang van de Nederlandse staat. Eiser is in Nederland geboren en opgegroeid en heeft zijn vormende jaren hier doorgebracht. Hij is slechts één keer in Bosnië geweest. Hij beheerst de taal uitermate slecht en is daarnaast Roma, een minderheid in Bosnië. Eiser vindt dat voldoende duidelijk is dat hij de vader is van [naam 1] . Verder is eiser weer vader geworden van een zoon, [naam 2] , geboren op 12 april 2019. Eiser is het er niet mee eens dat in de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM, waarbij ook de gepleegde misdrijven worden betrokken, wordt gezegd dat hij nog steeds een gevaar voor de openbare orde zou vormen. Ook heeft de staatssecretaris het beroep op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, ten onrechte verworpen.

17. De staatssecretaris heeft in de besluiten gemotiveerd uiteengezet dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij met een partner en [naam 1] gezinsleven heeft gehad in Nederland. Verder heeft de staatssecretaris gemotiveerd uiteengezet dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij met een familielid een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie heeft gehad in Nederland. Subsidiair heeft de staatssecretaris nog gemotiveerd dat als eiser wel familie- en/of gezinsleven in Nederland zou hebben, inmenging in dat gezinsleven wegens gevaar voor de openbare orde is toegestaan. De staatssecretaris heeft daarbij aan de hand van de ‘guiding principles’ uit de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, de door eiser aangevoerde relevante omstandigheden bij de belangenafweging betrokken. De staatssecretaris heeft uitvoerig en voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM, omdat de inmenging in eisers familie- en/of gezinsleven is toegestaan in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Anders dan eiser heeft gesteld, is wel alles wat hij had aangevoerd in de belangenafweging betrokken. De staatssecretaris heeft mogen vinden dat onvoldoende is onderbouwd dat eiser de vader is van [naam 1] (en van [naam 2] ), omdat zijn naam niet op de geboorteakten is vermeld. Over het beroep op het arrest Chavez-Vilchez heeft de staatssecretaris mogen vinden dat eiser niet heeft onderbouwd wat voor zorg- en/of opvoedingstaken hij concreet verricht. In beroep heeft eiser ook niet geconcretiseerd waarom het standpunt van de staatssecretaris niet kan worden gevolgd.

18. Over eisers privéleven heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat eiser meer banden heeft met Nederland dan de banden die gebruikelijk zijn na langdurig verblijf, dat niet is gebleken dat eiser voor het uitoefenen van zijn privéleven aan Nederland is gebonden, dat het niet onredelijk is om bepaalde banden die eiser met Nederland is aangegaan op afstand te onderhouden en dat na afweging van alle betrokken belangen de inmenging in eisers privéleven is toegestaan in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Deze beroepsgronden slagen niet.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

19. Eiser heeft ook aangevoerd dat er geen rechtvaardiging is voor een terugkeerbesluit en dat het inreisverbod van twee jaar nietig is omdat hem geen vertrektermijn is onthouden. Eiser heeft hierbij verwezen naar artikel 11, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

20. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat het verblijfsrecht van eiser is beëindigd wegens gevaar voor de openbare orde niet maakt dat de staatssecretaris gehouden is om de in artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen vertrektermijn te verkorten. In artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 staat immers dat de vertrektermijn kan worden verkort als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. Overigens merkt de staatssecretaris nog terecht op dat eiser niet is benadeeld door hem een vertrektermijn van vier weken te gunnen.

Ook het betoog van eiser dat het inreisverbod van twee jaar nietig is omdat hem geen vertrektermijn is onthouden, volgt de rechtbank niet. Eiser gaat er daarmee aan voorbij dat het inreisverbod niet is gebaseerd op het eerste lid van artikel 66a van de Vw 2000, maar op het tweede lid van dat artikel, waarin is vermeld dat een inreisverbod kan worden uitgevaardigd tegen de vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzitter, en mr. S.D.M. Michael en mr. G.J.W.M. Kipping, leden, in aanwezigheid van

mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op

14 mei 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.