Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:5417

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/09/598885 / FA RK 20-6148
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/598885 / FA RK 20-6148

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Beschikking van de Enkelvoudige Kamer

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij

in de zaak naar aanleiding van het op 3 september 2020 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw]
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn.

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en de e-mails van de advocaat van de moeder en de gecertificeerde instelling, respectievelijk ontvangen d.d. 22 januari 2021 en 23 maart 2021.

Op 18 mei 2021 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;

  • -

    [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

  • -

    de advocaat van de moeder.

De moeder is conform wettelijke vereisten opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.

Feiten

  • -

    Bij beschikking van 17 september 2020 is de moeder geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over het toen nog ongeboren kind en is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij, met toepassing van artikel 1:268 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 800, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • -

    Bij beschikking van 29 september 2020 is voornoemde beschikking bekrachtigd, betreffende de inmiddels geboren [minderjarige] .

  • -

    [minderjarige] verblijft feitelijk in een (netwerk)pleeggezin, bij een nicht van de moeder.

Verzoek en verweer

De Raad verzoekt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogdes. Ter zitting is namens de Raad verklaard dat het verzoek wordt gehandhaafd, nu de situatie van de moeder zoals die was ten tijde van de indiening van het verzoek niet is veranderd. De moeder is onvoldoende in staat gebleken om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen, als gevolg van een verstandelijke beperking, middelengebruik, psychiatrische problematiek en een instabiele woonsituatie. De jarenlange problematiek is onverminderd aanwezig en de moeder is niet leerbaar gebleken. [minderjarige] woont nu bij de nicht van de moeder en ontwikkelt zich daar positief. De Raad acht het van belang dat de gecertificeerde instelling, als neutrale partij, wordt belast met de voogdij. De band tussen de nicht en de moeder is niet altijd goed geweest en moet verder worden versterkt.

De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Daarbij is aanvullend verklaard dat de problematiek van de moeder onverminderd aanwezig is en dat zij daardoor niet in staat is de verantwoordelijkheid over [minderjarige] te dragen. Een moeder-kind plaatsing is om die reden ook niet mogelijk gebleken, vanwege middelengebruik. Het lukt de moeder niet om afspraken na te komen. De moeder ziet [minderjarige] eens per vier weken en dat lijkt nu het hoogst haalbare. Omdat het contact tussen de nicht en de moeder eigenlijk pas sinds de plaatsing van [minderjarige] is hersteld, is die relatie te kwetsbaar voor pleegoudervoogdij. Wel zal blijvend worden onderzocht of die mogelijkheid er op den duur wel is.

Namens de moeder heeft de advocaat aangevoerd dat de moeder het gevoel heeft dat zij de kans niet krijgt om voor [minderjarige] te zorgen. Zij wil het liefste in een moeder-kind-project en wil daarom niet dat haar gezag (al) wordt beëindigd. Subsidiair verzoekt de moeder om de nicht te belasten met de voogdij, omdat [minderjarige] feitelijk door haar wordt opgevoed en de moeder blij is dat [minderjarige] daar kan wonen.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien (a.) de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of (b.) de ouder het gezag misbruikt.

De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat wordt geacht om [minderjarige] binnen aanvaardbare termijn te bieden wat zij nodig heeft. Als gevolg van complexe (psychiatrische) problematiek, die jarenlang onverminderd aanwezig is, is de moeder niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de (basale) verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen en haar veiligheid te waarborgen. Het lukt de moeder niet om noodzakelijke hulp te accepteren en de situatie is de afgelopen jaren daarom onveranderd. Zij is daarin niet leerbaar gebleken en toont onvoldoende ziektebesef en -inzicht. Ook de afgelopen periode heeft de moeder gedurende de voorlopige voogdij niet laten zien dat zij wil of kan veranderen, onder andere door afspraken niet na te komen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een voorziening in het gezag over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen.

In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige] groeit nu op in familieverband bij de nicht van de moeder. Dat is een plaatsing waar de moeder achter kan staan als [minderjarige] niet bij haar kan wonen. De moeder blijft altijd de moeder van [minderjarige] , maar de nicht van de moeder zal – als pleegmoeder – de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] dragen. Gelet op de kwetsbare band tussen de moeder en de pleegmoeder, zoals ter zitting duidelijk is toegelicht, acht de rechtbank pleegoudervoogdij op dit moment niet mogelijk. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling is noodzakelijk om de pleegmoeder te ondersteunen en het contact tussen de moeder, de pleegmoeder en [minderjarige] te begeleiden. Om die reden zal de rechtbank het verzoek om de gecertificeerde instelling te benoemen tot voogdes toewijzen. Ter zitting is naar aanleiding van het verweer van de moeder toegelicht dat de mogelijkheden om de voogdij op een later moment te beleggen bij de pleegmoeder zullen worden onderzocht.

De gecertificeerde instelling heeft zich ter zitting en schriftelijk bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder:

- [de vrouw] geboren op [geboortedag 2] 1982 te [geboorteplaats 2] ,

over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedag 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,

benoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gelast de griffier deze beslissing te laten aantekenen in het gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021 door mr. S.M. Borkent, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.