Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/09/611084 / JE RK 21-982
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende effect heeft gehad en de systeemproblemen inmiddels te complex zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/611084 / JE RK 21-982

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 23 april 2021 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),

betreffende:

- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te Leiderdorp,

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift met bijlagen d.d. 20 april 2021.

Op 14 mei 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de vader;

- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.

Feiten

  • -

    De moeder van [minderjarige] is [de vrouw]

  • -

    [minderjarige] is erkend door de vader.

  • -

    De vader is bij beschikking d.d. 25 januari 2021 belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag.

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk bij de vader.

Het verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar. De Raad legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. De zorgen betreffen met name de sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en de problematische verstandhouding met de moeder. Gezien de complexiteit van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is deze bedreiging niet afgenomen in het vrijwillig kader. [minderjarige] stagneert in haar ontwikkeling. Een jeugdbeschermer dient de regie te voeren en de vader te ondersteunen zodat de vader voor een deel ontlast kan worden in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Er dient allereerst hulpverlening voor [minderjarige] te worden ingezet. Daarna kan gewerkt worden aan het herstellen van het contact tussen de moeder en [minderjarige] .

Het standpunt van de betrokkenen

De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad en heeft ter zitting naar voren gebracht dat het nodig is dat de gecertificeerde instelling betrokken raakt bij het gezin zodat regie gevoerd kan worden met betrekking tot de benodigde hulpverlening.

De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet. Hij heeft aangegeven dat hij zich zorgen maakt om [minderjarige] . Het gezin is vastgelopen in de vrijwillige hulpcirkel en er is geen adequate hulpverlening op gang gekomen. De vader heeft zich ter zitting afgevraagd of de instanties bij het toewijzen van het verzoek tot ondertoezichtstelling zouden moeten worden gedwongen om hulp te verlenen, aangezien hij de hulpverlening altijd heeft geaccepteerd. Er moet eerst gezorgd worden dat het goed gaat met [minderjarige] , voordat gekeken kan worden naar de mogelijkheden tot contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] .

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] ziet op de stagnatie in haar sociaal-emotionele ontwikkeling en de problematische verstandhouding met de moeder. De band tussen de moeder en [minderjarige] is altijd ingewikkeld geweest. [minderjarige] is op zesjarige leeftijd bij de vader gaan wonen omdat het niet goed ging in de opvoedingssituatie bij de moeder. Ondanks de inzet van verschillende hulpverleningsinstanties is de onderlinge band tussen de moeder en [minderjarige] tot op heden niet verbeterd. De moeder lijkt door haar eigen persoonlijke problematiek onvoldoende te kunnen aansluiten bij [minderjarige] . Er zijn geen zorgen met betrekking tot de opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de vader. Het lukt de vader echter niet om de problemen rondom het contact tussen de moeder en [minderjarige] weg te nemen. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende effect heeft gehad op dit proces en de systeemproblemen inmiddels te complex zijn geworden. Gezien de inspanningen van de vader is het niet aan hem te wijten dat de hulpverlening in het vrijwillig kader niet het gewenste resultaat heeft gehad. De inzet van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om de regie te voeren over de benodigde hulpverlening en de vader ondersteuning te bieden bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zo kan de vader hierin ontlast worden en kan de betrokken jeugdbeschermer de vader helpen bij het maken van beslissingen met betrekking tot de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] .

Gezien de complexiteit van de problematiek en de verwachting dat de zorgen niet binnen korte tijd voldoende zullen zijn afgenomen acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden passend en geboden.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige] van 14 mei 2021 tot 14 mei 2022 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2021 door mr. A.J. Japenga, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.